Terug naar het keuzemenu van de pausen

Urbanus VIII

Gregorius XV stierf tijdens de hondsdagen. Op het conclaaf leden alle kardinalen aan malaria. Acht van hen stierven eraan. Daarom wou men dan ook snel en doeltreffend te werk gaan. Op 6 augustus 1623 werd een man van 55 jaar, die het best weerstand had geboden aan de ziekte, met een ijzeren gezondheid en een onwankelbaar zelfvertrouwen, met eenparigheid van stemmen verkozen: Maffeo Barberini. Hij koos als pausnaam Urbanus VIII.

De Kerk betreurde het feit dat het pontificaat van Gregorius XV slechts twee jaar geduurd had, maar ze zou nog meer spijt krijgen dat het pontificaat van Urbanus VIII tien keer langer duurde. In die tijd verloor ze heel wat aan invloed, prestige en goederen. De goederen gingen echter niet voor iedereen verloren: voor de Barberini' s betekenden ze hun fortuin. Het nepotisme had nu wel zijn eigen record verbeterd: Urbanus VIII gaf meer dan 100 miljoen Ecu's uit voor zijn familie, die de machtigste eigenaar werd van de hele pauselijke Staat.

Maffeo Barberini werd op 25 april 1568 in Florence geboren, in een familie van groothandelaars. Hij zou rechten studeren. Van 1604 tot 1607 was hij nuntius in Parijs, waaraan hij zijn hart verloor: door zijn onvoorwaardelijke gehechtheid aan Frankrijk geraakten de pausen hun rol van scheidsrechter, die hen nog maar pas was toebedeeld in de grote Europese conflicten, definitief kwijt.

Als kenner van de letteren, musicus en dichter, was kardinaal Barberini een rijk man en maakte hij grote sier in Rome. Hij was zo bescheiden (!) dat hij op het Capitool een zuil liet oprichten te zijner ere. Daarnaast was hij al even opvliegend als ijdel. Hij was een onverbeterlijk prater, maar kon ook een sluwe diplomaat zijn. Het was niet voor niets dat hij zich tot paus kon laten kiezen door een concilie dat spoed wou maken. Dat deed hij door zich bij de twee rivaliserende partijen te laten doorgaan als de gezworen vijand van de andere!

Zijn pontificaat kende de somberste jaren van de Dertigjarige Oorlog. Hij had meer aandacht voor de verrijking van zijn familie dan voor de verdediging van het katholicisme. Tegenover het katholieke verbond toonde hij zich al even gierig als zijn voorganger vrijgevig was geweest.

Hij weigerde alle onderhandelingen met de 'ketters' uit vrees daardoor alleen al hun bestaan te erkennen en speelde onrechtstreeks in hun de kaart, door, tegen de keizer in, de zijde te kiezen van Frankrijk en het protestantse Zweden van Gustaaf-Adolf. Daardoor bracht hij het Duitse katholicisme zo'n zware slag toe, dat het bestaan ervan in het gedrang kwam.

Dit pontificaat kende ook de affaire Galilei. Die had zich, sinds de veroordeling in 1616 van de' gekke' Copernicus, zeer gedeisd gehouden. In 1632 kwam hij door zijn werk 'Dialogo sopra i due massimi sistemi' voor het heilige officie.

Zou hij met folteringen tot een meer orthodoxe opvatting van de kosmos komen dan met zijn telescoop ? Op zijn 70ste had de oude wetenschapper niet veel zin om hetzelfde lot te ondergaan als Giordano Bruno, die op de brandstapel geëindigd was omdat hij analoge 'ketterijen' had verkondigd. Hij boog dan ook maar het hoofd, tekende alles wat men wou, beloofde 'niet meer opnieuw te zullen beginnen'. Hij trok zich terug in zijn bewaakte residentie (Villa Medici) en vroeg zich met een geamuseerde nieuwsgierigheid af hoeveel jaren de Kerk nodig zou hebben om terug te komen op haar veroordeling. Het zou maar drie en een halve eeuw duren: onder het pontificaat van Paulus VI zou ze moedig besluiten dat er duidelijk enige verwarring moest zijn geweest...

Een zo gecultiveerde en schoonheid minnende paus als Urbanus VIII had het al te druk met zichzelf, zijn familie en zijn staten. Hij bouwde forten, versterkte de omheining van de Engelenburcht en de vestingmuren van het Vaticaan. Hij had een eigen wapenfabriek, waar hij antiek bronswerk van het Pantheon liet smelten om er kanonnen van te maken. Vandaar de woordspeling die in Rome de ronde deed: 'quod non fecerunt Barbari, fecerunt Barberini', wat de barbaren niet om zeep hebben geholpen, dat hebben de Barberini om zeep geholpen.

Dank zij zijn militaire macht kon hij, in 1632, het hertogdom Urbino veroveren. Hij had ook graag het kleine hertogdom van Castro ingepalmd. Hij viel het aan in 1641, maar Castro bood weerstand en de Barberini moesten er van afzien.

Voor het overige hadden ze niet te klagen. Nog nooit was een familie zo geplaagd geweest door de gulheid van 'haar paus'. Het paleis van de Barberini, een juweel van barokke kunst, blijft hiervan de rijke getuigenis. Om echter zijn persoonlijke pleziertjes, zijn nepotisme en zijn mecenaat te financieren was hij verplicht zeer zware belastingen op te leggen. In epigrammen werd hij op de korrel genomen: 'Bij Urbanus de achtste met de mooie witte baard / ging het eind van een Jubeljaar met belasting gepaard'. Om de Trevi-fontein te kunnen bouwen kwam er een taks op de wijn. Weer ging men dichten: 'Nadat hij accijnzen op de wijnen beval / dronken z' er alleen nog op het Quirinaal'.

Zijn familie treurde niet toen hij, op 29 juli 1644, na een pontificaat van 21 jaar, overleed. Wel trachtte zij haar wil op te leggen aan het conclaaf waarin zij trouwens rijkelijk vertegenwoordigd was. Maar in de Barberini-clan ontstond een zodanige tweedracht dat de verbijsterde kardinalen moesten toezien hoe zij op de vuist gingen. De vechtende eminenties dienden gescheiden te worden...

Terug naar het keuzemenu van de pausen