Terug naar het keuzemenu van de pausen

Pius VII

In de vroege ochtend van 1 december 1799 verliet een flottielje zwarte gondels de aanlegsteiger van San Marco en loodste de 34 - met Oostenrijkse hulp - naar Venetië gevluchte kardinalen naar het klooster van San Giorgio Maggiore. Het werd een bewogenconclaaf. Op 14 maart 1800 kwam kardinaal Luigi Barnaba Chiaramonti met unanimiteit uit de stembus.

Chiaramonti werd op 14 april in Cesena geboren. Zijn vader was hertog en zijn moeder markiezin. Op veertienjarige leeftijd trad Luigi Barnaba in het klooster bij de benedictijnen. Hij doceerde theologie, eerst in Parma, daarna in Rome. Als bisschop van Tivoli werd hij in 1785 kardinaal en bisschop van Imola benoemd. Hij was een realist en stond open voor moderne ideeën. In de kerstnacht van 1797, in volle Franse bezetting, verkondigde hij: 'Wie een perfect christen wordt, zal een goed democraat zijn.'

Keizer Frans, die de voorkeur had gegeven aan Mattei, was vrij ontgoocheld met zijn verkiezing en weigerde daarom zijn intronisatie te laten plaatsvinden in de San Marcobasiliek. Chiaramonti werd dan gekroond in San Giorgio Maggiore. Hij noemde zich Pius VII. Het was 21 maart, de eerste dag van de lente en een goed voorteken voor de Kerk.

De keizer had de paus uitgenodigd zich in Wenen te komen vestigen. Pius VII weigerde dat: zijn zetel was in Rome en vroeg of laat wou hij daar toch naar toe. Hij weigerde vooral zich met Oostenrijk te compromitteren, waardoor hij alle hoop op een toenadering tot Bonaparte, de nieuwe heerser van Frankrijk, kon vergeten.

Verlost van de Fransen door toedoen van Ferdinand van Napels, kon hij op 3 juli naar Rome terugkeren. Op 9 februari 1801 kreeg hij een deel van zijn Staat terug. Consalvi, een zeer handig collaborateur, sloot in Parijs met Bonaparte een concordaat af. Bonaparte wist heel precies het voordeel van de godsdienst in te schatten om zijn bewind te ondersteunen. 'Wij regeren niet over mensen die niet in God geloven, die schieten we neer', had hij ooit gezegd. Hij had de medewerking van de clerus echt nodig. Die was echter verdeeld en om de eenheid te herstellen had hij absoluut de paus nodig.

Het concordaat erkende de katholieke godsdienst als die van de meerderheid van de Fransen. Het maakte een einde aan de verdeeldheid van de geestelijkheid en hervormde de Kerk. De paus had ongetwijfeld bepaalde toegevingen moeten doen, maar de voordelen waren dan ook beslissend voor wat de oude gallicaanse geest betrof: door ermee in te stemmen alle bisschoppen van het Ancien Régime de laan uit te sturen, bevestigde hij op indirecte wijze zijn overwicht op het episcopaat, dat reeds een eeuw lang zijn onafhankelijkheid opeiste.

Maar Bonaparte zou zich niet laten binden door een concordaat. Hij paste het prompt aan met 27 organieke artikelen, die zijn greep op de Kerk versterkten. Het in 1803 met de Italiaanse republiek afgesloten concordaat onderging dezelfde behandeling. Bonaparte hield zich het beheersrecht voor over alle kerkelijke bezittingen en alle disciplinaire beslissingen.

De uitnodiging van Napoleon hem tot keizer te komen kronen, maakte de paus misselijk. Wat een vernedering voor de Kerk een kind van de revolutie tot keizer te kronen! Een revolutie die de Kerk zoveel schade had berokkend. Het was bovendien een enorm politiek risico want er was al een keizer, Frans II van Oostenrijk. Na veeloverleg was het Consalvi die hem kon overhalen: hij liet doorschemeren dat zijn instemming Napoleon zou kunnen aansporen om zijn 'organieke artikelen' in te trekken. Zo ging Pius VII - met 'de gedweeheid van een door zijn heer opgeroepen kapelaan de mis te komen lezen op het kasteel' - op 2 december naar Parijs. Op het ogenblik van de kroning liet Napoleon met veel vertoon merken dat hij niet de bedoeling had zich te onderwerpen aan het pausdom: hij kroonde zichzelf en de keizerin.

De inschikkelijkheid van de paus had dus niets opgeleverd. De organieke artikelen bleven gehandhaafd. Het scheelde niet veelof de paus werd verplicht in Frankrijk te blijven. Napoleon, die de paus graag van hem afhankelijk had gemaakt, stelde hem voor voortaan in Parijs of Avignon te resideren. Gelukkig had Pius VII deze valstrik voorzien: voor hij uit Rome vertrokken was, had hij een akte van ontslag laten opstellen. Wie hem in Frankrijk weerhouden zou, zou slechts een gewone monnik opsluiten, die geen enkele invloed meer had. Een conclaaf had meteen, volledig wettelijk, een nieuwe paus kunnen kiezen.

In april 1805 kreeg Napoleon lucht van die tegenzet en liet Pius VII, die nog steeds geduldig wachtte in het Florapaviljoen van de Tuilerieën, naar Rome terugkeren. Maar de pauselijke rust was van korte duur. In 1806 scheidde Napoleon hem van zijn trouwe Consalvi. Op 2 februari 1808 stuurde Napoleon troepen naar Rome, beroofde de pauselijke Staat van vijf provincies, die hij aan de Italiaanse republiek toevoegde. Uiteindelijk schafte hij op 17 maart de pauselijke Staat af door hem in te lijven bij zijn keizerrijk. Op 10 juni 1809 werden de pauselijke kleuren van het dak van de Engelenburcht verwijderd en vervangen door de Franse driekleur. Nog dezelfde dag excommuniceerde Pius VII 'alle schurken die het erfdeel van Petrus geroofd hadden'.

Napoleon zelf werd niet vermeld. Hij schreef de paus een brief om zich te verantwoorden. De paus moest hem dankbaar zijn omdat hij uiteindelijk verlost was van alle aardse zorgen, die hem ervan weerhielden zich ten volle aan de zielenzorg te wijden.

Dat argument was in feite onweerlegbaar. Het is ontstellend te bedenken dat we op Napoleon hebben moeten wachten om die waarheid zo helder geformuleerd te zien. Nog meer verbijsterend was dat het pausdom er de gefundeerdheid niet meteen van inzag en dat het nog meer dan een eeuw zou duren vooraleer de Kerk er zich in de Lateraanse akkoorden bij neerlegde.

Pius VII weigerde in Sicilië asiel te zoeken onder de bescherming van de Engelsen. Hij trok zich terug op het Quirinaal, waar hij in de nacht van 5 op 6 juli werd aangehouden. Hij werd eerst in Grenoble en daarna in Savona gevangen gezet. De kardinalen werden verzocht zich in Parijs te vestigen. Op 17 juni 1811 kwam er op aanvraag van de keizer een nationaal concilie bijeen in de Notre-Dame van Parijs. Napoleon had ook de Duitse en Italiaanse bisschoppen uitgenodigd. Het concilie dwarsboomde echter de bedoelingen van de keizer. Het eiste nl. de vrijlating van de paus. Omwille van die tegenstand besloot Napoleon op 11 juli de zittingen op te schorten en liet drie bisschoppen aanhouden. Het concilie mocht pas op 5 augustus zijn taak hervatten. Weer kon hij zijn eisen niet opdringenen liet daarom eind oktober 1811 het concilie ontbinden. Op 19 juni 1812 eiste hij dat de paus in het geheim overgebracht zou worden naar Fontainebleau.

Toen hij terugkwam van Rusland, waar hij veel van zijn glans verloren had, zag de keizer in dat het hoog nodig was de relaties met de Kerk te verbeteren. Hij liet Pius VII, die erg verzwakt was door een nierziekte, op 25 januari 1813 het Concordaat van Fontainebleau tekenen. Pius VII zou er zich gauw van vergewissen dat als hij afzag van het pauselijk grondgebied, in ruil voor een jaarrente van 2.000.000 frank, hij zich verlaagde tot de rang van gewoon ambtenaar, benoemd en betaald door de Franse staat. Op 24 maart 1813 trok hij, schriftelijk, zijn verbintenis in.

In de loop van het jaar 1813 was de status van de keizer nog verder afgebrokkeld. Daar maakte de paus in mei handig gebruik van om hem het recht te ontnemen de bisschoppen te benoemen. In 1814 liet Napoleon de paus opnieuw naar Savona overbrengen om hem tenslotte op 10 mei zijn vrijheid terug te geven. Hij had vijf jaar lang gevangen gezeten. Op 24 mei kon Rome zijn paus jubelend welkom heten. Pius VII maakte onmiddellijk werk van de wederopbouw van al wat verwoest was. Op 7 augustus riep hij de Sociëteit van Jezus terug tot leven.

De ontsnapping van het eiland Elba en de ontwikkelingen tijdens de Honderd Dagen waren voor de paus het laatste, korte noodsein. Op 22 maart 1815 werd hij, omwille van de mars van Murat naar Rome, gedwongen naar Genua te vluchten, maar reeds op 7 juni vestigde hij zich opnieuw in de Eeuwige Stad.

De doorstane beproevingen van Pius VII herstelden opnieuw het aanzien en de invloed van het pausdom. Het Congres van Wenen had hem bijna zijn hele staat teruggegeven en op 6 juli 1816 begon Consalvi te hervormen. Dat verliep niet zonder slag of stoot. In Frankrijk en Spanje sloot de geestelijkheid aan bij de behoudsgezinden, terwijl in Duitsland en de andere landen, die niet overwegend katholiek waren, de beginselen van verdraagzaamheid en vrijheid meer en meer terrein wonnen.

De paus liet niets onverlet om van Rome een artistiek centrum te maken. Het Chiaramonti-museum en de Vaticaanse pinacotheek zijn er nu nog de getuigen van.

Pius VII overleed op 20 augustus 1823. Als een ervaren stuurman had hij het scheepje van Petrus door de storm gelaveerd. Er zouden maar weinig pausen zoveel van zichzelf geven om het welzijn van hun onderdanen te verzekeren.

Terug naar het keuzemenu van de pausen