Terug naar het keuzemenu van de pausen

Pius VI

Het conclaaf was ditmaal verplicht zich van de buitenwereld af te sluiten, al was het maar om te ontkomen aan de spot en de verwijten van de Romeinen. Het volk kon maar niet begrijpen waarom het maanden moest duren om een paus te kiezen. Uiteindelijk werd kardinaal Giovanni Angelo Braschi op 15 februari 1775 unaniem verkozen.

Hij was op 25 december 1717 in Cesena geboren en werd wegens een late roeping pas op 38-jarige leeftijd tot priester gewijd. Clemens XIII gelastte hem met het in orde brengen van de pauselijke financiën. Het werd een succes en in 1773 ontving hij daarvoor het kardinaalspurper. Omdat hij nog geen bisschop was, werd hij daartoe eerst gewijd en vervolgens tot paus gekroond op 22 februari. Als pausnaam koos hij Pius VI.

Het Heilig Jaar was net ingegaan. De aangeboden feestelijkheden waren van die aard dat de pelgrims in de feestroes gewoon vergaten dat zij gekomen waren om hun ziel te redden. Om de pelgrims te stichten achtte de paus het noodzakelijk zich steeds piekfijn uitgedost en opgesmukt in het openbaar te vertonen, als een echte 'Renaissance-paus'. In het Lateraan liet hij het 'Pio-Clementijns' museum afwerken en in de stad verscheidene obelisken oprichten. Daarnaast bouwde hij de kerk en het college van Subiaco en liet een groot deel van de Via Appia opnieuw aanleggen en er al de antieke monumenten restaureren.

Zijn hang naar prestige vormde een tragisch contrast met de geestelijke emancipatie, het vorstelijk absolutisme en het antiklerikalisme die steeds meer terrein wonnen. Men kon zich nog nauwelijks de tijd herinneren dat vorsten huiverden voor de paus. Nu legden zij hem hun wil op en verdeelden ze onderling zijn Staat. De paus besefte elke dag meer dat het pausdom, op politiek vlak, nog slechts weinig voorstelde.

Ook binnen de Kerk zelf was zijn machtonderwerp van discussie. In 1763 had de bisschop van Trier - onder het pseudoniem Febronius - een beweging opgezet om de bisschoppen tegen een al te verpletterende pauselijke overheersing te beschermen. Die beweging was met de tijd wel wat afgezwakt maar, in 1785, gaf de oprichting van een nuntiatuur in München toch aanleiding tot protest vanwege de aartsbisschoppen van Keulen, Mainz, Trier en Salzburg. Het jaar daarop eiste het Duitse episcopaat in een algemene vergadering in Ems het recht op elke pauselijke bul die in Duitsland zou verschijnen, vooraf goed te keuren.

Het was een echte 'josefistische' periode. De naam was afgeleid van Jozef II, die wou dat de paus zich uitsluitend wijdde aan geloofszaken en het bestuur van de Kerk aan de staat overdroeg. In 1782 begaf de paus zich naar Wenen om de keizer op zijn beslissingen terug te doen komen, maar hij moest onverrichter zake naar Rome terugkeren.

Dat was het begin van een aantal grote vernederingen. In 1789, het jaar waarin Pius VI de reconstructie van de Via Appia met veel vertoon inhuldigde, legde de Franse staat de hand op alle kerkelijke goederen. Men nam al de verworven voorrechten van de geestelijkheid af, keurde de ontbinding goed van alle religieuze orden en de afschaffing van het burgerlijke statuut van de clerus.

Het aantal bisdommen werd gereduceerd van 134 tot 83. In 1791 kwam er een nieuwe aartsbisschop in Parijs, die twee jaar later zou overschakelen op de verering van de godin van de Rede. In 1792 werden er in Parijs 300 priesters terechtgesteld terwijl 40.000 geestelijken reeds naar het buitenland waren gevlucht. Van bij de afkondiging van de antiklerikale wetten had Pius VI ze in een pauselijke breve veroordeeld. In mei werd het document in Parijs in het openbaar verscheurd onder luid applaus van de revolutionairen.

De paus beging een flater met te verkondigen dat elke priester die trouw zwoer aan de Republiek, zou worden geschorst. Zo verdeelde hij de geestelijkheid in twee kampen: de dienstweigeraars en de beëdigden. Hij blunderde ook met zijn aansluiting bij het verbond tegen Frankrijk. Daardoor verloor hij bij de Vrede van Tolentino van 1797 een aanzienlijk deel van zijn Staat: Avignon, het graafschap Venaissin, Ferrara en enkele maanden later Ancona. Hij was de overwinnaar 45 miljoen Ecu's verschuldigd.

Aangespoord door generaal Duphot brak in december in Rome een volksopstand uit tegen de paus, maar de militie van Pius VI kon ze onderdrukken en Duphot verloor daarbij het leven. Op 15 februari 1798 zette Frankrijk de zware middelen in. Generaal Herthier nam Rome in, ontnam de paus zijn wereldlijke macht en riep de Republiek uit. Vijf dagen later werd de meer dan 80-jarige paus gevangen genomen en verbannen. Omwille van zijn zeer slechte gezondheidstoestand had hij gevraagd in Rome te mogen sterven, waarop generaal Haller hem grof had geantwoord: 'Sterven kan je overal!'

Pius VI werd eerst naar Siena afgevoerd en aan groothertog Ferdinand II toevertrouwd. Hij bleef daarna opgesloten in Firenze. Later werd hij overgebracht naar Parma, Turijn en Briançon, om uiteindelijk in Grenoble terecht te komen. Zijn tocht over de Alpen verliep op een draagbed. Daar het Directoire vreesde dat hij kon worden geschaakt, kreeg hij voortdurend een andere bestemming. Verder dan Valence kwam de paus niet. Hij overleed op 29 augustus 1799. Om alle kunstwerken waar Bonaparte in Rome de hand op had kunnen leggen naar Parijs te vervoeren, waren niet minder dan 500 wagens nodig.

Op het ogenblik dat de paus in Valence zijn laatste adem uitblies, was zijn neef - die door zijn toedoen hertog werd en voor wie hij fortuinen had uitgegeven, al was het maar voor het bouwen van het Braschi-paleis op de Piazza Navona - in Rome onder de revolutionaire vlag de collaborateur-burgemeester aan het spelen.

Het tragische einde van Pius VI maakte veel van zijn tekortkomingen goed. Onevenwichtig en kinderlijk ijdel als hij was, had hij toch altijd met toewijding aan zijn taak gewerkt. De beproeving maakte hem nog groter en deed hem de geschiedenis ingaan als een van de nobelen van het pausdom.

Terug naar het keuzemenu van de pausen