Terug naar het keuzemenu van de pausen

Paulus III

De pendelpolitiek van Clemens VII tussen Frans I en de keizer had de pausen in diskrediet gebracht. Zijn opvolger zorgde ervoor dat er alvast een aanzet van vernieuwde geloofwaardigheid ontstond, door strikt neutraal te blijven en zich voornamelijk bezig te houden met de Kerk. Zijn persoonlijke gebreken verhinderden hem het pausdom te hervormen, maar hij durfde wel het risico te nemen van een concilie samen te roepen, dat de aanzet moest worden tot de Katholieke Reformatie.

Het was aan die onafhankelijke opstelling tegenover de twee grootmachten te danken dat Alexander Farnese, na een conclaaf van amper twee dagen, paus Paulus III kon worden. Hij werd in 1468 geboren in Canino bij Viterbo. Dank zij de charme van zijn zuster Giulia Farnese, 'la Bella' genoemd, had hij van Alexander VI talrijke diocesen en het kardinaalspurper gekregen. Zijn leven was al even losbandig geweest als dat van de meeste van zijn collega's en hij had heel wat kinderen verwekt. Drie ervan zou hij wettigen. Als paus benoemde hij drie van zijn neven, tussen de 14 en de 18 jaar oud, tot kardinaal en maakte hij van zijn zoon Pier-Luigi de vaandeldrager van de Kerk, d. w .z. de standaarddrager en opperbevelhebber van het pausdom.

In de loop van het jaar 1513 leek hij toch ernstig werk te willen maken van zijn bisschoppelijke taken. Toch was hij nog niet voldoende veranderd om ook de curie te verontrusten: die kon zich, onder de ogen van de nieuwe paus, nog net als in de mooie dagen van Leo X naar hartelust vermaken met maskerades, grappen en losbandige schouwspelen.

Het was dan ook een verrassing dat uitgerekend deze Paulus III besloot het concilie eindelijk bijeen te roepen, ondanks het verzet van zijn kardinalen, van Frans I en de protestantse prinsen die daar ondertussen niets meer van wilden weten... Hijzelf kreeg zo'n schrik van zijn eigen moed dat zijn ijver verslapte. Maar de aanzet was gegeven. Zijn nieuwe medewerkers, kardinalen Carafa en Cervini, namen hem op zijn woord en waren niet van plan de onderneming te laten schieten.

In 1536 bracht Paulus III een eerste commissie bijeen, belast met de voorbereiding van de Kerkhervorming. Die was zo vrijmoedig alle kwalen van het christendom toe te schrijven aan de overdreven aanspraak van de pausen op de universele suprematie. Op 21 juli 1542 werd een nieuwe instelling gecreëerd die heel wat later het opperste Kerkorgaan werd. Zij was samengesteld uit zes kardinalen en haar voornaamste taak bestond erin de zuiverheid van het geloof te vrijwaren van ketterij, die met geëigende maatregelen moest worden aangepakt. Dit orgaan was uiteraard eerder een verdedigingsreflex dan een positieve bijdrage tot hervorming. Ze onderging talrijke naamsveranderingen: 'Congregatie van de Romeinse en universele inquisitie', 'Heilige congregatie van het Heilig Officie' en tenslotte, zoals ze vandaag nog heet, 'Congregatie van het geloof'. Toch bleef ze steeds een negatieve bijklank behouden. Als definitieve erfgenaam van de tradities van de inquisitie geraakte ze nooit echt af van een verre maar hardnekkige herinnering aan de brandstapel.

Tenslotte, op 13 december 1545, werd dan toch het lang verwachte concilie in Trente geopend. De keuze van die stad was geen toeval: haar bevolking was Italiaans maar het grondgebied behoorde aan het Keizerrijk. Zowel de keizer als de paus konden er zich op hun gemak voelen. Dat dit een juiste keuze was bleek toen in de lente de paus, als gevolg van bepaalde intriges, overwoog de vergadering over te brengen naar Bologna, m. a. w .naar zijn eigen staten. De reactie van de keizer was zo fel dat de activiteiten uit angstvoor een scheuring, op 14 september 1547, werden opgeschort. Ze zouden pas op 1 mei 1551 worden hernomen.

Het concilie werkte liefst 18 jaar aan een stuk door. Het kende een zeer moeilijke start. Het nepotisme van de paus en zijn bezorgdheid de Farnese-familie bevoorrechte plaatsen te bezorgen bij de Italiaanse prinselijke families, waren oorzaken van een grote vertraging.

Het pontificaat van Paulus III werd niet alleen bepaald door het begin van een concilie. Het was niet alleen een tijdperk van hevige twisten maar ook van intense geestelijke beroering. Er ontstonden heel wat religieuze orden: theatijnen, barnabieten, kapucijnen, maar vooral ursulinen en de Sociëteit van Jezus waarvan de statuten officieel werden vastgelegd in 1540.

De stijgende spanning met de keizer zette een domper op de laatste levensjaren van Paulus III. Zijn oudste zoon, Pier-Luigi, werd op 10 september 1547 vermoord in Piacenza. De paus verweet Karel de Vijfde dat hij niets had gedaan om dit drama te voorkomen. Ottaviano, een neef van de paus, keerde hem daarna de rug toe en dreigde ermee over te lopen naar de keizer.

Paulus III stierf op 10 november 1549 na in het publiek zijn spijt te hebben betuigd over zijn nepotisme. Hij was nog te veel een 'Renaissance-paus' geweest om hem bij de hervormers te kunnen rangschikken. Maar door het heilig college te zuiveren, de nieuwe religieuze orden te steunen en tenslotte, door het concilie van Trente bijeen te roepen, had hij de Kerk de instrumenten bezorgd die ze nodig had voor haar reformatie. Hij was er ongetwijfeld de pionier van.

Terug naar het keuzemenu van de pausen