Terug naar het keuzemenu van de pausen

Nicolaas V

De Romeinen hadden een zonderlinge gewoonte. Zodra ze wisten wie de nieuwe paus werd, plunderden ze zijn woning en gingen hem daarna hulde brengen. De verkozene zelf vond dat hoegenaamd niet erg: het gestolene was in zijn ogen slechts een peulschil in vergelijking met wat er tijdens zijn pontificaat te rapen viel.

In 1447, na de dood van Eugenius IV, ontstond er echter behoorlijk wat verwarring. Van de 18 kardinalen die aan het conclaaf deelnamen, waren er twee mordicus van overtuigd dat zij de tiara zouden krijgen: Prospero Colonna en Nicolaas van Capua. Toen Prospero Colonna op 6 maart 1447, na twee dagen zitting, aan de deur van de zaal verscheen om het resultaat van de stemming bekend te maken, liepen sommigen (die er niet aan twijfelden dat hij de nieuwe paus zou worden) reeds naar zijn paleis om het te plunderen. Anderen - iets minder gehaast - begrepen dat niet Colonna de gekozene was en begaven zich naar de residentie van Nicolaas van Capua, die ze al even grondig plunderden. Maar noch Prospero, noch Nicolaas was gekozen, wel kardinaal Tomaso Parentucelli, de voorzitter van het conclaaf. Hijzelf was zo verrast dat hij de stembiljetten meermaals opnieuw telde. Er was echter geen twijfel mogelijk: het conclaaf had de volstrekt onverwachte Tomaso Parentucelli aangeduid. Hij was een onbekend huisleraar van kinderen uit rijke families en werd daarna aartsbisschop van Bologna.

Al was Parentucelli geen genie, hij drukte zich verrassend goed uit en beschikte over een fenomenaal geheugen. In dat geheugen zaten de volledige werken van verschillende dichters, wetenschappers en filosofen opgeslagen. Dank zij zijn talenkennis was hij pauselijk legaat geworden aan het Duitse hof. Hij had Frederik III ervan kunnen overtuigen niet te huwen met de dochter van de tegenpaus Felix (1439-1449) en veeleer aan te sluiten bij de partij van Eugenius IV. Aan dit diplomatieke succes had hij het kardinaalspurper te danken. Twee maanden later werd hij Nicolaas V.

Nicolaas V was een van de zeldzame pausen uit die tijd die zijn titel van vertegenwoordiger van Christus niet te schande maakte met een of andere ondeugd. Ondanks zijn tiara bleef hij de onberispelijke priester die hij altijd was geweest: hij liet zich nooit verleiden tot nepotisme. Zijn sobere levenswijze stond in schril contrast met zijn verlangen van Rome de meest prestigieuze stad van de Renaissance te maken. ‘Opdat het prachtige uitzicht van de stad het geloof der nederigen zou versterken’, herhaalde hij voortdurend. Vanuit de hele wereld trok hij op die manier wetenschappers, schrijvers en kunstenaars aan. Vanaf het allereerste werk dat hij zich had aangeschaft met de luttele centen die hij als leermeester verdiende, had hij al zijn boeken bewaard; zij werden de kern van de Vaticaanse bibliotheek. Bij hem liepen cultuur en pausdom in elkaar over. Hij wou de hele Griekse literatuur in het Latijn vertaald te zien. Daarnaast ontwierp hij vernuftige plannen voor het paleis van het Vaticaan en de Sint-Pietersbasiliek.

Zijn grote obsessie echter was vrede. Gekroond op 18 maart 1447 spande hij zich meteen in om de agressiviteit van Alfons van Aragon, de nieuwe koning van Napels (die de kerkelijke Staten bedreigde) in te tomen. Met Frederik III en de Duitse prinsen sloot hij in 1448 het Concordaat van Wenen af, dat tot 1803 van kracht zou blijven. In april 1449 hielp hij de tegenpaus Felix V, zonder enig gezichtsverlies, afstand te doen van zijn troon. Diezelfde maand vond hij een gepast trucje om de laatsten die het concilie van Bazel niet wilden gehoorzamen zover te brengen dat ook zij een einde wilden maken aan het schisma: hij suggereerde hen gewoon hem tot paus te kiezen, alsof hij dat al niet was. Die ongewone verkiezing was de laatste zitting van een vergadering die, na 18 jaar werken, op 24 april 1449 uit elkaar ging. Ze zou de Kerk doeltreffend hebben kunnen hervormen, als de conflicten met de pausen haar niet in discrediet hadden gebracht… Zo kon het jubeljaar 1450 opnieuw in vrede en vreugde plaatsvinden, ware het niet dat ook in dat jaar de pest uitbrak waardoor de paus Rome voor een tijd moest verlaten.

Terug in het Vaticaan gaf de paus aan Nicolaas van Cusa de opdracht de Duitse Kerk te hervormen. ‘Zuiver en vernieuw, maar verniel niets en treed niets met de voeten.’ Deze pauselijke richtlijnen kenmerkten zijn respect voor anderen en zijn nooit aflatende zin voor redelijkheid. Op 16 maart 1452 zegende de paus het huwelijk in van Frederik III met Eleonore van Portugal en kroonde hij Frederik tot keizer. Het was de laatste maal dat een keizer in Rome werd gekroond.

Op Driekoningen 1453 ontsnapte Nicolaas V ternauwernood aan een aanslag. Een verblind fanaticus had zich in het hoofd gehaald Rome te bevrijden van paus en kardinalen. De avond voordien had kardinaal Bessarion lucht gekregen van de samenzwering en de paus meteen verwittigd. De samenzweerders werden op 6 januari ingerekend, onmiddellijk veroordeeld en op 9 januari nog voor dageraad onthoofd. Dit was een zware schok voor deze paus, die een grondige afkeer had van geweld en uitsluitend voor de vrede leefde. Een tweede schok kreeg hij op 29 mei 1453 bij de inneming van Constantinopel door de Turken. Zo kwam het einde van het Byzantijnse rijk, de prestigieuze erfgenaam van de Romeinse grootheid.

Nicolaas V werd erg neerslachtig. Jicht en andere ziekten plaagden hem al vijf jaar; op 24 maart 1455 kwam er een einde aan zijn lijden. Hij was ongetwijfeld de nobelste paus van zijn eeuw. Zijn opvolger (Borgia-paus Calixtus III) zou zijn voorbeeld niet navolgen…

Terug naar het keuzemenu van de pausen