Terug naar het keuzemenu van de pausen

Innocentius VIII

Rome was nog maar net op de hoogte van de dood van Sixtus IV of de hel brak los. De opgekropte haat, na een jarenlange dictatuur van woekeraars, kwam tot uitbarsting. Alle gebouwen van de neven en andere relaties van de overledene werden geplunderd. De Colonna’s en de Orsini’s profiteerden van de onlusten om opnieuw hun eigen oorlog te beginnen.

Magistraten vroegen de kardinalen met aandrang een einde te maken aan deze chaos en zo vlug mogelijk een nieuwe paus te kiezen. Op 25 augustus begon het conclaaf. Borgia was zo zeker van zijn verkiezing, dat hij zijn paleis al had gebarricadeerd om het te beschermen tegen eventuele plunderingen.

De stemming werd voorafgegaan door het meest schaamteloze gemarchandeer. Men beloofde elkaar paleizen, titels en inkomsten. Giuliano della Rovere, wel wetend dat hij zijn oom nooit zo vlug kon opvolgen, wist de corruptie en beloften aan Borgia te blokkeren door de bisschop van Malfetta, kardinaal Jean-Baptiste Cibo, te helpen kiezen. Op 29 augustus 1484 werd hij tot paus Innocentius VIII gekroond.

Cibo werd in 1432 geboren in Genua. Zijn vader, een trouwe aanhanger van Calixtus III, was vice-koning van Napels geweest. Paulus II had hem tot bisschop van Malfetta gewijd en in 1473 tot kardinaal benoemd. Cibo had zijn carrière te danken aan zijn vlotheid en charme. Hij was een grote en zeer mooie man, die er geen geheim van maakte dat hij in zijn jonge jaren bij enige Napolitaanse hupse meisjes heel wat afstammelingen had verwekt.

Om de zaken niet te ingewikkeld te maken vermelden we hier dat hij, eenmaal paus geworden, nog slechts twee bastaards wou erkennen, nl. Theodorina en Franceschetto en de anderen slechts als neven beschouwde. Wat Battistina betrof, het kind van zijn dochter Theodorina, die werd met evenveel pracht en praal in de echt verbonden met Lodewijk van Aragon, koning van Napels.

Franceschetto kreeg een comfortabele sinecure in het Vaticaan en werd met veel luister in de echt verbonden met Magdalena de Medici, dochter van Lorenzo de Prachtlievende. Als dank voor het feit dat hij zijn dochter had laten huwen met de zoon van de paus, werd de zoon van Lorenzo de Prachtlievende, Giovanni, die toen 13 jaar oud was, tot kardinaal aangesteld.

De jonge eminentie was zijn carrière trouwens al zeer jong begonnen: op zijn 7de had Lodewijk XI hem tot abt gemaakt van een klooster, terwijl Sixtus IV hem aanstelde tot apostolisch protonotarius. Op zijn 8ste was hij aartsbisschop van Aken. Niet te verwonderen dus dat hij al op zijn 38ste paus Leo X werd…

Innocentius VIII gaf zijn vaderlijke zorgen wel degelijk voorrang op de kerkelijke problemen. Door de financiële put die Sixtus had nagelaten kon hij zich niet al te vrijgevig opstellen. Nu eens moest hij zijn mijter, dan weer zijn tiara in pand geven bij de Romeinse bankiers. Net als Sixtus verkocht ook hij ambten aan de meestbiedenden, en dat waren niet noodzakelijk de meest onbaatzuchtigen.

Er waren er die het bedrag dat ze voor hun ambt hadden betaald, trachtten terug te winnen door in het Vaticaan een heel namaakcircuit op te zetten, dat mooie winsten haalde uit de reproductie en de verkoop van zogenaamde pauselijke bullen. Dat vetpotje werd in 1489 ontdekt, zodat de oplichters op het schavot aan hun einde kwamen.

De kinderen en neven van Innocentius VIII waren gelukkig iets minder ambitieus dan die van Sixtus IV. Zij eisten geen graafschappen of kronen, omdat zij genoegen namen met zeer grote luxe. Voor hen hoefde de paus dus geen militaire acties te ondernemen.

Kardinaal Giuliano della Rovere, aan wie hij zijn tiara te danken had en die hem schaamteloos manipuleerde, sleepte hem mee in een oorlog tegen Napels, waaruit hij de Aragonezen wou verjagen. Florence en Milaan trokken partij voor Napels, terwijl Genua en Venetië aansloten bij de paus. Overal rond Rome werd er gevochten. De vrede werd pas op 11 augustus 1486 getekend.

Maar ook die vrede zou Rome niet meer redden van de anarchie. De schatkist van de paus was zo leeg dat alle misdadigers, zeer tegen de gewoonten van die tijd in, aan de doodstraf konden ontsnappen tegen het betalen van een boete. De zoon van de paus, Franceschetto, was zelfs zo onbeschaamd de vice-schatkistbewaarder te verzoeken alle boeten van meer dan 150 dukaten in zijn persoonlijke kas te storten.

Door zijn geldnood kwam Innocentius in de meest paradoxale situaties terecht. Door een paleisruzie moest Djem, de jongste zoon van de Turkse moslim Mohammed II, vluchten voor zijn broer Bajazet. Djem was eerst gevlucht naar de sultan van Egypte en had later bescherming gezocht bij de ridders van Sint-Jan die hem als gijzelaar gebruikten tegen Bajazet. Die liet weten dat hij de ridders-religieuzen een jaarlijkse rente van 35.000 dukaten zou betalen op voorwaarde dat zij zijn broer goed zouden bewaken.

In augustus 1482 had de grootmeester van de orde prins Djem om veiligheidsredenen naar Frankrijk overgebracht. Na jarenlange pogingen verkreeg Innocentius VIII uiteindelijk dat deze kostbare gevangene aan hem werd toevertrouwd. Djem arriveerde op 13 maart 1489 in Rome, totaal onverschillig voor de luister waarmee hij onthaald werd. In het Vaticaan genoot hij ten volle van zijn vergulde gevangenschap. Hij voelde er zich zeer veilig, want hij kende de zorg waarmee de paus deze bron van inkomsten koesterde.

Op 30 november 1490 bracht een Turkse ambassade de paus 120.000 dukaten, goed voor drie jaar bewaking. Bajazet had de jaarprijs van het 'pension' heel breed op 40.000 dukaten geraamd. De boodschapper uit het Oosten overhandigde de gevangene een brief van zijn broer, na zowel de voor- als de achterkant ostentatief te hebben afgelikt om hem te bewijzen dat de brief niet vergiftigd was.

In feite beschermde het hoofd van de christenen de troon van het hoofd van de islam, door de zoon van de veroveraar van Constantinopel onderdak te verlenen in het Vaticaan, terwijl hij ondertussen - weliswaar vergeefse - pogingen ondernam om de prinsen uit het Westen voor een kruistocht te mobiliseren.

In september 1490 was de gezondheid van de paus zodanig verslechterd dat men de 27ste dacht dat hij dood was. Zijn zoon lonkte reeds naar de kerkelijke schatkist en wou zich meteen meester maken van prins Djem, terwijl de kardinalen aan de inventaris van de erfenis begonnen... tot Innocentius zijn ogen opnieuw opende! Vals alarm!

Twee jaar later naderde het echte einde. De paus voedde zich alleen nog met melk van voedsters. Hij stierf op 25 juli 1492. Innocentius VIII verbond zijn naam aan één van de gruwelijkste fenomenen van die tijd: de heksenjacht. In 1484 had hij met zijn 'Summis desiderantes affectibus' hiertoe het licht op groen gezet.

Twee Duitse dominicanen, Heinrich Istitoris en Jacob Sprenger, haalden hieruit hun 'Malleus maleficarum' - 'de heksenhamer', een repressiecode waarin alle voorziene folteringen werden opgesomd die werden toegepast op de ongelukkige vrouwen die beschuldigd werden van omgang met de duivel.

In plaats van heksen achterna te zitten, had Innocentius IV beter geluisterd naar Pico della Mirandola. Deze bood aan op eigen kosten een filosofencongres te organiseren. De paus stelde echter zijn veto en veroordeelde deze denker die een uiteenzetting wou geven over de waardigheid van de menselijke persoon. Hoe had men deze filosoof ook kunnen begrijpen in een tijd waarin de zetel van Petrus nog slechts een toonbeeld van onwaardigheid was?

Terug naar het keuzemenu van de pausen