Terug naar het keuzemenu van de pausen

Hadrianus VI

Het grote knelpunt van het conclaaf dat op 27 december 1521 werd geopend, bestond niet in het vinden van een paus die bereid was te hervormen, maar in het achterhalen of hij een man van Frans I dan wel van Karel de Vijfde was. Tussen hen bestond een scherpe rivaliteit. Om de zaak te beslechten werd de naam genoemd van iemand die niet aanwezig was, een bijna onbekende kardinaal, afkomstig uit de Lage Landen en bisschop van Tortosa. Zijn naam was Adriaan Floriszone. Als enige uitweg werd Adriaan gekozen.

Rome onthaalde de kardinalen die op 9 januari 1522 uit het conclaaf kwamen, op gehuil, gefluit en stenen. Een Hollandse paus ! Adriaan Floriszone werd op 2 maart 1459 in Utrecht geboren. Als zoon van een timmerman bij de vloot, had hij dank zij een beurs de kans gekregen in Leuven te studeren. In 1507 werd hij huisonderwijzer van aartshertog Karel van Oostenrijk, de latere Karel de Vijfde. Na het succesvol uitvoeren van een moeilijke opdracht in Spanje, werd hij bevorderd tot bisschop van Tortosa. In januari werd Adriaan tot paus gekozen. Hij wilde zijn eigen naam houden, Hadrianus. Pas op 8 juli kon hij inschepen in Tarragona en op 27 augustus legde zijn schip aan in Civitavecchia, nadat hij door de keizer was opgehouden in Barcelona en Livorno.

Rome had af te rekenen met de pest en niemand had ooit gedacht dat de nieuwe paus dit risico zou nemen. Hij werd dan ook door niemand verwacht. Er was zelfs geen enkel paard voor hem naar de haven gestuurd. Hij vond er tenslotte toch nog een en kwam de 28ste augustus aan in Sint-Paulus, waar hij de nacht doorbracht. De volgende dag kwam de curie hem afhalen. De Romeinen hadden in allerijl een triomfboog voor hem opgericht. Hij verzocht hen het daarbij te houden. Hij was immers een christelijk bisschop en geen keizer. Rome maakte hem ziek met al die heidense pracht, die luxe van de curie en dat mondaine gedrag van de geestelijken. Toen hij door zijn paleis liep, waarvan de muren bekleed waren met wandtapijten en de gaanderijen versierd met beelden van goden, zuchtte hij: 'Hier ben ik de opvolger van Constantijn in plaats van Petrus!'

Dat de paus in volle pestepidemie in Rome durfde verblijven maakte wel indruk op de Romeinen. Maar het was niet voldoende om deze vreemdeling te doen aanvaarden, deze barbaar, die strenge man, die beslist had de financiën weer in orde te brengen, de zeden van de curie te verbeteren en het voeden van parasieten te stoppen. De kardinalen vergaven het zichzelf niet een paus te hebben gekozen die zijn taken als priester en Opperste Herder zo ernstig nam. De tijd van paus Leo X en zijn schitterende feesten was wel voorbij!

Hadrianus VI leek in het Vaticaan wel de enige te zijn die nog dacht aan een reformatie waar niemand van wou weten. Hij stuurde zijn legaten naar de rijksdag van Niirenberg, waar zij in zijn naam een boodschap moesten voorlezen waarin de paus de volledige verantwoordelijkheid opnam voor de ongelukken die de Kerk overkwam. Maar die ongewone bekentenis kwam, helaas, te laat. Wie geloofde nog in de oprechtheid van Rome? Luther reageerde met een pamflet. Dat was een eerste mislukking.

Hij slaagde er evenmin in de ogen van de christelijke prinsen te openen voor het Turkse gevaar. Dat was de tweede mislukking. En bovendien slaagde hij er niet in Karel de Vijfde en Frans I te verzoenen. Als hij dat had gekund, dan had hij Suleiman kunnen tegenhouden en in december 1522 Rhodos innemen.

Rome maakte deze 'indringer' het leven lastig. De ironie van de kardinalen - hun voortdurende provocaties, zijn eigen onbegrip, samen met zijn onvermogen de Kerk te zuiveren - gingen uiteindelijk zijn krachten te boven. Op het ogenblik dat hij stierf werd hij omringd door kardinalen die hem zogezegd troostten met hem heel hautain te vragen hoeveel geld hij bezat en waar hij het bewaarde. Op 14 september 1523 sloot Hadrianus voorgoed de ogen voor het onwaardig spektakel waarop de curie hem had vergast.

Spanjaarden en Vlamingen schreeuwden dat hij vergiftigd was. Ze eisten een autopsie, maar die viel negatief uit. Toch ging de Romeinse jeugd de deur van de dokter van de overledene versieren met volgend opschrift: 'Aan de bevrijder van het Vaderland, Senaat en Romeinse volk, die hem daarvoor zeer dankbaar zijn.'

In feite herademde iedereen. Het leven kon weer zijn gewone gang gaan. De kardinalen zwoeren dat ze niet meer zo dom zouden zijn om een 'barbaar' te kiezen. Hun opvolgers zouden vier en een halve eeuw woord houden.

Terug naar het keuzemenu van de pausen