Terug naar het keuzemenu van de pausen

Damasus

Niet minder dan 137 doden zijn er nodig geweest om Damasus op de bisschopszetel van Rome te krijgen. Hij werd in 304 geboren als zoon van een priester van de San Lorenzo fuori le Mura. Toen Constantius Liberius ontvoerde, was Damasus diaken en werd hij samen met zijn bisschop weggebracht. Als volbloed opportunist wist hij veel vroeger dan zijn bisschop naar Rome terug te keren en koos meteen partij voor Felix, in afwachting dat het volk Liberius kon doen terugkeren.

Nog maar pas had Liberius de ogen gesloten of de Felix-gezinden eisten een nieuwe bisschop uit hun rangen te mogen verkiezen. Zij waren echter in de minderheid: ze beschikten slechts over zeven priesters en drie diakens. Een van deze laatsten, Ursinus, werd verkozen en stante pede door de bisschop van Tibur gewijd.

Terzelfder tijd verkozen aan de andere kant van Rome, in de San Lorenzo fuori le Mura, het gros van priesters en gelovigen hun diaken Damasus tot nieuwe bisschop. Wegens het gevorderde uur besloten zij zijn bisschopswijding uit te stellen tot de daaropvolgende zondag. Toen dan op l oktober de bisschop van Ostia daartoe wou overgaan, moesten Damasus en zijn aanhangers zich in de basiliek van San Giovanni in Laterano verschansen. Heel de maand waren er schermutselingen tussen de aanhangers van Ursinus en die van Damasus.

Op 26 oktober gingen de Damasus-getrouwen resoluut in de aanval en bestormden ze de nieuwe door Liberius gebouwde basiliek, waar de ursinisten zich schuilhielden. Deuren werden met de bijl opengehakt en brandende lonten door de ramen naar binnen geworpen. De meest geoefenden kropen op de daken en wierpen dakpannen door de dakopeningen op de belegerden. Toen het nacht werd, telde men in de basiliek 137 doden. Zelfs de volgende dagen had de politie haar handen vol om de orde te herstellen.

Maar de toestand bleef onrustig. Een jaar later, in september 367, verwekte de terugkeer van Ursinus nieuwe onlusten. De bisschopszetel van Rome moest wel erg gegeerd zijn dat hij zo'n hardnekkige strijd waard was! Een boutade van de stadsprefect illustreert dit. De heidense functionaris werd door Damasus onder druk gezet om zich te bekeren. Hij antwoordde: 'Graag, als men mij belooft bisschop te mogen worden!'

Tijdgenoten waren het erover eens 'dat een bisschop zijn fortuin gemaakt was, dank zij de giften van de rijke dames. Hij verplaatste zich in een koets, ging met grote praal gekleed en kon festijnen geven waar die van de keizer bij verbleekten'. Ammianus Marcellinus (een geschiedschrijver uit die tijd) meende dat men beter de eenvoud van bepaalde bisschoppen van buiten Rome als voorbeeld nam: hun deugdzaamheid bewees het christendom heel wat grotere diensten. De Heilige Hironymus trok van leer tegen de roomse clerus 'van wie er velen alleen priester of diaken werden om gemakkelijker de gunsten van de dames te bekomen'.

In die sfeer van geweld en weelde moest Damasus zijn bisschopsambt opnemen. Het moet dan ook niet verbazen dat deze politieoptredens en keizerlijke tussenkomsten, die zoveel bloedvergieten meebrachten, hem aartsvijanden opleverden die nauwkeurig zijn eigen handel en wandel in de gaten hielden.

Wegens zijn groot succes bij zeer begoede dames werd hij beschuldigd van overspel en moord. In 378 moest hij voor de keizerlijke rechtbank verschijnen, maar hij werd vrijgesproken. Hij maakte van de nood een deugd en verkreeg van het hoogste staatsgezag de toezegging dat alle betwistingen omtrent geestelijken nog uitsluitend door kerkelijke rechtbanken zouden worden behandeld. Het burgerlijke gezag mocht alleen tussenbeide komen om aan de bisschop eventuele hand- en spandiensten te leveren bij het uitvoeren van vonnissen.

Om dat allemaal voor elkaar te krijgen, moest Damasus wel een heel bijzonder man geweest zijn. Ook zijn bijdrage tot de versterking van de suprematie van de kerk van Rome was opmerkelijk: in 378 verkreeg hij van het concilie van Antiochi wat hij reeds verworven had bij dat van Rome in 369, namelijk, de erkenning van het principe dat, om als bisschop rechtsgeldig aangesteld te kunnen zijn, Rome deze aanstelling eerst moest goedkeuren.

Zijn jonge vriend Ambrosius, bisschop van Milaan, drukte het aldus uit: 'Waar Petrus is, is de Kerk.' Op het concilie van Rome in 382 werd het door Damasus nogmaals duidelijk verwoord: 'De Heilige Kerk van Rome bezit de suprematie over alle andere, niet uit hoofde van een of ander conciliedecreet, maar uit de voorrang die Onze Heer zelf in het evangelie aanduidde met de woorden: Jij bent Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen.'

Om de suprematie van Rome vast te leggen, kon niets het dynamisme van Damasus temperen: noch zijn gevecht tegen het arianisme, noch het bouwen van kerken, noch het restaureren van de catacomben... Hij vond dat hij voldoende talent had om zelf grafschriften ter ere van de martelaren te plegen maar hun potische waarde is, helaas voor hem, zeer miniem: met veel banaliteiten.

Een van Damasus' grote verdiensten ligt in het feit dat hij de Heilige Hironymus aanwierf. Hij gelastte deze bijzonder erudiete man met het nazicht van alle bestaande Latijnse vertalingen van de bijbel. Tot op vandaag is het resultaat van zijn werk aan te treffen in de meest gangbare vertaling, de Vulgata.

Damasus stierf op 11 december 384. Gedurende twintig jaar was hij er, dank zij zijn inspanningen, in geslaagd de kerk van Rome voldoende prestige te geven om haar primaatschap te vestigen.

Terug naar het keuzemenu van de pausen