Terug naar het keuzemenu van de pausen

Bonifatius VIII

Italiaan

192ste paus

ca. 1235 - 1303

Regeerde van 23 januari 1295 tot 11 oktober 1303

De officile pausenlijst van het Vaticaan laat zijn pontificaat beginnen op 24 december 1294, de dag van zijn verkiezing, maar hij werd pas op 23 januari 1295 tot bisschop van Rome gewijd. Er zijn weinig pausen in de geschiedenis geweest die meer aanspraak hebben gemaakt op de geestelijke en wereldlijke macht van het pausschap dan Bonifatius VIII: die verklaarde dat ieder schepsel onderworpen is aan de paus. Hij was de laatste van de middeleeuwse pausen, maar ook n van de drie machtigste pausen van de Middeleeuwen, samen met Gregorius VII (1073-1085) en Innocentius III (1198-1216).

Geboren als Benedetto Caetani was hij kardinaal-priester van San Martino en bezitter van een groot aantal lucratieve beneficies (als gunst geschonken kerkelijke ambten die aan de benoemde inkomsten opleverden) toen hij op de avond voor Kerstmis, elf dagen na het aftreden van Caelestinus V, in Napels tot paus werd gekozen. Hij was een beroemd kerkjurist die het aftreden van zijn voorganger had geregeld.

Bonifatius VIII hield terdege rekening met de mogelijkheid dat de terugkeer van Petrus van Murrone (Caelestinus V) naar zijn grot zon toeloop van sympathiserende gelovigen zou kunnen teweegbrengen dat er misschien een schisma zou kunnen ontstaan. Daarom plaatste hij de vroegere paus onder bewaking waaruit die gedurende enkele maanden wist te ontsnappen. Toen Petrus van Murrone uiteindelijk gevat was en voor Bonifatius VIII was geleid, besefte hij ten volle dat hij nooit naar zijn grot zou kunnen terugkeren; het enige wat hij aan zijn opvolger zei was dat die binnengeslopen was als een vos, zou regeren als een leeuw en zou sterven als een hond - voorwaar profetische woorden... Bonifatius VIII sloot hem tenslotte op in de toren van het Castel Fumone ten oosten van Ferentino, waar de afgetreden paus de laatste maanden van zijn leven als een kluizenaar doorbracht.

Na zijn verkiezing trok Bonifatius de meeste privileges die Caelestinus V had verleend, weer in en ontsloeg verschillende Curie-ambtenaren die door Karel II van Napels en Sicili aan Caelestinus V waren opgedrongen. Hij verplaatste het pauselijk hof van Napels naar Rome waar hij op 23 januari 1295 tot bisschop van Rome werd gewijd en gekroond. Als naam koos hij Bonifatius VIII (in 974 was er een tegenpaus geweest met de naam Bonifatius VII en in 984-985 was er nog een tegenpaus met die naam, maar er is geen officieel erkende paus Bonifatius VII geweest). Hij was een man die buitengewoon opvliegend was en iemand die uit was op het verwerven van rijkdom en macht voor zichzelf en zijn familie.

Bonifatius leverde een grote bijdrage op het terrein van het canoniek recht met de publicatie van het Liber sextus in 1298; dit boek was een aanvulling van de vijf boeken over canoniek recht die paus Gregorius IX in 1234 had laten publiceren en een voorloper van het Wetboek van Canoniek Recht uit 1917. Ook voerde hij een reorganisatie door van de Curie en de Vaticaanse archieven en catalogiseerde hij de pauselijke bibliotheek. Om de spanningen tussen de bedelorden (minderbroeders en dominicanen) en de diocesane geestelijkheid te verminderen, beknotte hij het recht van de bedelorden om te preken en biecht te horen; daartoe vaardigde hij in 1300 de bul Super cathedram uit. In 1303 stichtte hij in Rome een universiteit: de Sapienza. Anderzijds werden zoveel beelden van hemzelf gemaakt (in zijn opdracht of met zijn toelating) dat hij ervan werd beschuldigd een personencultus na te streven.

Het grootste deel van het pontificaat van Bonifatius VIII werd evenwel in beslag genomen door politiek. Hij probeerde Karel II van Napels (een lid van het huis van Anjou) opnieuw op de troon te brengen van Sicili (waar de macht kort tevoren door opstandelingen was veroverd, waarna Sicili overgegaan was in de macht van het huis van Aragn), maar hij slaagde niet in zijn opzet. Zijn inspanningen om te bemiddelen in een geschil tussen Veneti en Napels, zijn inspanningen om de afscheuring van Schotland van Engeland te verdedigen en zijn inspanningen om de Hongaarse kroon te reserveren voor de kleinzoon van Karel II van Napels haalden niets uit. Zijn pogingen een einde te maken aan de vijandelijkheden tussen Frankrijk en Engeland leidden tot een ernstig conflict tussen hem en Filips IV (Filips de Schone) van Frankrijk. Engeland en Frankrijk financierden hun oorlog door aan hun geestelijkheid belastingen op te leggen, wat volgens het canoniek recht verboden was zonder toestemming van de paus (Vierde Lateraans Concilie, 1215).

In een poging om een einde te maken aan deze praktijk, gaf Bonifatius VIII op 25 februari 1296 n van de beroemdste pauselijke bullen uit, Clericis laicos, die begon met de bewering dat de leken de geestelijken vijandig gezind zijn. Omdat Filips de Schone wist dat de paus afhankelijk was van inkomsten uit Frankrijk, nam hij wraak door de uitvoer van goud, verhandelbare munten en andere waardevolle voorwerpen te verbieden en door buitenlandse handelaars uit te wijzen. Daarop bond de paus in en gaf hij de koning in 1297 toestemming om belastingen op te leggen aan de geestelijkheid als dit noodzakelijk was en zonder dat de Heilige Stoel voorafgaandelijk geraadpleegd werd. In een poging om de vrede (die eigenlijk neerkwam op een capitulatie) duurzaam te maken, stemde de paus in met de heiligverklaring van Lodewijk IX (1270), de grootvader van Filips de Schone.

Ondertussen had de paus problemen op het thuisfront: de Colonna, die de verkiezing van Bonifatius hadden gesteund, waren zijn sterkste critici geworden. De Colonna stoorden zich aan zijn eigenmachtige, autocratische stijl van regeren en verzetten zich tegen zijn inmenging in de Siciliaanse politiek. Nu stelden ze ook de geldigheid van het aftreden van Caelestinus V ter discussie en daarmee ook de verkiezing van Bonifatius als zijn opvolger. Toen een familielid van de Colonna in 1297 een konvooi kaapte dat ongemunte edelmetalen voor de paus vervoerde, gaf Bonifatius aan twee Colonna-kardinalen bevel om drie strategisch gelegen familiekastelen aan hem over te dragen. Toen ze dat weigerden en verklaarden dat Bonifatius zich de pauselijke troon op illegale wijze had toegeigend door de onwettige troonsafstand van Caelestinus V, zette Bonifatius de twee kardinalen af en sloeg hen in de ban, waarop zij hun toevlucht zochten aan het hof van Filips IV van Frankrijk.

Bonifatius riep het jaar 1300 uit tot jubeljaar (het eerste Heilig Jaar!) en verleende volle aflaten (kwijtschelding van alle tijdelijke straffen in het vagevuur) aan de tienduizenden pelgrims die naar Rome kwamen om er de graven van de apostelen te bezoeken. Op de Ponte SantAngelo regelde hij de stroom van voetgangers door n kant van de brug voor te behouden aan degenen die naar Sint-Pieter trokken en de andere kant van de brug aan degenen die terugkeerden naar de linkeroever (een maatregel die indruk maakte op Dante: in zijn Divina Commedia maakt die er melding van in Canto XVIII). Bij sommige gelegenheden ter ere van het Heilig Jaar tooide Bonifatius zich met keizerlijke eretekens, waardoor hij te kennen gaf dat hij zowel keizer als paus was.

In de herfst van 1301 laaide het conflict met Filips IV opnieuw op. De koning had de irritante bisschop van Pamiers gevangengezet en aan de paus gevraagd hem terug te zetten in de lekenstand. Bonifatius VIII beoordeelde de daad van de koning als een inbreuk op zijn (Bonifatius) geestelijk gezag. Zonder de zaak verder te onderzoeken veroordeelde de paus de handelwijze van de koning, ontnam de Franse kerk bepaalde privileges en ontbood de leiders van die kerk naar Rome om daar in november 1302 een synode te houden. Negenendertig bisschoppen gehoorzaamden, ondanks het verbod van de koning op deelname. Aan het einde van de synode gaf Bonifatius op 18 november 1302 zijn tweede beroemde bul uit, Unam sanctam. Daarin worden onder meer volgende uitspraken gedaan:

1. Buiten deze (katholieke) kerk is er geen heil en geen vergeving van zonden.

2. Deze ene en enige kerk heeft maar n lichaam en n hoofd (en niet twee hoofden, zoals een monster), namelijk Christus; de plaatsbekleder van Christus is Petrus en de opvolgers van Petrus zijn de pausen.

3. Deze kerk bezit twee zwaarden, het geestelijke en het tijdelijke... Beide zijn in de handen van de kerk, zowel het geestelijke als het tijdelijke. Het laatstgenoemde zwaard wordt gebruikt vr de kerk, het eerstgenoemde dr de kerk; het eerstgenoemde wordt gebruikt door de priesters, het laatstgenoemde door koningen en krijgslieden, maar slechts zolang de priester het wil en toelaat. Het tijdelijke zwaard moet daarom onderworpen zijn aan het geestelijke, want de tijdelijke macht moet buigen voor de geestelijke.

4. Als de wereldlijke macht dwaalt, zal ze worden geoordeeld door de geestelijke macht. Maar als de hoogste macht dwaalt, kan die alleen door God en niet door mensen worden geoordeeld.

5. Het is noodzakelijk voor elk menselijk wezen om onderdanig te zijn aan de opperpriester van Rome.

Filips IV antwoordde met een venijnige persoonlijke aanval op de paus, waarbij hij putte uit materiaal dat door de Colonna was aangeleverd. De beschuldigingen hadden betrekking op de onwettige manier waarop hij zijn ambt had verkregen, op seksueel wangedrag, op godslastering, op simonie en op ketterij. Filips riep op tot een concilie om Bonifatius VIII af te zetten.

Nadat Bonifatius een bul had voorbereid om de koning in de ban te slaan, verhuisde de paus van Rome naar het pauselijk paleis in Anagni om daar de bul af te kondigen. Het paleis werd echter bestormd door een zestienhonderd man sterke troep huurlingen onder leiding van de Colonna en Guillaume de Nogaret (zoon van een Albigens die door toedoen van een voorganger van Bonifatius VIII op de brandstapel was gestorven; hij was door Filips uitgestuurd om de paus een lesje te leren). Toen de paus weigerde af te treden ("hier is mijn nek, hier is mijn hoofd; ik zal sterven, maar ik zal als paus sterven", Maurice Druon, Les rois maudits), kreeg hij een slag in het gezicht van n van de Colonna en werd hij, gekleed in zijn pontificale gewaden, gevangengenomen.

Zijn overweldigers waren van plan hem naar Frankrijk over te brengen opdat Bonifatius daar door een concilie zou worden beoordeeld, maar de burgers van Anagni (Bonifatius geboortestad) en het omliggende platteland bevrijdden hem na drie dagen en verdreven zijn overweldigers. Na een periode van rust om van zijn beproeving te bekomen, keerde Bonifatius VIII op 25 september 1303 onder de bescherming van de Orsini naar Rome terug, maar op 12 oktober (minder dan drie weken later) stierf hij daar als een gebroken man. Hij werd in de crypte van Sint-Pieter begraven. In 1605 werd zijn graf voor onderzoek geopend; bij die gelegenheid werd zijn lichaam ongeschonden aangetroffen.

Terug naar het keuzemenu van de pausen