Terug naar de inhoudsopgaaf

POMPEI, HERCULANEUM EN OPLONTIS

3. DE HERONTDEKKING VAN POMPEI EN HERCULANEUM

In 1709 werd Herculaneum bij toeval opnieuw ontdekt toen arbeiders die een put groeven, op het toneel van het antieke theater stootten. Ze brachten blokken fraai bewerkt marmer en Griekse en Romeinse standbeelden boven en daarmee was het startsein gegeven van een dolle schatgraverij. Er werden meer schachten geboord (cuniculi = konijnenpijpen) van 12 m diep tot op het straatniveau van het antieke Herculaneum. In de loop van de eeuw die daarop volgde, werd een ware mijn van meesterwerken van klassieke kunst ontgonnen die op alles invloed zou uitoefenen: zowel op kledingontwerpen als op meubelontwerpen als op de architectuur...

Maar die "opgravers" van het eerste uur richtten ook een niet te becijferen en vooral niet te herstellen schade aan. Deze plunderaars ondermijnden gebouwen, hakten zich een weg doorheen muren, beschadigden fresco's en mozaïeken, waarbij ze alles opzij gooiden of moedwillig stuksloegen wat niet onmiddellijk in geld was om te zetten. Maar de tefra die Herculaneum bedekte, was moeilijk met handgereedschap te overwinnen. In 1765 werden de opgravingen daar verlaten ten voordele van het inmiddels ook ontdekte Pompei waar de losse as en puimstenen die de stad bedekten, veel gemakkelijker konden verwijderd worden.

Verrassend in deze geschiedenis is wel dat men Herculaneum, waar de opgravingen met ongehoorde moeilijkheden gepaard gingen - en nog steeds gaan - eerst ontdekte terwijl Pompei, dat maar onder een laag van 3,5 à 6 m as en puimsteen lag, nog vele jaren verborgen bleef. En dit is des te eigenaardiger omdat reeds in 1592 (bij het graven van een ondergronds kanaal om water van de Sarno naar Torre del Greco te leiden doorheen de heuvel van Cività - zo heette toen de plaats waar ooit Pompei stond!) verscheidene merkwaardige ontdekkingen waren gedaan door architect Domenico Fontana; maar om een of andere duistere reden liet men de zaak zo... Pas in 1748 begint men ook in Pompei te graven en op 16 augustus 1763 kan men, dankzij een inscriptie, de plaats definitief identificeren als Pompei.

Door de ontdekking van de belangrijke Villa dei Papiri nabij Herculaneum, waar naast talrijke schitterende beelden ook de bibliotheek van de epicuristische wijsgeer Philodèmos van Gadara werd gevonden (nu in het Museo Nazionale di Napoli), ging de belangstelling weer tijdelijk naar Herculaneum. Toch wordt er sinds het jaar 1754 onophoudelijk in Pompei gegraven.

Oorspronkelijk gebeurden deze opgravingen in de grootste geheimzinnigheid en ze geleken dan ook meer op roofbouw dan op wetenschappelijk werk. Dit blijkt nog steeds overduidelijk uit menig fresco dat je op de muren aantreft. De emblèmata (schilderijtjes van ongeveer 50 cm bij 50 cm, die in ateliers vervaardigd werden en later in het geheel van de muur werden verwerkt) werden door deze "opgravers" simpelweg uit de muur gehakt en meegenomen om verkocht te worden.

Daarvan getuigen tot op heden talloze onregelmatige gaten die de muren ontsieren. Indien een emblèma de heren "opgravers" niet aanstond, dan sloegen ze met een puntige hamer stukjes uit de schildering die volgens hen toch geen waarde had, zodat vele van die waardevolle mythologische voorstellingen onherroepelijk beschadigd werden.

Pas in 1860 beginnen de wetenschappelijk verantwoorde opgravingen onder de bezielende leiding van Giuseppe Fiorelli, waarbij Pompei wijk na wijk systematisch wordt blootgelegd. In Herculaneum werd het zoeken pas in 1927 ernstig hervat, op een moment dat persluchtboren, elektrisch gereedschap en bulldozers ter beschikking stonden van de archeologen.

Terug naar de inhoudsopgaaf