Terug naar de inhoudsopgaaf

POMPEI, HERCULANEUM EN OPLONTIS

2. DE VESUVIUS WERKT, ANNIS 62 EN 79 / HET OOGGETUIGENVERSLAG VAN PLINIUS

C. HET OOGGETUIGENVERSLAG
Hier volgt het ooggetuigenverslag van deze demonische ramp in twee brieven van Plinius de Jonge, geadresseerd aan de geschiedschrijver Tacitus die hem om dat relaas verzocht had om het te verwerken in de Historiae (de geschiedenis van Rome van 68 tot 96 na Christus). Spijtig genoeg voor ons is het deel van de Historiae waarin Tacitus deze brieven had verwerkt, verloren gegaan...(Plinius Minor, Epistula VI 16).

Plinius groet zijn Tacitus. Je hebt me gevraagd om jou de dood van mijn oom te beschrijven om een nauwkeurig verslag hiervan aan het nageslacht te kunnen overleveren. Ik ben ervan overtuigd dat zijn dood, als die in jouw werk zal beschreven worden, onsterfelijk zal worden.
Ofschoon mijn oom samen met hele steden en ontelbare mensen is omgekomen bij de ramp die deze prachtige streek geteisterd heeft - zodat deze gedenkwaardige gebeurtenis alleen al hem onsterfelijkheid verleent - en hoewel hij zelf talrijke werken heeft geschreven die blijvende waarde hebben, toch weet ik dat de herinnering aan zijn dood vooral levendig zal blijven doordat jij hem in je onsterfelijk werk vermeldt.
Wat mij betreft, ik acht mensen gelukkig aan wie de goden de gave hebben geschonken om daden te stellen die verdienen beschreven te worden, om boeken te schrijven die verdienen gelezen te worden; maar boven alles acht ik diegenen gelukkig die beide gaven bezitten. En volgens mij behoort mijn oom tot deze laatste categorie, dankzij zijn eigen boeken en dankzij de jouwe. Ik neem dus graag de taak op mij, die jij me oplegt.
Mijn oom bevond zich in Misenum en voerde persoonlijk het commando over de vloot. Op 24 augustus omstreeks een uur 's middags liet mijn moeder hem weten dat er een ongewone en merkwaardige wolk te zien was. Mijn oom had gezonnebaad, daarna een koud bad genomen en na wat te hebben gegeten, lag hij wat te werken. Hij liet zijn schoeisel aandoen en begaf zich naar een plaats vanwaar men dit wonder het best kon aanschouwen.
Een dikke wolk steeg op; uit de verte kon je niet zien uit welke berg; later wist men dat het uit de Vesuvius was. Deze wolk had de vorm van een parasolpijnboom. Uitgestrekt als een lange stam splitste ze zich op in takken. Ik vermoed dat ze werd voortgestuwd door een luchtstroom en dat, toen deze verzwakte, de wolk zich oploste, nu eens wit, dan weer grijs gevlekt, naargelang samenstelling.
Mijn oom meende dat het hier een belangrijk verschijnsel betrof, dat nadere studie verdiende - een normale opvatting voor een geleerde. Hij liet een licht schip reisklaar maken en vroeg of ik zin had om mee te varen. Ik antwoordde dat ik liever bleef werken aan het onderwerp dat hij me had opgegeven.
Hij kwam net het huis uit toen hij bericht kreeg van Rectina, de vrouw van Cascus; ze was bang voor het gevaar dat haar bedreigde: haar villa lag namelijk aan de voet van de vulkaan en ze kon slechts over zee vluchten. Ze smeekte hem haar te redden. Mijn oom wijzigde zijn plan en wat hij begonnen was uit liefde voor de wetenschap, voltooide hij uit een zeer verheven plichtsgevoel. Hij liet grotere schepen zee kiezen en scheepte zelf in, vastbesloten niet alleen Rectina maar ook vele anderen te redden.
Hij haastte zich naar de streek vanwaar de anderen vluchtten en stuurde recht op het gevaar af, zo kalm dat hij in staat was zijn waarnemingen van deze ramp in alle fasen te dicteren of zelf op te schrijven.
Reeds viel er as op de schepen, en naarmate ze dichterbij kwamen, werd die warmer. Reeds zag men puimstenen, zwart geblakerde en door het vuur uiteengespatte rotsen, reeds was er een zandbank ontstaan en verhinderden naar beneden gestorte stenen de landing. Mijn oom aarzelde een ogenblik. Zou hij terugkeren? Tot zijn stuurman die hem deze raad gaf, zei hij: "Het geluk is met de durvers; wend de steven naar Pomponianus!"
Pomponianus verbleef in Stabiae, zodat de helft van de golf hen scheidde. Op die plaats had Pomponianus, met het oog op het wel nog niet aanwezige maar toch dreigende gevaar, zijn bagage op schepen laten laden, vastbesloten te vluchten zodra de tegenwind zou zijn gaan liggen. Deze voor mijn oom zeer gunstige wind voerde hem naar zijn vriend die beefde als een riet. Mijn oom troostte hem, sprak hem moed in en poogde hem door zijn eigen kalmte gerust te stellen: hij vroeg hem om hij een bad mocht nemen! Na dat bad ging hij aan tafel, at vrolijk - of deed althans of hij vrolijk was, wat ook van moed getuigt.
Ondertussen stegen op meerdere plaatsen enorme vlammen en grote vuurzuilen omhoog uit de Vesuvius, die scherp tegen de duisternis van de nacht afstaken. Desondanks verzekerde mijn oom (om de angst te bedaren) dat het vuren waren die boeren inderhaast in de steek hadden gelaten, of leegstaande brandende villa's. Toen ging hij slapen, en hij sliep ook echt: wie langs zijn deur liep, hoorde zijn ademhaling, die ten gevolge van zijn zwaarlijvigheid nogal zwaar en luid was.
Maar de binnenplaats vanwaar men zijn kamer kon bereiken, lag al vol as, vermengd met puimsteen, en wel zo hoog dat mijn oom, als hij nog langer in zijn kamer bleef, er niet meer uit zou kunnen. Hij werd wakker gemaakt, stond op en voegde zich bij Pomponianus en de anderen, die de hele nacht waren opgebleven. Ze beraadslaagden of men in huis zou blijven dan wel buiten zou gaan. De huizen wankelden namelijk op hun grondvesten door talrijke zware aardschokken; daverend schenen ze nu eens naar deze kant, dan weer naar de andere kant over te hellen. Anderzijds was men buitenshuis bevreesd voor neervallende puimstenen, hoewel die licht en poreus zijn. Na de gevaren tegen elkaar te hebben afgewogen besloot men het huis te verlaten: mijn oom deed dat omdat dit het verstandigst was, de anderen omdat ze daarvoor het minst bang waren. Ze bonden kussens op hun hoofd om zich te beschermen tegen het neervallend gesteente.
Overal was het dag geworden, maar hier was het nacht, donkerder dan alle andere nachten, en toch op vele plaatsen verhelderd door rossige schijnsels en diverse lichten. Men besloot zich naar de kust te begeven om van nabij te zien of het mogelijk was zee te kiezen; ook nu bleef deze echter woest en blies de wind landinwaarts.
Liggend op een uitgespreid laken vroeg mijn oom daar enkele malen om fris water en dronk er gretig van. Daarna joegen vlammen en zwavelgeur zijn metgezellen op de vlucht en maakten hem wakker. Ik vermoed dat de zware rook zijn ademhaling belemmerde en zijn strottenhoofd afsloot, dat bij hem van nature al gevoelig en vernauwd was.
Toen het weer dag werd - de derde na degene die voor hem de laatste was geweest - vond men zijn lichaam, ongeschonden, in de kleren die hij gedragen had bij zijn vertrek. Zijn houding leek meer op die van iemand die sliep dan van een dode...
In Misenum waren ondertussen mijn moeder en ik... Maar dat heeft niets te maken met dit verhaal en je wou niets anders weten dan hoe mijn oom aan zijn einde gekomen is. Ik eindig hier dus. Ik wil er alleen nog aan toevoegen dat ik je alles heb verteld wat ik zelf heb meegemaakt, en alles waarvan mij rechtstreeks verslag is uitgebracht op een ogenblik dat de gebeurtenissen nog fris in het geheugen lagen. Je mag uit deze brief putten zoals je verkiest: een brief schrijven is immers iets anders dan een bladzijde geschiedenis schrijven. Stel het goed.
 

Plinius Minor, Epistula VI 20

Plinius groet zijn Tacitus. Je schrijft dat de brief, waarin ik op jouw aandringen heb verteld hoe mijn oom gestorven is, voor jou aanleiding is geweest om te willen vernemen wat voor angsten en gevaren ik zelf heb doorstaan, ik, die hij in Misenum had achtergelaten. Tot zover was ik inderdaad gekomen toen ik mezelf onderbrak. "Hoewel mijn ziel huivert bij de herinnering ..., zal ik beginnen."
Na het vertrek van mijn oom bracht ik de rest van de tijd door met werken met die bedoeling was ik ook thuis gebleven. Daarna baden, eten en een korte, onrustige slaap. Reeds vele dagen hadden wij, als voortekens van wat komen zou, aardschokken gevoeld, die niet zo angstaanjagend waren omdat men er in Campanië aan gewoon is. Maar die nacht waren ze zo krachtig dat het leek alsof alles niet meer trilde maar ondersteboven werd geworpen. Mijn moeder kwam mijn kamer binnen gerend; zelf was ik bezig op te staan, vastbesloten haar te wekken als ze nog zou slapen.
We gingen op het terras van het huis zitten, een smalle ruimte die uitkeek over de zee. Ik aarzel om te spreken over mijn overmoed en onvoorzichtigheid - ik was dan ook pas zeventien! Ik liet een boek van Livius halen en begon te lezen, ja, zelfs samenvattingen te maken, iets waarmee ik al eerder begonnen was, alsof ik niets anders te doen had...
Er kwam een vriend van mijn oom, die zopas uit Spanje was teruggekeerd om hem te bezoeken. Toen hij me daar met mijn moeder zag zitten en merkte dat ik aan het lezen was, verweet hij mij mijn zorgeloosheid en mijn moeder haar passieve houding; ik bleef echter geheel verdiept in mijn lectuur.
Reeds was het eerste uur van de dag aangebroken en het licht was nog vaag en vaal. De muren van de gebouwen begonnen te scheuren en hoewel we in de open lucht waren, deed de beperktheid van de ruimte ons vrezen voor grote en onontkoombare gevaren bij een instorting. Pas toen besloten we de stad te verlaten; een diep geschokte menigte mensen volgde ons. Ze volgde liever anderen dan zelf een beslissing te nemen - in angst staat dat inderdaad gelijk met voorzichtigheid! Een reusachtige stoet duwde en drong ons vooruit.
Toen we eenmaal de stad achter ons hadden, hielden we halt en daar kregen we heel wat verrassingen, heel wat verschrikkingen te verduren. De wagens die we meegenomen hadden, werden namelijk in alle richtingen voortbewogen hoewel het terrein volkomen vlak was. Zelfs toen ze met stenen waren vastgezet, bleven ze niet op hun plaats. Bovendien zagen we dat de zee zich terugtrok alsof ze door aardschokken werd teruggeduwd. Het strand was breder geworden en op het droge zand lagen allerlei zeedieren. Aan de overkant scheurde een angstaanjagende, rode wolk open, die voortdurend oplichtte door bliksemschichten en glinsterende vonken; ze vormde langgerekte tongen van vuur die op bliksemstralen leken maar groter waren.
Toen begon de vriend uit Spanje sterker aan te dringen. "Als jouw broer, als jouw oom nog leeft", zei hij, "zal hij zeker willen dat jullie leven gered wordt. Als hij omgekomen is, dan zou het ongetwijfeld zijn wens zijn geweest dat jullie hem zouden overleven. Waarom aarzelen jullie toch om te vluchten?" Wij antwoordden dat we ons niet om onszelf konden bekommeren zolang we niets van hem afwisten. Zonder nog langer te talmen rende hij weg en ontsnapte aan het gevaar.
Kort daarop daalde die rode wolk op aarde neer en bedekte de zee; ze had Capri omhuld en aan onze blikken onttrokken en versluierde kaap Misenum. Toen begon mijn moeder me te smeken, me aan te sporen, me te bevelen zo snel mogelijk te vluchten: voor mij, die jong was, was dit nog mogelijk; zij kon dat niet meer vanwege haar leeftijd en haar omvang, maar ze zou tevreden sterven als ze niet de oorzaak van mijn dood was geweest. Ik antwoordde daarop dat ik slechts mét haar wilde vluchten. Ik nam haar bij de hand en dwong haar wat vlugger te lopen. Met tegenzin gehoorzaamde ze en verweet zich dat ik om harentwille mijn pas moest inhouden.
Op dat ogenblik viel er al as, al was het dan niet in grote hoeveelheden. Ik keerde me om; een dikke, zwarte nevel kwam op ons af en volgde ons als was het een zich over de grond verspreidende stroom. "Laten we van de weg gaan," zei ik, "zolang we nog iets kunnen zien om niet onder de voet gelopen te worden in de duisternis door die vluchtende mensenzee!"
Nauwelijks hadden we ons naast de weg neergezet of het werd nacht, niet op de manier van een maanloze nacht bij veel bewolking, maar zoals wanneer men in een afgesloten ruimte zit zonder enig licht. We hoorden gekerm van vrouwen, geschrei van zuigelingen, getier van mannen; sommigen zochten roepend hun vader en moeder, anderen hun kinderen, weer anderen hun echtgenoten van wie ze de stem trachtten te herkennen. Sommigen bejammerden hun eigen ongeluk, anderen dat van hun familieleden. Er waren er die, uit vrees voor de dood, de dood aanriepen. Velen hieven hun handen in gebed tot de goden, terwijl meer dan een verklaarde dat er geen goden meer waren, dat deze eeuwigdurende nacht de laatste zou zijn.
Het ontbrak evenmin aan mensen die de bestaande gevaren nog groter maakten door onware geruchten te verspreiden. Er kwamen mensen die vertelden dat een bepaald gebouw in Misenum was ingestort, dat een ander gebouw in brand stond. Het was wel niet waar maar er waren er maar al te veel die het gretig geloofden en doorvertelden...
Er verscheen een flauw lichtschijnsel en we meenden dat het niet het daglicht maar het naderend vuur was. Als het inderdaad het vuur was, kwam het niet ver; opnieuw duisternis, opnieuw as, ditmaal in grote hoeveelheden. We moesten af en toe opstaan om de as van ons af te schudden, anders had ze ons bedolven en wellicht verpletterd onder het gewicht. Ik zou er mij op kunnen beroemen niet een jammerklacht, niet een van lafheid getuigend woord te hebben geuit in die gevaarvolle uren; de gedachte dat ik met alles en alles met mij tenietging, schonk me een zekere, zij het dan bittere troost.
Eindelijk klaarde de zwarte mist op; weldra scheen het echte daglicht, de zon, die echter loodkleurig was, zoals bij een zonsverduistering. Alles zag er voor onze bange ogen geheel nieuw uit onder een dikke laag as alsof overal sneeuw lag.
Na onze terugkeer in Misenum trachtten we zo goed en zo kwaad als het ging weer op krachten te komen en we brachten een onrustige nacht door, geslingerd tussen hoop en vrees. De vrees kreeg de bovenhand. Inderdaad, de aarde bleef beven en de meesten, wier geest nog verward was door vreselijke voorspellingen, spotten met hun eigen rampspoed en die van anderen. Maar zelfs op dat ogenblik wilden we niet vertrekken alvorens we nieuws hadden van mijn oom, hoewel we uit ervaring het gevaar kenden en eigenlijk verwachtten dat het zou terugkeren.
Zo hebben deze gebeurtenissen zich afgespeeld, gebeurtenissen die evenwel geen enkele historische betekenis hebben. Je zult ze gelezen hebben zonder ze in je werk te willen vermelden; je kunt het alleen jezelf verwijten - je hebt er mij immers om gevraagd - als ze zelfs geen brief waardig zijn. Stel het goed.

Terug naar de inhoudsopgaaf