Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

17. MODERNISERING VAN MIDDELEEUWSE GEBOUWEN IN DE 17de EN 18de EEUW

Aan het systematisch slopen van de overblijfselen van het oude Rome komt een einde na de zestiende eeuw; van dan af hebben de antieke monumenten nog maar sporadisch te lijden. De periode die daarop volgt, de zeventiende en achttiende eeuw, voegt echter een nieuwe vorm van vandalisme toe aan de reeds hoger beschreven vormen.

Zeer veel middeleeuwse gebouwen werden in die tijd aangepast aan de heersende smaak. Kerken die tot dan toe hun basilica-karakter perfect behouden hadden, werden "gemoderniseerd". De oude kerk van San Alessio op de Aventijn wordt in 1750 in een nieuw kleedje gestoken... Het resultaat is een ware verschrikking. San Apollinare, Santi Apostoli, Santi Cosma e Damiano, Santa Croce in Gerusalemme, al die kerken zijn het slachtoffer geworden van architecten die de smaak van de tijd moesten of wilden doorvoeren in middeleeuwse gebouwen. De zuilen waarop een kerk rustte, werden ingemetseld en verborgen in dikke pilaren, die vervolgens met plaaster werden bestreken. De marmeren tabletten van de cosmatenvloeren werden uitgebroken en vervangen door bakstenen vloeren. Vensters werden buiten alle proporties vergroot opdat veel licht de kerk zou kunnen binnenvallen. De zolderingen, gemaakt van cederhout, werden vervangen door rijk overladen en rijkelijk beschilderde zolderingen. De kostbare fresco's van de veertiende eeuw werden overkalkt en vervangen door (soms minderwaardige) fresco's, die meer aan de smaak van de tijd beantwoordden.

Toch zijn uit die periode nog enkele gevallen van afbraak van antieke monumenten bekend. Zo liet Paulus V (1605-1621) in 1610 de thermen van Constantijn en vier kerken afbreken, om plaats te maken voor een paleis voor een familielid van hem, Scipio Borghese: het Palazzo Rospigliosi. Hij was het ook die de tempel van Minerva op het Forum Transitorium in 1606 met de grond liet gelijk maken (enkele fragmenten zijn nu opnieuw opgericht). De zuilen en de fries werden gebruikt voor de versiering van de Borghese-kapel in Santa Maria Maggiore en voor de versiering van fontein van de Acqua Paola op de Janiculumheuvel.

In 1632 richtte Urbanus VIII (1623-1644) grote vernielingen aan in de bibliotheek van het Forum Pacis en in de tempel van de Penaten, die verenigd waren in de kerk van Santi Cosma e Damiano: hij verhoogde het niveau van beide gebouwen en verkocht de stenen die daarbij overtollig werden aan de jezuïeten, die ze gebruikten in de bouw van hun kerk van San Ignazio. De bronzen deuren van de tempel van de Penaten werden bij die gelegenheid uit hun hengsels gewrikt en daarna wel teruggeplaatst, maar ze waren met geen macht meer open te krijgen. Ook het mausoleum van keizer Hadrianus (117-138) en enkele oudere kerken takelden onder het pontificaat van deze Urbanus VIII verder af. Zijn belangrijkste vernielingswerk betreft wel de bronzen dakpannen van de narthex van het Pantheon; het gewicht weggenomen metaal bedroeg 180.000 kg... Eerst werden er kanonnen mee gegoten, die vervolgens, toen ze dienst hadden gedaan, werden omgesmolten tot het imposante baldakijn boven het altaar van de nieuwe Sint-Pieter.

Deze daden gaven aanleiding tot een pasquinade, een kort, scherp hekelend gedicht. Urbanus VIII behoorde tot de familie van de Barberini en volgend gevleugeld woord deed in Rome de ronde: Quod non fecerunt barbari, fecerunt Barberini (wat de barbaren niet hebben <kapot> gemaakt, hebben de Barberini <kapot> gemaakt). Paus Alexander VII (1655-1667) liet in 1662 een triomfboog over de Via del Corso afbreken. Twee bas-reliëfs verhuisden naar het Palazzo dei Conservatori, twee zuilen in "verde antico" werden gekocht door de familie Pamphili en opgesteld bij hun altaar in de kerk van Santa Agnese in Agone op de Piazza Navona. Twee andere, soortgelijke zuilen kwamen terecht in de Corsini-kapel in San Giovanni in Laterano.

Terug naar de inhoudsopgaaf