Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

16. DE MONUMENTEN IN DE 16de EEUW, NA DE SACCO DI ROMA

Hoger werd reeds aangestipt dat de gemeentelijke overheid van Rome (de Conservatori) geen actief aandeel had in de afbraak van de antieke monumenten, wel integendeel. Ze spande zich terdege in om, waar mogelijk, antieke monumenten voor afbraak te behoeden. Zo werd de kerk van Santa Martina door de Conservatori zonder enige vergoeding beroofd van vier schitterende bas-reliëfs, waarvan drie afkomstig waren van een monument ter ere van keizer Marcus Aurelius (161-180) en een van een monument ter ere van keizer Hadrianus (117-138). Deze bas reliëfs werden opgehangen op de overloop van het Palazzo dei Conservatori.

Nadat de Conservatori in 1538 met veel miserie de som van 320 scudi aan boeten hadden geïnd van veroordeelde bedriegers, besloten ze dat een deel van die som moest besteed worden "aan het oprichten van het ruiterstandbeeld van Marcus Antonius" en een ander deel van die som "aan de wederaanleg van de Piazza del Campidoglio naar een tekening van Michelangelo". Zo staat te lezen in de notulen van hun vergadering. Het ruiterstandbeeld in kwestie was dat van Marcus Aurelius (161-180) dat toen op het Capitoolplein moest worden geplaatst; in de Middeleeuwen had het altijd nabij San Giovanni in Laterano gestaan. Dat het ruiterstandbeeld van een heidense keizer bewaard bleef, is te wijten aan de in de Middeleeuwen heersende misvatting dat het een standbeeld was van keizer Constantijn, de eerste christelijke keizer (306-337).

De belangstelling van de Conservatori voor het redden van antieke beelden kan nog geïllustreerd worden door volgende twee voorvallen. Toen Pius IV (1560-1565) in 1561 er bij de gemeentelijke overheid op aandrong om de Pons Aemilius (thans Ponte Rotto), weggespoeld door de overstroming van 1557, voorlopig te herstellen met hout, aarzelde de gemeenteraad daarop in te gaan, totdat kardinaal Rufino garandeerde "de som van 2.000 scudi aan de gemeente te betalen indien de onderneming niet lukte". De onderneming mislukte inderdaad en de gemeente drong aan bij kardinaal Rufino op betaling van de 2.000 scudi. Nadat kardinaal Rufino 640 scudi had betaald, vroeg hij de Conservatori of ze, in plaats van de betaling van de resterende som van 1360 scudi, bereid waren twee mooie antieke beelden te aanvaarden, ter versiering van de nieuwe palazzi naast het Capitoolplein. Dat voorstel werd aanvaard en twee beelden (een van Julius Caesar, en een van een Romeins admiraal, afkomstig van het Forum Iulium) werden in het Palazzo dei Conservatori geplaatst.

Paus Gregorius XIII (1572-1585) vroeg met aandrang het herstel van de Pons Aemilius. Op 15 oktober aanvaardden de Conservatori een voorstel van hun voorzitter om daartoe gebruik te maken van travertijnblokken van het Colosseum. Het raadsbesluit was in de volgende, nauwkeurige en voorzichtige, bewoordingen gesteld: "Alle steenblokken, nodig voor dit werk, mogen weggenomen worden van de hopen stenen rond het amfitheater, ook Colosseo genoemd, op voorwaarde dat die stenen los zijn van het gebouw en in geen enkel opzicht deel uitmaken van het nog overeind staande deel van het monument. Ook op andere plaatsen die onder toezicht staan van SPQR (Senatus Populusque Romanus, gemeenteraad en bevolking van Rome), mag materiaal worden weggehaald, op dezelfde voorwaarde: alle standbeelden, die eventueel zullen gevonden worden, zullen het eigendom zijn van SPQR".

In het verslag van de gemeenteraad van 17 mei 1580 staat het volgende te lezen: "Het is duidelijk te zien dat de antiquiteiten van Rome elke dag verdwijnen ten gevolge van het zoeken naar marmer en bij dat zoeken gaat men zo roekeloos te werk, dat in het keizerlijk paleis op de Palatijn een van de mooie hallen volledig ondermijnd is, zodat nieuwe funderingen nodig blijken om te beletten dat de hal zou instorten".

Een deputatie van Conservatori werd naar paus Gregorius XIII (1572-1585) gestuurd, met als opdracht hem te vragen alle concessies, toegestaan om marmer te verkrijgen en travertijn te winnen uit de ruïnes van de stad, te herroepen. Het resultaat van dat verzoek kan afgeleid worden uit een pauselijke brief die kort nadien gepubliceerd werd en waarin de concessies om steen te winnen werden uitgebreid tot Ostia...

In december 1584 was er geen geld meer voorhanden om de beelden van Castor en Pollux (hun vindplaats is nooit met zekerheid achterhaald) verder te restaureren. Snel werd in twee districten van de stad het ambt van secretaris gecreëerd (dat ambt moest gekocht worden) en korte tijd later werden de beelden opgesteld waar ze nu nog staan: bovenaan de trap naar het Capitoolplein (Piazza del Campidoglio).

Het was echter vooral met Sixtus V (1585-1590) dat de Conservatori overhoop lagen. Sixtus V liet aan een moordend tempo afbreken om zo voldoende materiaal te bekomen voor zijn plannen ter verfraaiing van Rome. De Conservatori hadden de verkiezing van Sixtus V tot paus met vreugde begroet en hadden een standbeeld voor hem laten oprichten (notulen van de gemeenteraad van 26 november 1585). Vijf jaar later kondigden ze de dood van de kerkvorst aan (volgens de notulen van de gemeenteraad van 27 augustus 1590) met de volgende woorden: Hodie sanctissimus dominus noster, Syxtus Papa Quintus, omnibus congratulantibus et maxima omnium laetitia, diem suum clausit extremum (vandaag heeft onze hoogheilige heer, paus Sixtus V, zijn laatste dag geleefd; daarom juichen allen en is aller vreugde enorm).

Toch moet, om de waarheid geen geweld aan te doen, gezegd worden dat Sixtus V de zuilen van Trajanus en Marcus Aurelius heeft laten restaureren en er de beelden van Petrus en Paulus heeft laten opzetten; dat hij de beelden van Castor en Pollux heeft laten opstellen op de Piazza del Quirinale samen met de obelisk van het mausoleum van Augustus; dat hij nog twee andere obelisken opnieuw heeft laten oprichten en er een heeft laten verplaatsen. Evenmin mogen we uit het oog verliezen dat de Acqua Felice (gebouwd met stenen van de Aqua Claudia en de Aqua Anio Novus) drie heuvels opnieuw bewoonbaar maakte: de Esquilijn, de Quirinalis en de Pincio.

Maar een van zijn grofste daden tegen de ruïnes van het oude Rome was de afbraak van het Septizodium, de drie verdiepingen tellende, aan de goden van de dagen van de week gewijde monumentale inkomhal van het paleis van Septimius Severus (193-211) op de Palatijn. Dit Septizodium was rond 900 al in verval: toen konden nog slechts 163 van de 280 letters van de inscriptie gelezen worden omdat het centrale deel van dit 90 m brede gebouw was ingestort. De kosten van de afbraak werden rijkelijk teruggewonnen door het recupereren van grote hoeveelheden van soms kostbare en zeldzame marmersoorten die voor van alles en nog wat moesten dienen.

Met die stenen heeft Sixtus V volgende werken laten uitvoeren: 33 steenblokken werden gebruikt in de funderingen van de obelisk van de Piazza del Popolo; 104 marmerblokken in de restauratie van de zuil van Marcus Aurelius; 15 marmerblokken in het graf van de paus in de Cappella del Presepio in de Santa Maria Maggiore; nogmaals 15 marmerblokken in het graf van Pius V (1566-1572); de bouw van de noordelijke gevel van San Giovanni in Laterano. Uit de thermen van Diocletianus werden niet minder dan 1.000 kubieke meter bakstenen weggehaald...

Dit pauselijk vandalisme beperkte zich evenwel niet tot antieke monumenten. Met de bedoeling "straatlijnen te tekenen in het plan van Rome, die van kerk tot kerk liepen", liet hij het oude pausenpaleis bij San Giovanni in Laterano (dat "in de weg stond") afbreken ondanks de historische zalen, kapellen, oratoria, loggia's, mozaïeken en inscripties: het was het mooiste monument van middeleeuwse kunst dat ooit bestaan heeft, als we de tijdgenoten van Sixtus V mogen geloven...

De laatste jaren van de zestiende eeuw, onder het pontificaat van Clemens VIII (1592-1605), werd in San Giovanni in Laterano een transept gebouwd, dat naar hem "nave Clementina" werd genoemd. Het materiaal dat hij nodig had om dit werk te verwezenlijken, werd geleverd door: Flaminio Vacca die marmer van de triomfboog van Claudius verkocht; de nonnen van San Silvestro die marmer bezorgden uit de Mithras-tempel; de kanunniken van het Pantheon die marmer van de thermen van Agrippa verkochten; de monniken van Santa Maria sopra Minerva die marmer uit het Isistempelcomplex verkochten; de priesters van Santa Agnese in Agone (Piazza Navona) die stenen bezorgden uit het stadion van Domitianus.

Toen het materiaal in Rome zelf schaarser begon te worden, deden de pausen een beroep op monumenten buiten de stad. Zo lieten ze prospectietochten houden die brons en marmer moesten opleveren uit steden en gemeenten die tot 50 km van Rome verwijderd waren.

Terug naar de inhoudsopgaaf