Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

14. DE BLOEDIGE GESCHIEDENIS VAN DE BORGIA'S: SPAANSE STIEREN IN DE ROMEINSE ARENA

Het devies van Rome zou kunnen luiden: "Van je familie moet je 't hebben." Meer dan enige andere stad in Europa is Rome gevormd door de invloed van grote, machtige families. Palazzi, parken en musea getuigen van roemrijke geslachten als de Orsini, Colonna, Borghese en Della Rovere. Eén familie steekt qua reputatie echter met kop en schouders boven de andere uit: de clan van de Borgia's. Dit van oorsprong Spaanse geslacht wist zich in korte tijd op te werken tot de absolute top van de Kerkelijke Staat. Rond l500 stond het Borgia-wapen op talloze vaandels: het embleem met de vergulde stier. De Borgia's overschreden alle grenzen van hun tijd: in pracht en praal, in wreedheid en machtswellust. Laten we eens kennis maken met de beroemdste telgen uit de Borgia-clan: vader Rodrigo en zijn onwettige kinderen Cesare en Lucrezia.

Toen paus Alexander VI op 18 augustus 1503 op zijn sterfbed lag, was hij niet al te mooi om aan te zien. Corpulent en met een door de malaria rood aangelopen gezicht lag hij zwetend op zijn dood te wachten. Nadat hij zijn laatste adem had uitgeblazen, begon zijn lichaam snel te ontbinden in de zinderende hitte van augustus: "Het gezicht had de kleur van moerbeziën aangenomen en was bedekt met blauw-zwarte vlekken. De neus was opgezwollen, de mond uitgezet doordat de tong was dubbelgeslagen, de lippen schenen het gehele gezicht te vullen. Na vijf uur werd het lichaam naar de kerk van Santa Maria delle Febbre gedragen en in een doodskist in een hoek bij het altaar gelegd. Zes arbeiders maakten godslasterlijke grapjes. De timmerlieden hadden de kist te klein gemaakt; dus legden zij de mijter van de paus aan zijn zijde, rolden zijn lichaam in een oud vloerkleed en duwden en wrikten zolang tot het in de kist zat. Er brandden geen toortsen; geen priester of wie dan ook hield bij het lichaam de wake."

Het roemloze einde van paus Alexander VI stond in schril contrast met de macht en de persoonlijke uitstraling die hem in betere tijden hadden gekenmerkt. In zijn jeugd werd Rodrigo Borgia - zoals hij eigenlijk heette - algemeen beschouwd als een bijzondere man: "Hij is goed gebouwd en goed van de tongriem gesneden. Zijn aantrekkingskracht op mooie vrouwen en de manier waarop hij hen prikkelt - en waarop zij verliefd op hem raken - is zeer opmerkelijk. Hij trekt hen aan met meer kracht dan een magneet ijzer aantrekt." Van zijn ouders had hij de typische uiterlijke kenmerken van de Borgia's geërfd: een gewelfd voorhoofd, een haviksneus, zware kaken, iets uitstekende tanden en een terugwijkende kin. Niet echt knap, maar wel karakteristiek.

Van jongs af aan was Rodrigo voorbestemd voor een hoge maatschappelijke positie. Hij was de beschermeling van zijn machtige oom Alonso Borgia, die het in 1455 tot paus had geschopt onder de naam Calixtus III. Oom Alonso was voor de jonge Rodrigo een monumentale figuur: vanuit het niets had hij een enorme machtspositie opgebouwd.

Geboren als zoon van een lagere edelman uit de buurt van Valencia wist hij zich door sluwheid en tomeloze inzet eerst op te werken tot secretaris van de Spaanse koning Alfonso V, vervolgens tot bisschop en kardinaal, en uiteindelijk tot paus. Toch had Rodrigo - ondanks de steun van zijn machtige oom - geen gemakkelijk leven. Rome was in de vijftiende eeuw voor een Spanjaard een zeer onaangename omgeving. Spanjaarden werden door de meeste Romeinen gezien als halve beesten: grof, hebzuchtig en bloeddorstig. De naamsverandering van het Spaanse Borja in het meer Italiaans klinkende Borgia hielp maar een beetje; het werd Rodrigo zeer kwalijk genomen dat hij thuis Spaans sprak en Spaanse gerechten at.
 

* Als twee honden vechten...

Rodrigo wist zich echter staande te houden. Hij studeerde kerkelijk recht aan de universiteit van Bologna en werkte zich met hulp van zijn oom op tot kardinaal. Geduldig bouwde hij jaar na jaar zijn machtsbasis uit, tot hij uiteindelijk in 1492 - op 61-jarige leeftijd - zijn kans schoon zag. De machtigste adellijke families van Rome - de Orsini en de Colonna - stonden lijnrecht tegenover elkaar in een van hun vele, eindeloze vetes. Beide partijen - vele honderden edellieden sterk - hadden zich diep ingegraven in hun stellingen in en om Rome. Toen precies op dat moment de paus overleed en een opvolger gekozen moest worden, deed zich een probleem voor. Vrijwel elke kandidaat was op een of andere wijze verbonden met de Orsini of de Colonna. Oorlog was alleen te vermijden door de aanstelling van een neutrale paus, iemand uit Spanje bijvoorbeeld, iemand als... Rodrigo. Zo gezegd, zo gedaan. Rodrigo werd tot paus gekozen: paus Alexander VI. De Romeinse bevolking was dol van vreugde. Overal werd het vaandel met de vergulde Borgia-stier gehesen en met veel enthousiasme werd - zoals de traditie voorschreef - het huis van de nieuwe paus geplunderd.
 

* Geiten op het Kapitool

Alexander was als paus niet alleen hoofd van de katholieke kerk maar ook van de Kerkelijke Staat, een gebied dat ongeveer heel midden-Italië besloeg Het was echter geen begerenswaardige erfenis. Het platteland werd onveilig gemaakt door condottieri: roofridders die met huurlingenlegers het gebied afstroopten. Rome zelf was een rommelige hoop middeleeuwse huizen, gebouwd rondom verwaarloosde ruïnes uit de Oudheid. De dichter Petrarca noemde Rome "de meest luidruchtige stad, een poel van ongerechtigheid, de beerput van de wereld". De stad, die in de Oudheid meer dan een miljoen inwoners had geteld, was vervallen tot "een dorp van koehoeders" met niet meer dan 25.000 inwoners. Schapen en ander vee liepen door de straten, een groot deel van de stad binnen de muur van Aurelianus was niet meer dan woest grasland. Het Forum en het Kapitool waren door de inwoners omgedoopt tot Campo Vaccino (Koeienveld) en Monte Capra (Geitenheuvel). Het marmer van het Kapitool was verbrand en fijngemalen voor de kalkproductie. Monumenten als het Colosseum werden - versterkt door kettingen en lelijk metselwerk - gebruikt als forten voor adellijke families. De stad stond - net als het huidige San Gimignano - vol met hoge verdedigingstorens van families als de Colonna, Orsini, Savelli en Annibaldeschi. Jeugdbenden, soms wel 300 man sterk, terroriseerden de bevolking; ze plunderden huizen, beroofden pelgrims en verkrachtten vrouwen.

Alexander besloot het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Hij wilde Rome transformeren van een hoop ruïnes in een stad met keizerlijke allures, symbool van een herlevend pausdom. Straten werden geplaveid, grote openbare werken opgezet, fonteinen en aquaducten aangelegd. Beroemde architecten en schilders ontvingen belangrijke, prestigieuze opdrachten. In het Vaticaan liet Alexander de schilder Pinturicchio indrukwekkende fresco's aanbrengen. Humanistische geleerden bouwden de Vaticaanse bibliotheek uit tot een brandpunt van Europese kennis, gebaseerd op hernieuwde bestudering van de klassieke Oudheid. De veiligheid in en om Rome liet Alexander meedogenloos herstellen door zijn zoon Cesare, die hij benoemd had tot hoofd van het pauselijke leger. De stroom pelgrims groeide enorm, de herbergen waren vol en de pauselijke schatkist liep vol met giften.

Bij de uitvoering van zijn plannen ging Alexander genadeloos te werk. Zijn doel heiligde alle middelen. In dat opzicht was hij een Renaissance-vorst bij uitstek: sluw , berekenend en onbarmhartig. Politieke tegenstanders werden tegen elkaar uitgespeeld, vergiftigd of op een andere manier ter dood gebracht. Elke nacht dreven er nieuwe lijken in de Tiber. Van de kantelen v an de Engelenburcht bungelden de lichamen van misdadigers en politieke tegenstanders door elkaar. Huizen en goederen werden met de meest onwaarschijnlijke argumenten onteigend en toegevoegd aan de pauselijke bezittingen.
 

* Brood en spelen

Ook in een ander opzicht was Alexander een typische Renaissance-vorst: hij genoot met volle teugen van alle denkbare wereldse verlokkingen. Daar was hij al vroeg mee begonnen. In 1460 was hij als kardinaal berispt door paus Pius II nadat hij - tijdens een doopplechtigheid - poedelnaakt had gestoeid met enkele Sienese dames van lichte zeden: "Wij hebben vernomen dat u zich in alle wellust overgaf aan de dans, dat alle bekoringen van de liefde werden getoond. Ons misnoegen is te groot voor woorden." Alexander had vele maîtresses en evenveel onwettige kinderen. Er waren in het Vaticaan wilde, overdadige feesten tot diep in de nacht. Luxe-prostituees (courtisanes) waren vaste bezoeksters: zeer schaars gekleed dansten ze tussen de kerkelijke en andere hoogwaardigheidsbekleders en verleenden hun diensten aan dat doorluchtig gezelschap. Tijdens de banketten deden de gasten zich tegoed aan in hun geheel geroosterde everzwijnen, geiten en ooievaars, aan kastelen van suikerwerk, gelei en gekonfijte vruchten, enz.

Om de Romeinse bevolking tevreden te houden, was niets Alexander te dol. Hij organiseerde enorme feesten in oud-Romeinse stijl: paardenrennen met Barbarijse hengsten, praaloptochten en bombastische ceremonieën. Ter afwisseling waren er wedrennen van wilde zwijnen, en zelfs loopwedstrijden met naakte prostituees, bejaarden en joden: die moesten zich voor de aanvang volproppen met eten zodat ze nauwelijks meer konden lopen. Het publiek vond het allemaal prachtig. Zeer populair waren ook de door Alexander ingevoerde Spaanse stierengevechten. Ze werden overal in de stad georganiseerd, in straten en op pleinen, maar bij voorkeur op de piazza Navona. Alle Romeinen mochten meedoen. Zoon Cesare was één van de meest enthousiaste deelnemers: gezeten op zijn paard reeg hij menige stier aan zijn lans...

Alexander wist zijn macht te behouden tot aan zijn laatste uur. Toen hij in 1503 zijn laatste adem had uitgeblazen, zagen zijn tegenstanders - vooral de grote adellijke families die zo lang vernederd waren - hun kans schoon. Ze sloegen de handen in elkaar en dwongen zijn gehate zoon Cesare de stad te ontvluchten. Zonder de machtsbasis van het pausdom was het gedaan met de Borgia's. Ondanks zijn grote verdiensten voor de wederopbouw en het bestuur van Rome was er niemand die een traan liet om de dood van Alexander. De Florentijnse geleerde Machiavelli schreef in een commentaar na zijn dood: "Om hem heen dansten zijn drie toegenegen dienaressen: Wreedheid, Corruptie en Ontucht."
 

* Cesare, de ideale schoonzoon?

Na zijn vlucht uit Rome werd Cesare gevangen genomen in het door Spanje beheerste Napels. Twee jaar sleet hij in een cel van de Spaanse koning Ferdinand. Hij wist met de hulp van enkele opstandige Castiliaanse edellieden te ontsnappen maar de vreugd was van korte duur. In Navarra raakte hij tijdens een achtervolging van een vijand op het slagveld dodelijk gewond. Zijn aanvallers pakten zijn kostbare wapens, harnas, kleding en paard, en verborgen het naakte lichaam onder een groot rotsblok. Cesare was 31 jaar oud geworden.

Cesare was - net als zijn zuster Lucrezia - een buitenechtelijk kind van Alexander en de inschikkelijke Romeinse schoonheid Vanozza dei Catanei. Net als zijn vader was Cesare van jongs af aan voorbestemd voor een hoge positie. Alexander VI benoemde hem eerst tot kardinaal. Cesare zag een kerkelijke loopbaan echter niet zitten en werd aanvoerder van het pauselijke leger. Al op jonge leeftijd toonde hij zijn meedogenloos en agressief karakter. Zijn 20-jarige broer Juan ging in 1497 na een wild feest de oude binnenstad van Rome in voor één van zijn vele amoureuze avontuurtjes en werd de volgende morgen met doorgesneden keel in de Tiber gevonden. Op zich was een moord niets bijzonders. Een schipper vertelde: "Ik heb van mijn leven wel meer dan 100 lichamen in de Tiber zien gooien en nog nooit heeft iemand om informatie gevraagd." Maar de moord op Juan bracht Rome in rep en roer; hij was namelijk Alexanders oogappel.

De paus was ontroostbaar. Aanvankelijk viel de verdenking vooral op de familie Orsini, die in grote onmin leefde met de Borgia's. Na verloop van tijd gingen alle aanwijzingen echter in de richting van Cesare, die zijn jongere broer uit jaloezie naar de eeuwige jachtvelden zou hebben gestuurd. Hoewel de bewijzen zeer overtuigend waren, ontkende Cesare de beschuldiging in alle toonaarden. Ook Alexander bleef de familie Orsini als schuldige aanwijzen; Cesare nam voortaan Juans plaats in als meest geliefde zoon.
 

* Wurger in vaste dienst

In korte tijd maakte Cesare zich alle fijne kneepjes van de Romeinse machtspolitiek eigen. Hij leerde hoe je tegenstanders moest vergiftigen of anderszins zonder al te grote problemen uit de weg kon ruimen. Cesare leerde van Lorenz Behaim, natuurgeleerde aan het pauselijk hof, hoe je een "veleno attermine" kon samenstellen dat de "perfecte slaap" veroorzaakte. Verder had hij een professionele wurger in dienst, Don Michelotto (tevens hoofd van zijn lijfwacht) die hem dag en nacht vergezelde. Ook al beperkte Cesare zich aanvankelijk tot de hofintriges, toch was hij snel klaar voor het grotere werk. In opdracht van zijn vader besloot hij de grote adellijke families van Rome een fundamentele slag toe te brengen. Hiertoe vormde hij de pauselijke garde om tot een slagvaardig leger. De Colonna, de Orsini en andere grote Romeinse familieclans werden genadeloos in de pan gehakt. Burchten werden afgebroken, verdedigingstorens met de grond gelijk gemaakt.

Ook met de plunderende jeugdbenden die Rome onveilig maak ten - vaak met leden van voorname families - maakte Cesare korte metten. Via zijn spionnen wist hij alles en iedereen in de gaten te houden. De geleerde Egidio van Viterbo schreef: "In het holst van de nacht gebeuren de meest afgrijselijke dingen. Afgezien van de gewone huiselijke tragedies kwamen opruiing en bloedvergieten in de Kerkelijke Staat nog nooit op zo'n schaal voor; nog nooit heerste er in de stad zoveel zondigheid, nog nooit werd er zo van spionnen en moordenaars gebruik gemaakt. Men is in zijn eigen huis of kasteel niet veilig meer. De wetten van God en mensheid hebben afgedaan. Goud, geweld en wellust regeren hier."
 

* Het doel heiligt de middelen

Toen Rome volledig onder zijn controle was, richtte Cesare zijn oog op het omliggende gebied. Grote delen van de Kerkelijke Staat waren ooit in leen gegeven aan adellijke families en waren nu vrijwel onafhankelijk. Zo beheerste de familie Montefeltro Urbino en de familie Malatesta Rimini; Ferrara stond onder bewind van de familie d'Este en Perugia onder dat van de Baglioni. Deze rijkjes waren vaak uitgegroeid tot bloeiende hoven van kunst en cultuur; vaak waren het echter tevens broeinesten van beestachtige moordpartijen en intriges. De Baglioni-clan spande in wreedheid de kroon; er gaat een verhaal dat aan de bomen rond Perugia meer lijken hingen dan vruchten...

Alexander schraapte zoveel mogelijk geld bijeen om Cesare aan een zo groot mogelijk leger te helpen. Hij hief in heel Europa hoge kerkelijke belastingen en verkocht aflaten aan hen die hadden gezondigd. Kerkelijke posten werden bij opbod verkocht aan de hoogstbiedenden; iedereen kon kardinaal of bisschop worden, als je er maar voor betaalde. De opkomst van het protestantisme heeft veel te danken aan deze schaamteloze corruptie in Rome, "de hoer van Babylon". Toen Cesare uiteindelijk met zijn leger op pad ging, kon niemand hem weerstand bieden. Op zijn veldtocht door het pauselijk gebied onderwierp Cesare één voor één alle semi-autonome rijkjes. Hij zorgde dat zijn vader weer echt kon regeren over de hele Kerkelijke Staat. Hij reorganiseerde het bestuur en voerde een effectieve rechtspraak in.

Cesare ging tijdens zijn veroveringstocht zo meedogenloos en sluw te werk dat de Florentijnse geleerde Machiavelli hem als voorbeeld nam voor zijn werk over goed staatsmanschap: Il Principe (De vorst). Cesare schond beloften als hij dat nodig vond en veranderde vrijgeleiden in doodvonnissen; hij gebruikte alle middelen voor zijn doel, zonder morele bedenkingen. Mededogen was een woord dat hij niet kende. Een tijdgenoot schreef: "Elke vrouw die zij tegenkwamen, werd genadeloos gedood, jonge meisjes werden verkracht of als buit meegevoerd."

Terug in Rome stortte Cesare zich weer met overgave in het hofleven met zijn vele feesten, kunstuitingen en politieke intriges. Als hij niet jaagde of stieren bevocht, omringde Cesare zich als echt Renaissance-vorst met kunstenaars en geleerden. Ook leefde hij zich uit in verkleedpartijen. De ene keer verscheen hij op een feest als Oosters potentaat, de andere keer als jonker of als Franse hoveling. De vrouwen waren dol op zijn knappe verschijning: een kop groter dan de meeste mannen, met massieve schouders, een wespentaille, klassieke gelaatstrekken, helblauwe ogen en rossige lokken. Zijn lichaamskracht maakte hem extra aantrekkelijk. Hij kon een hoefijzer recht buigen door zijn polsen te draaien en stond erom bekend dat hij met een enkele zwaardhouw een stier kon onthoofden. Zijn aantrekkingskracht op vrouwen had echter ook een keerzijde: hij hield aan zijn vele romances een - in die tijd overigens zeer alledaagse - syfilisbesmetting over die hem vaak kwelde met helse gewrichtspijnen. Ook kreeg hij syfilispuisten op zijn gezicht, wat hem ertoe bracht steeds vaker een masker te dragen.

Het feest was definitief afgelopen toen zijn vader Alexander ernstig ziek werd. De Colonna, Orsini en andere tegenstanders zagen hun kans schoon om van het gehate Borgia-bewind af te komen en besloten tot samenwerking. Ook de door Cesare verslagen heersers van Perugia (de Baglioni-clan) en Urbino (de familie Montefeltro) kwamen in opstand. Toen Alexander VI stierf, lag Cesare ziek te bed met hevige aanvallen van malaria en syfilis. Zijn gezicht was aan het vervellen en had een paarse kleur. Hij was niet in staat zich te verzetten en moest hals over kop Rome ontvluchten.
 

* Is driemaal trouwen scheepsrecht?

In zijn korte leven heeft Cesare zo ongeveer iedereen die hij kende gebruikt of misbruikt voor zijn politieke machtsspelletjes. Van één persoon heeft hij echter met hart en ziel gehouden: zijn zuster Lucrezia. Hij is altijd voor haar in de bres gesprongen en heeft - toen ze verhuisde van Rome naar Ferrara - een uitgebreide correspondentie met haar onderhouden. Cesare was zelfs zo dol op haar dat er sterke geruchten ontstonden over een incestueuze relatie (over vader Alexander werd overigens hetzelfde beweerd).

Net als Cesare was Lucrezia een buitenechtelijk kind van Alexander VI en Vanozza dei Catanei. Ze werd door haar vader schaamteloos gebruikt in zijn dynastiek machtsspel waarin huwelijken werden gezien als een middel om bondgenootschappen te sluiten. Omdat politieke bondgenootschappen in het Rome van de Borgia's niet erg stabiel waren, waren ook de huwelijken van Lucrezia dat niet. In totaal heeft ze drie echtgenoten gehad. In 1493 werd ze, op 13-jarige leeftijd, uitgehuwelijkt aan Giovanni Sforza van Pesaro. Alexander VI zag grote voordelen in een verbond met de machtige Milanese Sforza-familie. Het huwelijk was geen succes. Giovanni was een knorrige, onevenwichtige man die twee keer zo oud was als Lucrezia. Toen de verhouding met de Sforza-clan verslechterde en Alexander op een scheiding aanstuurde, protesteerde Lucrezia dan ook nauwelijks. Als reden voor de scheiding werd opgegeven dat Giovanni impotent was en dus niet geschikt als echtgenoot.

In 1498 trouwde Lucrezia met Alfonso van Bisceglie, neef van koning Federigo van Napels. Hoewel ze dol was op de jonge prins, heeft ook deze relatie niet lang mogen duren. In 1500 schoot Alfonso na een aanslag op zijn leven een pijl af op Cesare, die hij ervan verdacht het brein achter de aanslag te zijn. Cesare liet dit niet op zich zitten; hij stuurde zijn persoonlijk wurger Don Michelotto op Alfonso af, die korte metten maakte met de onfortuinlijke prins.

Reeds een jaar later trad Lucrezia in het huwelijk met de toekomstige hertog van Ferrara, Alfonso d'Este; een lompe, botte man die vooral druk in de weer was met het gieten van kanonnen en het bezoeken van bordelen. Niet alleen was haar echtgenoot geen groot succes, ook de verhuizing naar het verre Ferrara viel Lucrezia zwaar. Ferrara was in die tijd in veel opzichten een onaangename plek. De stad lag midden in een desolaat, mistig landschap, met talloze zoutpannen, kale vlakten, kanalen en moerassen. De malaria heerste mededogenloos en kreeg ook Lucrezia meermalen in haar greep.

De omgangsvormen aan het hertogelijk hof waren niet al te zachtzinnig. Een tijdgenoot schreef: "Tegenwoordig zien wij dat een vrouw, om haar eigen lusten bot te vieren, haar echtgenoot vergiftigt. Een ander stuurt, uit angst dat haar buitenechtelijke verhouding wordt ontdekt, haar minnaar erop af om haar echtgenoot te vermoorden. Aan de andere kant: als vrouwen ook maar iets doen wat ons mannen niet zint, gaan wij ze te lijf met wurgkoorden, dolken en vergif." Vanwege de slechte naam van de Borgia's in de geschiedenisboekjes is ook Lucrezia vaak afgeschilderd als een gifmengster en intrigante.

Dit beeld is echter sterk vervormd. Hoewel Lucrezia als hertogin een belangrijke rol speelde in het onfrisse politieke machtsspel van Ferrara, had ze zeker ook een verdienstelijke kant. Ze is door tijdgenoten vaak omschreven als een aanhankelijke vrouw met een goed hart, zij het wat roekeloos en verkwistend: "Zij is als een parel; noch in haar tijd, noch in de voorgaande jaren is er zo'n glorieuze vorstin geweest, want zij is knap en goed, zachtaardig en vriendelijk tegen iedereen." Haar verschijning maakte veel indruk: "Zij is middelgroot en fijngebouwd; haar gezicht is wat lang, ze heeft een lange, maar welgevormde neus, goudblond haar, haar ogen hebben geen specifieke kleur, haar mond is tamelijk groot, met schitterende witte tanden, haar hals is lang en slank en haar boezem is goed geproportioneerd. Haar hele wezen straalt een goed humeur en vrolijkheid uit." Lucrezia was zeer begaan met de schone kunsten; een groot schilder als Titiaan en dichters als Ludovico Ariosto en Pietro Bembo werden vaste bezoekers.

Toen Lucrezia uiteindelijk in 1519 op 39-jarige leeftijd stierf aan een miskraam, uitgeput na elf zwangerschappen, had ze het hertogelijk hof van Ferrara weten op te werken tot één van de toonaangevende kunstpodia van Europa. Haar hoerenlopende man, die met het verstrijken van de jaren oprecht van haar was gaan houden, viel tijdens de begrafenis flauw van emotie.

Terug naar de inhoudsopgaaf