Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

13. HET ONTSTAAN VAN DE MODERNE STAD

In de veertiende eeuw was Rome nog een middeleeuwse stad; in de vijftiende eeuw begon het zich traag te ontwikkelen tot een "moderne" stad. Zolang de pausen in Avignon verbleven (1305-1377), werd drie vierden van de ruimte binnen de Aureliaanse muur gebruikt voor landbouw! De inwoners van Rome, geteisterd door malaria en door armoe gekweld, leefden zoals hun voorouders twintig eeuwen vroeger in lemen hutten en lesten hun dorst met water uit de Tiber. Er waren in 1377, het jaar dat Gregorius XI (13711378) uit Avignon naar Rome kwam, nog zo'n 17.000 inwoners... Wijnranken en olijfbomen groeiden in het keizerlijk paleis op de Palatijn; koeien graasden op het Forum Romanum dat daardoor de bucolische naam Campo Vaccino had gekregen; geiten stoeiden op de Capitolijn die dan ook Monte Caprino heette.

De antieke monumenten die nog overeind stonden, waren in de Middeleeuwen aangepast tot ze echte forten waren en werden bewoond door rivaliserende adellijke families. De Orsini hadden zich verschanst in het theater van Pompeius. De Savelli hadden de Pierleoni verdreven uit het theater van Marcellus. De Colonna leefden in de buurt van het forum van Trajanus op de Quirinalis en gebruikten het mausoleum van Augustus en de heuvel van Montecitorio als forten. De Mellini en de Sanguigni heersten nabij het stadion van Domitianus. De Crescenzi en de Sinibaldi heersten nabij het Pantheon. De Frangipani beheersten de zuidelijke helft van de Palatijn (het centrum was het Septizodium), met twee forten: een eerste bij de boog van Janus op het Forum Boarium, een tweede bij de boog van Titus en die van Constantijn. De Torre delle Milizie was achtereenvolgens het symbool van de macht van de Pandolfi, de Annibaldi en de Caetani. Rome bezat in de Middeleeuwen honderden dergelijke torens, alle gebouwd als uitkijkposten en als machtssymbolen van de machtige families; het Toscaanse stadje San Gimignano kan nog een indruk geven van wat Rome toen moet geweest zijn.

Toen Rome, in het begin van de vijftiende eeuw, opnieuw enige bouwactiviteit ontplooide, moesten vakmensen en kunstenaars uit andere steden naar Rome worden gehaald: Rome bezat zelf geen kunstenaars of vakmensen meer...

Echte nieuwe, monumentale bouwwerken werden pas opgericht naar het einde van de vijftiende eeuw toe. Paulus II (1464-1471) liet het Palazzo Venezia bouwen - nog een echte vesting, met kantelen en al! Architect Pontelli bouwde in Rome Santa Maria del Popolo, San Pietro in Montorio, San Agostino, Santa Maria della Pace, de Cappella Sistina (ook met kantelen!), de gevels van San Pietro in Vincoli en van de Santissimi Apostoli, en het Governo Vecchio. Bramante was actief in het Vaticaan, waar hij het Belvedere en de galerijen die het Belvedere verbinden met de pauselijke residentie, ontwierp; hij bouwde het tempeltje naast San Pietro in Montorio, het Palazzo della Cancelleria en het Palazzo Torlonia-Giraud.

Inzake urbanisatie begon men reeds in de vijftiende eeuw met het trekken van brede rechte straten doorheen de ruïnes en woningblokken van de stad. Martinus V (1417-1431) stelde het ambt van schepen van openbare werken (magister viarum) in 1425 opnieuw in. Eugenius IV (1431-1447) trok heel wat straten op het Marsveld recht en liet ze plaveien; zijn werk werd verdergezet door Nicolaas V (1447-1455) en Paulus II (1464-1471). Sixtus IV (1471-1484) had als bijnaam "il gran fabbricatore", de grote bouwheer, en Alexander VI (1492-1503) deed voor hem niet onder. Dat al deze vernieuwingen vaak ten koste gingen van antieke monumenten, spreekt vanzelf...

Om dit duidelijk te maken volgen we Poggio Bracciolini op zijn tocht door Rome in 1447 en vergelijken we met wat er van de door hem vermelde en beschreven monumenten rond 1550 overbleef, zo'n honderd jaar later dus. Grote brokstukken van de tempel van Jupiter Optimus Maximus troonden nog op de Capitolijnse heuvel - een eeuw later weet men niet exact meer waar die tempel juist stond! De porticus van het Isistempelcomplex nabij de kerk van Santa Maria sopra Minerva bezat nog veel zuilen in 1451 werden die weggehaald om verwerkt te worden in de Loggia della Benedizione in de oude basiliek van Sint-Pieter. Op het Forum Romanum was de tempel van de Concordia die tegen de Capitolijn was aangebouwd, nog vrijwel intact maar een eeuw later bleef alleen nog het podium over.

Hoe kan zulke drastische, ja, ronduit dramatische verandering logisch verklaard worden? Niet alleen door het trekken van straten, natuurlijk; ook de snel om zich heen grijpende bouwwoede is daarvoor verantwoordelijk.

Hoe ging men dan te werk als men wou bouwen, anno 1450, of anno 1550, of anno ... ? Men zocht in de stad een geschikte "petraia", wat letterlijk "steengroeve" betekent: een antiek gebouw of een deel van een antiek gebouw, waaruit men materiaal (siermarmer, baksteen, travertijn, tufa of kalkmarmer) kon halen. Vervolgens poogde men - zo goed als altijd met succes - het recht op ontginning van die steengroeve te krijgen van de adellijke of religieuze bezitter van of verantwoordelijke voor de petraia in kwestie.

Toen Martinus V (1417-1431) in 1425 de mooie cosmatenvloer liet leggen in San Giovanni in Laterano, kregen de aannemers van de paus de toestemming om alle kerken waarin geen dienst meer werd opgedragen, van hun marmer en ander kostbare gesteenten te ontdoen. De aannemers gingen zo enthousiast te werk dat Eugenius IV (1431-1447) er in 1436 over klaagde dat enkele kostbare tabletten van porfier en serpentijnsteen waren verdwenen van de pauselijke stoel in de oude basiliek van Sint-Pieter... Diezelfde Martinus V verbood in het Colosseum nog marmer weg te halen, maar zelf liet hij de apsis van San Giovanni in Laterano restaureren met stenen uit het Colosseum, uit de Curia en van het Forum Julium.

Onder Nicolaas V (1447-1455) hadden vooral het Colosseum, de Circus Maximus, de Curia en de tempel van Venus en Roma te lijden. Een document uit 1452 deelt ons mee dat een aannemer in negen maanden 2.522 karrenvrachten travertijn uit het Colosseum weghaalde... Tussen 1450 en 1454 was de tempel van Venus en Roma een immense steengroeve. Dezelfde paus liet de triomfboog van Gratianus, Valentinianus en Theodosius (die tegenover Castel Sant'Angelo stond) afbreken.

De bouw van de Loggia della Benedizione (in de oude Sint-Pieter), een meesterwerk uit de tijd van Pius II (1458-1464), berokkende meer schade aan antieke monumenten dan een invasie van barbaren had kunnen doen. Materiaal werd aangevoerd uit het Colosseum, de tempel van Jupiter Optimus Maximus, het Forum Julium, de Curia, de Porticus van Octavia, de thermen van Caracalla, enz. En toch liet deze paus in 1462 een encycliek verschijnen, waarin hij zware straffen in het vooruitzicht stelde van iedereen, die oude monumenten durfde afbreken...

Paulus II (1464-1471) bouwde, zoals gezegd, de kerk van San Marco en het Palazzo Venezia met materiaal dat afkomstig was uit de tempel van Claudius op de Caelius, uit het Colosseum, uit de Saepta Julia naast het Pantheon; hij liet ook het Castello in Tivoli bouwen met stenen uit het Colosseum.

Sixtus IV (1471-1484) liet in 1471 de architecten van de Vaticaanse bibliotheek overal stenen halen waar ze het nodig achtten. In 1474 beperkte hij zijn gulheid door te verbieden nog marmer uit kerken weg te halen... De tempel van Hercules Victor (beschermgod van de wagenmenners uit de Circus Maximus) nabij het Forum Boarium, werd onder zijn pontificaat met de grond gelijk gemaakt. Voor de bouw van twee torens naast de Porta del Popolo, had hij 250 blokken marmer nodig; daartoe sneuvelden heel wat Romeinse graven, waaronder enkele prachtexemplaren.

Innocentius VIII (1482-1492) liet een triomfboog over de Via Lata (thans de Via del Corso) afbreken om er de kerk van Santa Maria in Via Lata mee te restaureren.

Alexander VI (1492-1503) bouwde een ronde toren nabij de ingang van Castel Sant'Angelo met marmer van het mausoleum van Hadrianus. Onder zijn pontificaat werd een deel van de thermen van Diocletianus gesloopt en een deel van een niet nader vermelde tempel naast de Via Sacra op het Forum Romanum.

In het eerste kwart van de zestiende eeuw, onder de pontificaten van Julius II (1503-1513) en Leo X (1513-1521), in de tijd van Michelangelo en Rafaël dus, werden inscripties en beelden in hoge mate gewaardeerd. Een van de bekendste vondsten uit die periode was de beroemde Laokoöongroep; de geschiedenis van dit beeldhouwwerk is echt wel de moeite van het vertellen waard...

Keizer Nero (54-68) liet na de desastreuze brand van Rome in 64 een enorm paleis bouwen dat een groot deel van het platgebrande centrum van Rome in beslag nam. Hij gaf dit complex van tuinen, zuilengalerijen, kunstmatige vijvers, gangen en kamers de toepasselijke naam "Domus Aurea" (gouden huis). De Domus Aurea was rijkelijk versierd met kostbare beeldhouwwerken. Na Nero's dood in 68 werden de woonvertrekken van het paleis leeggehaald; alle beelden (waaronder de Laokoöongroep) vonden een nieuw onderkomen in de thermen van keizer Titus (79-81), die eigenlijk een uitbreiding waren van de thermen van de Domus Aurea. Toen Rome in verval raakte, vanaf de vijfde eeuw, bedekten zand, slijk en afval stilaan ook de thermen van Titus. Na enkele eeuwen bevond zich op die plaats een wijngaard...

Op 14 januari 1506 vond de bezitter van die wijngaard toevallig de brokstukken van een grote beeldengroep, zeven stukken in totaal. Op het voetstuk stond vermeld dat de beeldengroep het werk was van Athenodoros, zoon van Agesandros. Die inscriptie maakte duidelijk dat het dezelfde beeldengroep betrof die door Plinius Maior in zijn Naturalis Historia was beschreven: de Laokoöongroep uit de tweede eeuw voor Christus, gemaakt door Athenodoros, Agesandros en Polydoros.

Paus Julius II (1503-1513) kocht het kunstwerk aan voor zijn Villa del Belvedere en liet het herstellen door Montorsoli, die de ontbrekende stukken aanvulde: een arm van Laokoöon, een arm van de ene zoon en een hand van de andere. Er werd alras kritiek geleverd op de aanvulling door Montorsoli. Die had de ontbrekende armen opwaarts gericht, wat naar de smaak van menig kunstkenner indruiste tegen de hellenistische kunstopvatting dat een beeldengroep een ruimtelijk gesloten vormgeheel moet zijn. En deze kunstkenners zouden gelijk krijgen...

In 1905 vond Pollak, in een van de immense Romeinse stapelplaatsen voor fragmenten van marmeren beelden, per toeval de ontbrekende arm van Laokoöon. In plaats van hemelwaarts gericht te zijn (zoals Montorsoli verondersteld had) maakte hij als het ware de bovenste rand van de beeldengroep uit.

De Laokoöongroep wekte alom bewondering: zo vonden onder meer Michelangelo en Bernini het een schitterend werk. Door deze en dergelijke vondsten kwam een soort schattenjacht op gang die, omdat hij louter toegespitst was op beelden, nogal wat schade toebracht aan de gebouwen van het antieke Rome waarin mogelijk beelden konden gevonden worden.

Julius II (1503-1513) besloot de oude basiliek van Sint-Pieter, die nog dateerde uit de tijd van keizer Constantijn en die zeer bouwvallig was geworden, te laten afbreken. Dat gebeurde in 1506, maar datzelfde jaar werd ook de eerste steen van de nieuwe basiliek van Sint-Pieter gelegd. Het verlies aan kunstwerken, aan historisch patrimonium en christelijk patrimonium is niet te schatten... Bramante kreeg de opdracht de nieuwe kerk te bouwen.

Terug naar de inhoudsopgaaf