Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

12. OVER MARMERKAPPERS EN KALKBRANDERS

* Marmorarii of marmerkappers

Grote schade is toegebracht aan de monumenten van het oude Rome, zowel in de Middeleeuwen als in de Renaissance, door de marmorarii of marmerkappers, waartoe architecten, beeldhouwers en mozaïekwerkers behoorden.

Onder de mozaïekwerkers zijn de bekendsten de zogenaamde Cosmati, een verzamelnaam voor middeleeuwse vakmannen die het naar hen genoemde cosmatenwerk produceerden: kerkvloeren en versiering van kerken en kloosters. De Cosmati waren hoofdzakelijk uit op het opnieuw gebruiken van dunne marmerplaten, vooral inscripties (heidense of christelijke, dat deed er niet toe), omdat die niet meer moesten gezaagd worden. Om een idee te geven van de aangerichte schade: toen in de kerk van de Santi Quattro Coronati, na de verwoesting door de Noormannen, een nieuwe vloer werd gelegd, werden daarvoor onder meer tweehonderd inscripties gebruikt; de vloer van de basiliek van San Paolo fuori le mura (vóór de brand van 1831) bevatte een duizendtal inscripties.

Maar de architecten braken af in het groot. Gedurende de laatste tweeëneenhalve eeuw van de Middeleeuwen, toen overal in Italië en elders schitterende kerken werden gebouwd, werd dankbaar geput uit de schijnbaar onuitputtelijke voorraad marmer van de monumenten van Rome (en omgeving). Enkele door documenten bewezen gevallen? De duomo van Orvieto; delen van de duomo van Amalfi; een deel van de kathedraal van Aken; delen van kerken in Ravenna; zowat de volledige duomo van Pisa; de duomo van Lucca; en zelfs... een graf in Westminster Abbey. Het marmer daarvoor werd uit zowat alle toen nog bestaande monumenten weggehaald, al naar gelang de "bestelling" van de "klant".
 

* Calcararii of kalkbranders

Deze groep van mensen was, de ganse Middeleeuwen en Renaissance door, actief. Hun taak was het verzamelen van marmerblokken (beelden, brokstukken van architraven, zuilen, muur- of andere panelen, enz.) om ze te verbranden, waarbij calciumcarbonaat werd omgezet tot kalk, die dan gemalen werd en gebruikt kon worden om muren mee te pleisteren.

Deze praktijk, die eigenlijk altijd al verboden was geweest, werd niet alleen geduld door de autoriteiten; soms eisten de autoriteiten, die op het naleven van het verbod hadden moeten toezien, zelfs een deel van de gemaakte winst op. Hierbij dient echter aangestipt dat de gemeentelijke autoriteiten van Rome altijd getracht hebben de antieke monumenten naar beste vermogen te beschermen.

Een document uit de archieven van het Vaticaan, gedateerd op 1 juli 1426, leert ons dat paus Martinus V (1417-1431) een groep kalkbranders de vrije hand liet om de Basilica Julia op het Forum Romanum af te breken met het oog op de blokken travertijn, maar de helft van de opbrengst van de stenen en de kalkovens voor zich opeiste...

Op dezelfde manier verdween een groot deel van het Colosseum, van de Circus Maximus en van nog honderden andere monumenten sommige verdwenen zelfs volledig. Met de gerecupereerde materialen werden onder meer de nieuwe basiliek van Sint-Pieter, de kerk van San Marco, Palazzo Venezia, Palazzo Farnese, Palazzo della Cancelleria en Villa Giulia gebouwd, om alleen maar de bekendste te noemen.

Af en toe was er een paus die dit barbarisme een halt probeerde toe te roepen. Toen Paulus III (1534-1549) de doodstraf zette op het verbranden van marmeren beelden (vooral Griekse beelden van Parisch marmer waren fel gegeerd om de uitzonderlijk witte kalk die ze opleverden), groeiden de archeologische verzamelingen verbazingwekkend snel aan. Toch bepaalde diezelfde Paulus III dat alle monumenten van het Forum Romanum in aanmerking kwamen voor de bouw van de nieuwe basiliek van Sint-Pieter...

Het hoofdkwartier van de calcararii was een deel van de Circus Flaminius, genaamd de "Botteghe Oscure" (de donkere winkels; die naam leeft trouwens nog voort in de moderne straat), maar ook elders waren kalkbranders gevestigd: nabij San Adriano (de Curia op het Forum Romanum) voor de verbranding van materiaal van de keizersfora; nabij het mausoleum van Augustus; nabij de thermen van Agrippa voor materiaal van dat gebouw en van het nabijgelegen Isistempelcomplex; nabij de thermen van Diocletianus, enz.

Door zeer gelukkig toeval zijn sommige kalkovens nooit in brand gestoken en werden ze bij opgravingen intact aangetroffen. Zo bijvoorbeeld een in het paleis van Tiberius op de Palatijn en een in het huis der Vestaalse maagden. Deze laatste kalkoven (4,2 m x 2,7 m x 2,1 m), gevonden op 9 februari 1883, bevatte alle beelden en sokkels van beelden van de Virgines Vestales Maximae (Opper-Vestaalse maagden), die nu nog opgesteld staan in het huis der Vestaalse maagden op het Forum Romanum.

Terug naar de inhoudsopgaaf