Terug naar de inhoudsopgaaf

DE AFBRAAK VAN HET OUDE ROME

2. DE LATE KEIZERTIJD: 200 - 410

Het klinkt vreemd maar het is de zuivere waarheid: de geleidelijke afbraak van het antieke Rome begon reeds in de late Keizertijd, met dien verstande dat er na elke afbraak wel iets nieuws in de plaats kwam.

De eerste en belangrijkste oorzaak van afbraak waren de soms verwoestende branden die Rome teisterden; zo b.v. onder Nero in 64, onder Titus in 80, onder Commodus in 191 en onder Carinus in 283. De gevolgen van die branden waren soms meters hoge puinlagen die niet werden opgeruimd (bij gebrek aan technische middelen zoals moderne bulldozers) maar gewoon werden genivelleerd. Op die puinlaag werden dan nieuwe gebouwen opgetrokken.

Een tweede oorzaak van afbraak op grote schaal was de bouw van de grote thermencomplexen in de Eeuwige Stad. Al die thermen niet alleen de grootste (zoals die van Caracalla, 118.255 m² groot, of die van Diocletianus, 130.000 m² groot), maar ook de "kleinere" werden opgetrokken op plaatsen die reeds volledig volgebouwd waren. De onteigende gebouwen werden dus afgebroken en het materiaal dat nog bruikbaar was, werd in de nieuwe thermen verwerkt, meestal in de funderingen.

Maar reeds onder het bewind van Septimius Severus (193-211) begon men architecturaal marmer (zuilen, architraven en blokken), inscripties en zelfs marmeren beelden te gebruiken voor het herstel van beschadigde gebouwen. Het mooiste voorbeeld hiervan is het herstel (na een brand) van het bovenste deel van de muur van het Colosseum, in 217 en 250.

Constantijn (306-337) richtte zijn triomfboog op met beelden, bas reliëfs en inscriptietabletten die hij eenvoudig had laten wegnemen van reeds bestaande monumenten. Als het nodig was, liet hij het hoofd van een vroegere keizer door het zijne vervangen. Zo stal hij van het Forum van Trajanus (98-117), van een triomfboog van Trajanus over de Via Appia, van een monument ter ere van Hadrianus (117-138) en van talrijke graven (de grafinscripties zijn binnen in de boog soms nog perfect leesbaar!). Dit gebruik - het ontmantelen van vroegere monumenten om er een nieuw mee op te richten - wordt van dan af heel gewoon.

Zo werd de eerste Sint-Pietersbasiliek gebouwd op de Circus van Caligula (37-41), met onder meer stenen van de Circus van Caligula. De 136 zuilen die in de oude basiliek verwerkt waren, kwamen volgens nota's van Antonio da Sangallo (die in 1506 aanwezig was bij de afbraak van de bouwvallig geworden basiliek) van verschillende "bronnen". Alle stijlen van zuilen waren vertegenwoordigd, er waren geen twee basissen of kapitelen gelijk; de gebruikte architraven varieerden van zuil tot zuil en sommige architraven droegen nog inscripties ter ere van Romeinse keizers, zoals Titus (79-81), Trajanus (98-117), Gallienus (260-268) en anderen. De heidense gebouwen werden dus opgeofferd aan de bouw van de christelijke basilieken. Dit wordt nog steeds bewezen door in die tijd gebouwde kerken, zoals San Lorenzo fuori le mura, Santa Agnese fuori le mura, San Clemente en andere.

Waarom was de afbraak van vroegere gebouwen noodzakelijk om er nieuwe op te richten als er toch geen sprake was van plaatsgebrek, zoals dat wel het geval was bij de thermen? Waarom liet men niet gewoon nieuwe bas-reliëfs maken, nieuwe zuilen kappen, nieuwe kapitelen en nieuwe architraven beeldhouwen?

Omdat enerzijds het vakmanschap, de artisticiteit ontbrak (liever mooie oude dan lelijke nieuwe) en omdat anderzijds de bevoorrading van de schatkamer van het marmer (statio marmorum aan de Tiber, ter hoogte van de Aventijn) was stilgevallen sedert het begin van de vierde eeuw. Inderdaad, de politiek en militair onzekere toestand van het rijk had de ineenstorting tot gevolg van een systeem dat er eeuwenlang voor had gezorgd dat overal marmer werd aangekocht en naar Rome werd getransporteerd om daar verbruikt te worden. Toch was de statio marmorum lang niet uitgeput in die vierde eeuw; in de Middeleeuwen zal men nog dankbaar gebruik maken van de grote brokken marmer van alle kleur en herkomst die er nog voorradig waren, maar in de vierde eeuw vond men het bewerken van nieuwe blokken marmer gewoon een te zware opgave.

Keizer Gratianus (378-383) bezegelde in 383 het lot van de heidense tempels door de privileges van priesters en tempels af te schaffen; later verboden Valentinianus II (375-392) en Theodosius (379-395) in 391 het offeren aan heidense goden. In september 394 werden de heidense tempels definitief gesloten. Toen werden nogal wat heidense godenbeelden, als loutere kunstwerken, op openbare plaatsen in de stad opgesteld.

De christenen hebben echter de heidense tempels niet dadelijk omgevormd tot kerken; dat gebruik zal pas in het begin van de zevende eeuw ingang vinden. Paus Bonifatius IV (608-615) vroeg in 608 aan keizer Phokas van Byzantium (602-610) het Pantheon ten geschenke en hij kreeg het ook. Hij maakte er een Mariakerk van. Vóór 608 waren alleen - en dan nog sporadisch - burgerlijke gebouwen omgevormd tot kerken. Zo bv. Santi Cosma e Damiano (circa 530) in een voormalige bibliotheek, San Stefano Rotondo (vijfde eeuw) op de Caeliusheuvel, in een voormalige markthal. Na 608 werd echter elk beschikbaar gebouw een kerk of een kapel.

Wat marmeren beelden betreft (waarvan er minstens tienduizend, wellicht enkele tienduizenden hebben gestaan in Rome, zowel in privé-woningen als op straathoeken en pleinen als in openbare gebouwen): die werden mettertijd omvergegooid of vielen van hun voetstuk bij aardbevingen. Af en toe werden ze, zoals hoger reeds aangestipt, gebruikt in muren of funderingen, soms bleven ze liggen en raakten dan bedolven. De armen, benen en hoofden braken gemakkelijk af; onbeschadigde beelden zijn dan ook een zeldzaamheid!

Wat in dit verband eigenaardig is: de beelden die in stukken werden gebroken en vervolgens verwerkt werden in funderingen of muren, konden vaak volledig hersteld worden, omdat alle stukken van hetzelfde beeld op dezelfde plaats en in dezelfde fundering of muur waren gebruikt. De omgevallen beelden daarentegen zijn zelden volledig hersteld omdat afgebroken stukken van het beeld verwijderd konden raken. Zo speelde men met de hoofden van de gebroken beelden "bocce" of pétanque...

Toch moeten we ons de afbraak van het oude Rome niet voorstellen als een proces dat zich snel voltrokken heeft, zoals mag blijken uit volgend voorbeeld. De grote bouwactiviteit in Rome was eigenlijk stilgevallen rond 330, toen het keizerlijk hof naar Constantinopel (=Byzantium, =Istamboel) werd overgebracht. Toen Constantius (340-361) in 357 Rome bezocht, was hij geweldig onder de indruk van het Forum van Trajanus, de tempel van Jupiter op de Capitolijn, de thermen, het Colosseum, het Pantheon, de tempel van Venus en Roma, het theatercomplex van Pompeius en het stadion en het odeon van Domitianus (81-96). Ter gelegenheid van zijn bezoek bracht hij, als geschenk voor Rome, de hoogste obelisk ter wereld mee (daterend uit de tiende eeuw voor Christus, door Thothmes III opgericht in Thebe in Egypte), die hij in de Circus Maximus liet oprichten; thans bevindt die obelisk zich nabij San Giovanni in Laterano.

Terug naar de inhoudsopgaaf