Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

5. ROMEINSE SPOT

De Romeinen hebben, in de loop van hun geschiedenis, duizenden veldslagen geleverd, ze hebben de zwaarste beproevingen doorstaan, vastberaden en zonder morren, maar hen de tong binden was onmogelijk. Steeds en overal zei een Romein wat hem op het hart lag; gedwongen stilzwijgen zou hij ervaren hebben als een onduldbare krenking van zijn persoonlijke trots.

De geest om met alles de spot te drijven is de Romeinen aangeboren; niets wordt door hun scherpe geestigheid gespaard! Dingen waarvan wij vinden dat je er eigenlijk niet mee "mag" spotten (zoals lichamelijke gebreken), waren voor de Romeinen te evident om ongemoeid gelaten te worden. En wie niet kon verdragen dat er om zijn tekortkoming of gebrek gelachen werd, werd nogmaals uitgelachen wegens zijn apert gebrek aan zelfkennis. Zo bekeken is Romeinse spot eigenlijk een zeer eerlijke en tot eerlijkheid opvoedende spot!

Dat belet natuurlijk niet dat in Rome, zoals overal en altijd, geniepige laster en achterbakse valsheid in alle stilte en achter de rug welig tierden. Wij ook zijn daar toch zo knap in, lieve lezer: iets zeggen zonder het eigenlijk uit te spreken maar met een veelbetekenende grimas op onze tronie; iets verontschuldigen om op die manier toch even de vinger in de wonde te steken en lekker rond te draaien; een roddelpraatje (schijnbaar) verontwaardigd van de hand wijzen om het zo "en passant" toch verder rond te strooien...

Maar behalve deze, ons welbekende en erg druk beoefende vormen van kwaadsprekerij, was de Romeinse kwaadsprekerij ook brutaal openhartig; ze noemde de dingen bij hun naam, zonder met wat dan ook rekening te houden; ze viel de tegenstander aan met open vizier en vreesde daarbij geen vijandschap. Romeinse spot was heerlijk boosaardig en is daardoor zeer actueel gebleven. En we mogen zeker niet uit het oog verliezen dat spot zeer opvoedend werkt voor wie in verband met zichzelf niet doof en blind wenst te blijven: spot is een spiegel van de werkelijkheid, een ludieke aansporing tot meer "ken jezelf".

Maar laten we het getheoretiseer terzijde laten en ons verdiepen in enkele mooie staaltjes Romeinse humor-die-voor-ons-niet-kan.

In Romeinse namen, meer bepaald in de cognomina (bijnamen), ligt zeer vaak een lichamelijk gebrek van een of andere voorvader vervat, dat ongenadig aan het nageslacht werd doorgegeven. Balbus, Blaesus en Claudius betekenen "stotteraar"; Varus = met de x-benen; Scaurus = de horrelvoet; Paetus = de schele; Brutus = de lomperik; Cicero en Tubero = de wrat; Naso = de neus; Macer = de magere; Fuscus = de bruine; Asinius = de ezel; Catullus = het hondje; Plautus = met de flaporen; Valgus met de o-benen; Luscus = de loense; Homullus = de dwerg; Verrucosus = de wrattenkop; Lamia = de boeman; Calvus = de kletskop; Niger = de zwarte; Rufus = de rosse; Bestia = het beest; Aper = het wild zwijn; enz.

Toen keizer Vespasianus (69-79) gestorven was, eerden zijn zonen Titus en Domitianus de aflijvige, samen met het Romeinse volk, tijdens de plechtige begrafenis. Vespasianus was, in de ogen van alle Romeinen, een groot keizer geweest, maar in vergelijking met Nero (54-68) was hij ronduit gierig geweest met overheidsgelden. Het volk had Vespasianus daar bij zijn leven steeds aan herinnerd en vergaf het de keizer evenmin toen hij dood was. In de begrafenisstoet volgde de hofnar Favor de lijkbaar en imiteerde op lachwekkende wijze (ut mos est = zoals het de gewoonte is!) houding en spreken van Vespasianus. Van tijd tot tijd wendde hij zich met een bezorgd gezicht tot de schatkistbewaarder en vroeg met luide stem: "Maar wat kost me nu eigenlijk deze deftige begrafenis?" Het antwoord luidde: "Honderdduizend sestertiën". Daarop riep de pseudo-Vespasianus wanhopig uit: "Honderdduizend sestertiën! Honderdduizend sestertiën! Geef ze onmiddellijk hier en gooi me maar liever in de Tiber!" (Suetonius, Leven van Vespasianus, 19).

Een allesbehalve goed advocaat beeldde zich eens in zijn publiek tot tranen toe te hebben ontroerd door zijn "welsprekendheid" en wachtte na afloop van zijn pleidooi ongeduldig op lofbetuigingen. Waarop iemand, meedogenloos dubbelzinnig, luidop commentarieerde: "Inderdaad een redevoering die medelijden heeft opgewekt!" (uit Cicero).

Galba was, ten tijde van Augustus, een fantastisch advocaat; hij bezat tevens een fantastische bult, wat zijn tijdgenoten de opmerking ontlokte: "Wat een lelijk huis voor zo'n genie!" Op een dag pleitte Galba in een of andere zaak en onder het publiek bevond zich keizer Augustus. Bij een zeer ingenieuze passus uit zijn bewijsvoering draaide Galba zich plots naar Augustus met de woorden: "Verbeter me als het je niet aanstaat!". Hij hoopte natuurlijk dat de keizer zijn instemming zou betuigen met zijn betoog door het stilzwijgen te bewaren. Meesmuilend antwoordde Augustus echter, inspelend op de ongewild dubbelzinnige vraag van Galba: "Een opmerking over wat je gezegd hebt, zou ik wel kunnen maken (corrigere = verbeteren in de eerste betekenis), maar in jou verbeteren wat me niet aanstaat (je bult rechtmaken, corrigere = verbeteren in de tweede betekenis), dat gaat mijn mogelijkheden helaas te boven." (uit Macrobius).

Een gierige gastheer had op een cena een visschotel laten serveren die bestond uit de resten van de cena van de vorige avond: half opgegeten vissen, door de kok zo geschikt dat het aangesneden stuk langs onder lag en dus niet te zien was. Een der gasten, een bultenaar, ontdekte dit trucje en zei, met de kwaadaardigheid die bochels eigen is: "Vrienden, laten we maar gauw beginnen eten; onder de schotel zijn er nog lui die met ons meeëten!" (uit Quintilianus).

Wie er een beetje anders uitzag dan de anderen, kon zich in Rome, zelfs in de betere kringen, niet veilig voelen. Op een dag zag Cicero zijn schoonzoon Lentulus in militair uniform voorbij paraderen. Lentulus, klein en tenger van stuk, sleepte aan zijn zijde een zeer lang zwaard mee en keek apetrots rond, zoals kleine mensen plegen te doen als ze in uniform steken. Cicero keek met half toegeknepen ogen naar zijn kleine schoonzoon, dan naar het lange zwaard en zei vervolgens: "Wie heeft er mijn schoonzoon aan dat zwaard vastgebonden?" (uit Macrobius).

Ook Quintus Cicero, de broer van redenaar Marcus Tullius Cicero, was zeer klein van postuur. In die tijd was het de gewoonte om de buste van gezaghebbende personen op een groot schild af te beelden en dat schild bv. in het atrium te hangen. Zo geschiedde ook met Quintus, die zichzelf dus als gezaghebbend persoon beschouwde; hij werd, indrukwekkend, vanaf zijn middel op een enorm schild geborsteld. Prachtig gelukt! Toen Cicero op een dag in de provincie die zijn broer Quintus bestuurd had, voor dat portret stond, bewonderde hij de metamorfose van de dwerg die een reus was geworden. Schamper merkte hij op: "Vreemd eigenlijk. Als ik maar de helft van mijn broer zie, is hij groter dan wanneer hij in zijn volle lengte voor me staat!" (uit Macrobius).

Spotten met lichaamsgebreken is niet altijd zo verwerpelijk en ongepast als wij op het eerste gezicht zouden denken. Soms halen de slachtoffers zich die spot zelf op de hals door hun eigen eigenaardig gedrag. In plaats van met de lichamelijke tekortkoming als zodanig wordt er dan meer de spot gedreven met de menselijke zwakte dat men zich van het gebrek niet bewust wil zijn. Sommige mensen kunnen zich maar slecht schikken in de soms wrede en ironische spelingen van de natuur die haar schepselen vooral op hogere leeftijd soms danig plaagt. Wie ouder wordt, wil er toch jong en fris uitzien. Wie kaal of grijs wordt, laat het uiterlijk van zijn hoofd verjongen door een pruik te dragen, door het haar over de schedel te kammen, door het haar te verven. Wie geen tanden meer heeft, laat ze door nieuwe vervangen. Wie lelijk is, laat anderen geloven dat hij of zij onweerstaanbaar is in de liefde. Wie uit de bek stinkt, zal alles doen om een beter ruikende adem te krijgen. Wie een lijfgeur heeft, zal zich zwaar parfumeren...

Een vijftigjarige matrone verklaarde eens, in aanwezigheid van Cicero, heel naïef dat ze pas dertig was. Waarop Cicero prompt zei: "Dat is juist, hoor, want ik hoor u dat nu al twintig jaar zeggen!" (uit Quintilianus).

In een groep mensen probeerde iemand van Cicero's leeftijd enkele jaartjes te verdonkeremanen. Waarop Cicero opmerkte: "Als ik het goed begrepen heb, was jij nog niet geboren toen we samen naar school gingen?" (uit Quintilianus).

Om dit hoofdstuk over Latijnse spot af te ronden, wil ik jullie een fris(?) en gevarieerd(?) boeket aanbieden van schitterende Nederlandse vertalingen van gedichten van Martialis die het werk zijn van een aantal Nederlandse classici in de bundel "De pittigheid van wrange vijgen". Ik weet natuurlijk niet echt zeker of jullie deze vertalingen wel mooi zullen vinden, of jullie erom zullen kunnen lachen, of jullie misschien niet enigszins gechoqueerd zullen zijn door het hier toch wel aperte feit dat de Romeinen om alles konden lachen...
 

I 1. Presentatie
Hier is de dichter Martialis, alom gelezen en gezocht omdat hij scherp van tong en taal is en spitse epigrammen wrocht. O lezer, zoveel eer en glorie als jij hem in dit leven biedt, verwerven anderen verdorie drie eeuwen na hun dood nog niet!

I 62. Metamorfose
Laevina was nog kuiser dan de kuiste der Sabijnse maagden, iets wat haar streng gezinde man zeer naar de zin was en behaagde, totdat ze bij 't Avernse meer en bij 't Lucrijnse strand belandde, waar Baiae met zijn zwoele sfeerhaar zinnen laaiend deed ontbranden: ondanks haar echtgenoot in Rome liet zij zich door een minnaar lokken, en als Penelopè gekomen, is zij als Helena vertrokken.

I 84. Vaderschap
Vriend Quirinalis heeft de pest aan echtgenotes en aan vrouwen, ofschoon de brave ridder best een mooi gezinnetje op wil bouwen. Maar dat probleem weet hij gehaaid en met veel inzicht te overwinnen: hij gaat naar bed en neukt en naait dag in dag uit met zijn slavinnen. Zo krijgt hij 't handig voor elkaar om heel zijn huis en heel zijn buiten te vullen met een bonte schaar van semi-ridderlijke spruiten. En ieder die de ridder ziet, wiens dorst naar kroost haast niet te laven is, kan zeggen wat hij wil, maar niet dat hij geen vader voor zijn slaven is!

I 95. Ontmaskering
Als je in de rechtszaal schreeuwt en scheldt en raast en tiert en brult en dreigt, dan doe je dat alleen voor 't geld dat je ontvangt wanneer je zwijgt!

II 8. Aan een kritikaster
Als mijn gedichten jou misschien soms hier en daar wat duister zijn en opgeschreven bovendien in een niet al te best Latijn, dan is dat, lezer, niet mijn schuld, want hij die ze overschrijft, maakt haast en zit er door jouw ongeduld van tijd tot tijd soms wel eens naast. Maar als jij desondanks toch vindt dat ík die fouten heb gemaakt, dan wordt het hoog tijd, beste vrind, dat je uit je mollenslaap ontwaakt. "Toch zijn ze slecht, jouw verzen!" Och, de waarheid moet zich maar ontvouwen: natuurlijk zijn ze slecht, maar toch nog altijd beter dan de jouwe!

II 50. Analogie
Zeg Lesbia, geen gek idee, dat pikzuigen en waterdrinken. Want ken jij iemand die de plee niet doorspoelt als de boel gaat stinken?

III 76. Vreemd
Je pik, actief bij oude wijven, weigert bij meisjes te verstijven: niet prille schoonheid trekt jou aan, maar lichamen die sterven gaan. M'n kop eraf als dat gemis geen vorm van liefdeswaanzin is: een tamp die leeft bij Hekabè maar dood is bij Andromachè!
 

III 79. Eindeloos begin
Sertorius verzint van alles bij elkaar, maar wat hij ook begint, hij maakt er niets van waar, en zelfs als hij bemint en 't ogenblik is daar, maakt hij bij 't liefste kind geen sodemieter klaar.

III 85. Misser
Jij hebt de minnaar van je vrouw met een houw van zijn neus beroofd. Maar heeft die man zich tegen jou dan soms misdragen met zijn hoofd? O dwaas, wat heb je nou gedaan? Dacht jij je eega zo te treffen? O jee, dan is 't wél misgegaan:'s mans penis kan zich nog verheffen!

IV 24. Cru
Lycoris begraaft haar vriendinnen met horden. Och, moge mijn vrouw ook vriendin van haar worden!

V 36. De dichter de dupe
Pas bracht ik iemand hulde in een doorwrocht gedicht, maar hij ontkent zijn schulden en voelt zich niet verplicht. Zo zie je maar hoe rijke zakken een arme klootzak pakken!

VI 39. Kroostrijk
Cinna, ofschoon jij door je vrouw Marulla al vader bent van zeven, dankt geen der kinderen aan jou of aan een vrije man het leven. En ach, ontvangen en verwekt op bedmatten en tafelkleden verraden ze een voor een direct Marulla's overspeligheden. Want die daar, in wie alleman een moor herkent, blijkt door zijn krullen onmiddellijk zijn afkomst van chef-kok Santra te onthullen.En die knaap met die mopneus daar, die zich geen kansje laat ontglippen, lijkt sprekend op de worstelaar Pannychus met zijn dikke lippen. En als je dan die derde ziet, leepogig en een arme stakker, ontdek je, of je wilt of niet, dat hij van Dama is, de bakker. Die vierde met zijn zachte huid, wiens lichaam nimmer in verzet gaat, is duidelijk geboren uit die Lygdus, met wie jij naar bed gaat.(En, Cinna, heb je een keertje lust, gebruik hem dan net als zijn vader: 't is niet verkeerd en 't mag gerust, en Lygdus komt je weer wat nader.) En och, wie ziet er niet dat die guit daar met die lange ezelsoren en met dat olijk punthoofd uit de nar Kyrta moet zijn geboren? En je twee dochters (de ene rood en de andere zwart) heb je als spruiten van Carpus die het werk begroot en Crotus die zo goed kan fluiten. Als van jouw slaven de andere twee, Cinna, nu geen eunuchen waren, dan zou je vrouw zelfs Niobè in zonental evenaren!

VI 50. Van arm tot rijk
Toen Telesinus vroeger arm was maar heel wat echte vrienden had, zwierf hij, ofschoon het vaak niet warm was, sjofel gekleed door heel de stad. Maar nu de kerel onomwonden met vuige homofielen loopt, blijkt dat hij op zijn eentje gronden en meubilair en zilver koopt. Bithinicus, als jij belust op rijkdom bent, word dan zijn maatje: iemand die kuis en eerbaar kust, die krijgt geen stuiver in zijn laatje.

VII 18. Sprakeloos
Ofschoon geen mens op jouw gezicht ook maar een puistje kan bespeuren, en aan jouw naaktheid, als je er ligt, in feite niets valt af te keuren, Galla, blijkt er toch nooit een man twee keer zijn gat aan jou te branden. En vraag je mij nu hoe dat kan, dan zeg ik, Galla, 't is een schande! Want als ik wulps van gretigheid in bed diep in jou ben gekropen, kwebbelt jouw kut de hele tijd maar doe jijzelf je mond niet open. O lieten toch de goden jóu eens praten en je schaamdeel zwijgen! Want 't is zo'n snappend mondjegauw dat ik er haast wat van zou krijgen.'t Was beter dat je winden liet en ook nog goed voor de gezondheid, en bovendien, wie lacht er niet als er zo'n grapjas uit de kont glijdt? Maar wie kan lachen als een kut steeds weer opnieuw begint te smekken, en wie verliest niet alle fut om dan zijn penis nog te strekken? Zeg iets, Galla, of schreeuw of gil tegen je kut die 't niet kan laten, en wees in godsnaam niet zo stil maar leer van háár hoe je moet praten!

VII 25. Smaak
Zeg jij, die pronkend als een pauw flutepigrammen pleegt te maken, die zó zoetsappig zijn en flauw dat ze haast nergens meer naar smaken, en die geen peper en geen zout bevatten, wil jij echt dat deze schrijfsels die jij voor puntig houdt door 't mensdom worden stukgelezen? Maar zonder een scheutje azijn is zelfs een feestmaal niet te eten, en 't beste voedsel smaakt niet fijn als men de kruiden is vergeten! Laat kinderen een zoete peer of een gestoofde appel krijgen; ik, Martialis, prefereer de pittigheid van wrange vijgen!

VIII 43. Synchronisatie
Vriend Fabius begraaft zijn vrouwen, Chrestilla doet het met haar mannen. En beiden doen alsof ze rouwen, terwijl ze zich in feite ontspannen. O Venus, breng hen tot elkaar en sterk hen met uw milde gaven! Want vormen zij eenmaal een paar, dan kunnen ze elkaar begraven!

IX 19. Parasitair
In jouw gedichten blijk je 't bad van Ponticus steeds weer te prijzen, die Ponticus die in de stad uitblinkt door zijn exquise spijzen. En och, Sabellus, al die keren wil jij niet baden, maar dineren!

IX 41. Onbevredigend
Zeg Ponticus, dat jij je zaad met slinkse hand pleegt te verstrooien en Venus slechts ten dienste staat door steeds jezelf zo te vergooien, dat zie jij amper als een kwaad. Maar door de zaak zo te onderschatten bega je toch een gruweldaad die niet in woorden is te vatten. Want door een keer te paren bracht Horatius drie zoons op aarde, en Mars bewerkte in een nacht dat Rea een tweeling baarde. Als zij in vunzig zingenot hun kostbaar zaad hadden verdaan, dan was er heel wat goeds kapot- en nog veel meer teloorgegaan. Och Ponticus, met jouw verstand begrijp jij best dat er een grens is: wat jij verdoet met voze hand, bedenk het wel, dat dat een mens is!

IX 57. Slijtage
O Hèdylos, niets is zo kaal en zo versleten als je jas: noch 't handvat van een oude schaal die van Corinthisch maaksel was, noch 't scheenbeen dat zo'n jaar of drie door harde ketens is geschaafd, noch 't nekvel van een ezel die met lasten door de stad heen draaft, noch 't wegdek dat van lieverlee door weer en wind is aangevreten, noch 't kiezelsteentje bij de zee dat in het zand is gladgesleten, noch 't pikhouweel dat in de grond door 't zware ploegen is gekorven, noch 't lijfgoed van een vagebond die van ontbering is gestorven, noch 't sleetse rad van een karos waarop de voerman zit te snurken, noch 't harig zitvlak van een os die langs de stalmuur staat te schurken. Maar een ding is je toch fataal, iets wat je, denk ik, al doorgrond had; want, Hèdylos, niets is zo kaal en zo versleten als je kontgat.

IX 80. Tafel en bed
Gellius, volledig blut en creperend van de honger, trouwde met een rijke trut, ook al was hij stukken jonger. Maar ter wille van zijn maag neukt hij haar maar al te graag.

IX 91. Lofdicht op de keizer
Als mij op dit moment twee boden, van Caesar en van Jupiter, als gast aan tafel zouden noden in het paleis of op een ster, en het paleis was ver van hier en het gesternte was dichtbij, dan weet ik zeker dat ik fier tegen de hemelbode zei: "Laat iemand anders de invitatievan de hoge Dondergod aanvaarden, ikzelf sta liever in de gratie bij hem die mij regeert op aarde!"

X 8. Huwelijksbelofte
Zeg Paula-lief, jij zou heel graag met mij getrouwd zijn, maar mijn gemoed is lauw voor trutten die te oud zijn. Maar och, omdat jij gruwelijk aan mijn afwijzing blootstaat, vraag ik je graag ten huwelijk twee dagen voor je doodgaat!

XI 21. Het ruime sop
Lydia is even ruim en slap als 't brede kontwerk van een merrie, als de open hoepelring die rap de straat door rinkelt met veel herrie, als 't gapend acrobatenrad dat ze alsmaar heen en weer bewegen, als de sandaal die kliedernat in soppig water heeft gelegen, als 't wijdgemaasde vogelnet waarmee ze vette lijsters vangen, als 't zonnenzeil dat ze over het theater van Pompeius hangen, als de armband van een seksmaniak die is getroffen door de tering, als de uitgedijde beddenzak waar 't vulsel uit is en de vering, als de oude werkbroek van een Brit die niets dan armoe moet doorstaan, als de uitgezakte kwab die zit bij 't keelgat van een pelikaan. Maar dat ik háár aan 't zeestrand aaide, zoals mijn vrienden spottend zeggen, en daarna zelfs in 't water naaide, dat wil ik graag meteen weerleggen. Want eerlijk waar, naar mijn idee naaide ik niet haar, maar heel de zee.

XI 62. Verneukerig
"Gratis ben ik nog nooit genaaid", dat hoor je Lesbia steeds herhalen. En 't klopt, want zij is zo gehaaid dat ze altijd zelf pleegt te betalen.

XI 87. Wat armoede vermag
Zeg Charidèmos, toen jij geld had, was jij een homoseksueel, en als een vrouw jou iets verteld had, ergerde jij je groen en geel. Maar nu loop jij je uit de naad om een schatrijk oud wijf te paaien. Waartoe is armoe niet in staat? Het brengt een flikker zelfs tot naaien.

XII 23. Hamvraag
Waarom maak jij gebruik van een gekochte pruiken heb je een hagelwit en blinkend kunstgebit, o Laelia, als er toch voor jou geen sprankje hoop is dat er ooit ergens nog een ander oog te koop is?

XII 64. Smaak
Jij koos een koksmaat uit met ravenzwarte krullen en rozerode huid. Cinna, wat zul jij smullen!

Terug naar de inhoudsopgaaf