Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

J. GENEESKUNDE

Rome kende in de eerste eeuwen van zijn bestaan geen geneesheren; die zouden in de Eeuwige Stad pas hun intrede doen met Archagathos, een uit de Peloponnesos afkomstige Griek, in 219 voor Christus. Wie vóór die tijd ziek werd, genas vanzelf door enkele erg simpele huis-, tuin- en keuken-middeltjes te gebruiken of ging dood. Geen dokter had daar schuld aan, geen dokter had daar ver-dienste aan.
 

a. De geneeskunst tot de tweede eeuw voor Christus

Natuurlijk bestond er in de periode vóór 219 wel iets dat met wat goede wil kan omschreven worden als geneeskunst, maar daarin ontbrak elke wetenschappelijke benadering of systematisering die wij van de moderne geneeskunde verwachten en gewoon zijn. De genezers in het Rome van de eerste eeuwen waren maar verzorgers, die de sedert de prehistorie mondeling overgeleverde medische traditie in praktijk brachten. Een Romeins apotheekkastje bevatte veel kruiden, plantenextracten en minerale zouten en de preparaten die daarmee waren samengesteld, bevatten soms werkzame bestanddelen, maar veel vaker waren het brouwsels waarvan de vreemde ingrediënten even wonderlijk als inefficiënt waren. Zo vermeldt Plinius de Oude een product tegen kaalheid, waarvan een van de ingrediënten muizendrek was; dat het compleet nutteloos was, mag blijken uit het feit dat Plinius zelf zo kaal was als een knikker...

De Romeinen hadden trouwens geen flauw benul van de echte functie van de organen. Zo beschouwden ze de milt als de zetel van de lach, de galblaas als de zetel van de haat, de lever als de zetel van de liefde, het hart als de zetel van de intelligentie en de longen als de zetel van de hoogmoed.

Over volkse geneesmiddelen zijn we tamelijk goed ingelicht. Cato prees de granaatappel aan als doeltreffend tegen wormen in de ingewanden, munt, wijnruit en koriander tegen open en etterende wonden en zweren, jeneverwijn tegen heupjicht en kool tegen zowat alle andere kwalen. Bepaalde planten zoals laserpicium (een verre voorloper van fernet, een bitter smakende likeur) werden in zowat alle bereidingen gedaan. Laserpicium was goed zo dacht men toch! bij het verkloeken na een ziekte, bij depressies, bij moeilijke spijsvertering, bij storingen in de bloedsomloop en bij storingen in de menstruatie; het werd op abcessen en zweren gelegd en het maakte het gif van slangen en schorpioenen onschadelijk; het genas waterzucht, keelpijn, astma, vallende ziekte, geelzucht en longontsteking; het verlichtte pijnen behalve tandpijn. Tandpijn werd dan weer bestreden met vruchtvlees van pompoen met alsem en zout of met het melkachtig sap uit de stengel van de mosterdplant. Je kon je gebit in goede staat houden door 's morgens een beetje zout onder de tong te laten smelten, of door op wortels van anemonen te kauwen. Loszittende tanden herwonnen hun stevigheid door het drinken van warme azijn en pompoensap.

In die beginfase van de Romeinse geschiedenis was er ook een nauwe band tussen genezing en goden. Zo waren er in Rome tempels voor de godin Febris (koorts), voor de god Osspagus (die zou tussenbeide komen bij botbreuken) en voor vele andere godheden. De belangrijkste godin was wel Carna (of Cardea) die gezondheid en welzijn in het algemeen beschermde. De aan haar gewijde dag was de eerste juni (Kalendae Iuniae), dag waarop men, behalve spek, ook tuinbonen offerde (faba, vanwaar Kalendae fabariae). Deze tuinbonen waren dan ook een ingrediënt in heel wat middeltjes tegen soms erg uiteenlopende kwalen...

Rijke Romeinen hadden thuis een slaaf die zich uitsluitend bezighield met kruiden verzamelen en verwerken tot geneeskrachtige brouwsels en die (uitsluitend aan de huisgenoten) toe te dienen, in de juiste dosis en op het geschikte moment. Sommige Romeinen, zoals de hierboven reeds vermelde Cato, vonden dat die taak uitsluitend toekwam aan de pater familias en ze vervulden in hun gezin dan ook met toewijding de rol van kruidendokter.
 

b. De geneeskunst vanaf de tweede eeuw voor Christus

In de tweede eeuw voor Christus kwamen uit Griekenland geneesheren overwaaien (meestal charlatans en straatgenezers) die in hun eigen vaderland de eindjes niet aan elkaar konden knopen en die dus in Rome hun geluk kwamen proberen.

Zulke "dokters" haalden eksterogen uit, pasten abortus toe en deden aderlatingen; maar vooral bereidden en verkochten ze toverdrankjes en wondermiddeltjes. In de praktijk kwam de hele sector van de geneeskunde in Rome in Griekse handen en dat zou zo blijven tot in de Keizertijd. Met die Griekse geneesheren deed ook de Griekse god Asklèpios (Aesculapius) zijn intrede in Rome. Zijn bekendste tempel stond op het Tibereiland. Rond die tempel zou zich het eerste hospitaal van Rome (die naam waardig) ontwikkelen. Inderdaad, rond die tempel werden zalen en zaaltjes gebouwd waar zieken werden ondergebracht, die onder dagelijkse controle van geneesheren stonden. Daarheen werden ook zieke slaven gebracht (als ze genazen, waren ze automatisch vrij!), daar leefden verplegers, daar waren winkeltjes waar men allerhande kruidenbereidingen kon kopen enz. Dit hospitaal (plus het feit dat er ook enkele goede dokters in Rome werkten) verhoogde het prestige van de geneeskunde in het algemeen, waarvan dan weer de kwakzalvers en charlatans profiteerden...

Dokters lieten "zwaardere" gevallen (en daarmee werden dan moeilijke gevallen aangeduid) naar hun huis brengen om daar, ver van alle ongewenste pottenkijkers, te proberen het "geval" te genezen... (wat zeker niet altijd lukte). Zo schrijft Martialis over een zekere Diaulus, die vroeger dokter was, nu lijkdrager bij een begrafenisonderneming, dat de man eigenlijk nooit van beroep veranderde: hij blijft immers mensen naar de andere wereld helpen!

Zulke dokters stonden dus ter beschikking van het gewone volk. Ze voorzagen de simpele burgers van allerlei middeltjes die even goedkoop waren als ze onwerkzaam bleken. Een volksmens die een goeie dokter raadpleegde, kon alleszins al rekenen op een serieuze financiële aderlating! De dokter kwam dan bij de simpele burger thuis, met in zijn kielzog een reeks wat wij stagiairs zouden noemen (mensen die een tijdje bij de dokter in de leer kwamen om de stiel te leren). Dokter en "leerjongens" voerden een geweldige show op, waarbij waslijsten vragen werden afgewerkt en waarbij de patiënt door tientallen handen werd betast. En als je al niet echt ziek was toen de dokter en zijn gevolg binnenkwamen, dan was het heel goed mogelijk dat je aan zijn bezoek koude koorts overhield - zo beweert althans Martialis...

Nog in de tijd van Caesar was de hele geneeskunde in Rome in handen van de Grieken en er tekende zich geen kentering af. Daarom bepaalde Caesar in 46 dat alle geneesheren Romeinse burgers mochten worden, opdat ze liever in Rome zouden wonen en opdat andere geneesheren ertoe zouden gebracht worden zich in Rome te komen vestigen. Maar ook deze maatregel verleende de geneeskunde geen sociale dimensie: goeie dokters bleven peperduur en onbereikbaar voor het gewone volk. Maar er waren dus wel goeie dokters, zowel omnipractici (algemene geneesheren) als specialisten. Die specialisatie kon slaan op oog-, oor-, keel- of tandaandoeningen, op gynaecologie, op koortsen, op tering, op amputaties, op verwondingen, op breuken, op interne geneeskunde en zelfs op esthetische chirurgie.

Pas in de vierde eeuw na Christus werden in de 14 regiones of districten van Rome gezondheidscentra opgericht, onder de leiding van een archiatra of oppergeneesheer. Deze centra hadden tot doel over de gezondheid van de burgers te waken, en ze moesten ook de minstbedeelden genezen, zelfs gratis!
 

c. Charlatanisme en correcte behandelingen

Er zijn enkele frappante gevallen bekend van charlatans, die ik jullie niet wil onthouden. In de eerste eeuw voor Christus kwam Asklèpiadès uit Bithynië naar Rome. Hij was leraar in de welsprekendheid maar verdiende daarmee niet genoeg naar zijn zin. Hij werd dan maar dokter en smoorrijk... Dat kwam eigenlijk nogal toevallig. Op een dag wandelde hij op de Via Sacra (op het Forum Romanum) en ontmoette er een begrafenisstoet. Toen hij naar het lijk keek, kreeg hij de indruk dat het hier niet om een dode, maar om een schijndode ging (in Bithynië had hij al zo'n geval meegemaakt). Hij liet de stoet halt houden en slaagde erin de levensgeesten van het lijk opnieuw op te wekken. Op slag was hij beroemd en na een korte tijd kon hij zich al een vorstelijke villa permitteren...

Een tweede geval is bekender. Antonius Musa was een vrijgelatene die als geneesheer rijk en beroemd werd doordat hij erin slaagde keizer Augustus te genezen. Die was in 23 voor Christus in Rome teruggekeerd van een militaire expeditie, ziek en verzwakt door (vermoedelijk) een vorm van leverontsteking (hepatitis). De hem behandelende geneesheren pasten warme baden en kompressen toe, maar de ziekte week niet, integendeel. Musa stelde toen aan de keizer een behandeling voor met koude baden en een dieet van groenten en sla. Toevallig genas Augustus en Musa werd rijk en beroemd...

Temisoon van Laodikeia begon de behandeling van om het even welke ziekte met drie dagen absoluut vasten. Jichtlijders moesten van hem over lange afstanden paardrijden; mensen die aanvallen van razernij hadden, kregen drie kilometer wandelen daags voorgeschreven, enz.

En vergeten we de sandalenmaker uit die fabel van Phaedrus niet, die zo onbekwaam was dat niemand het in zijn hoofd haalde om bij hem sandalen te kopen, maar die ook zo rad van de tongriem gesneden was dat hij, als dokter, diezelfde mensen ertoe bracht hun leven aan hem toe te vertrouwen!

Maar het weze herhaald: er waren heel bedreven geneesheren. Oogartsen (vooral actief in de noordelijke provincies van het rijk) slaagden erin 24 verschillende interventies uit te voeren, waaronder de behandeling van grauwe staar of cataract; ook schreven ze heilzame en erg doeltreffende oogmiddeltjes voor. Uit Griekenland kwamen dus zeker niet alleen charlatans!

Er waren ook enkele bekende Romeinse geneesheren. Aulus Cornelius Celsus was ongetwijfeld de beste onder hen: een zeer knappe bereider van geneesmiddelen, een uitmuntend chirurg voor open botbreuken, hernia en stenen in de blaas (de techniek die hij hierbij toepaste, werd nog vele eeuwen later als een model van efficiëntie beschouwd). Zijn manier om cataract te opereren bleek veel beter dan de tot dan toe toegepaste Griekse methode. Celsus stelde ook een chirurgisch instrumentarium samen van meer dan vijftig items, zoals er een gevonden werd in Pompei in het huis van de chirurg. De tweede echt goede Romeinse geneesheer was Galenus (138-201); ook hij was een efficiënt chirurg en zijn arsenaal geneesmiddelen omvatte maar liefst 473 zuivere plantenextracten die onderling gemengd konden worden.

Onder de chirurgische ingrepen die door geneesheren werden uitgevoerd, vermelden we: de keizersnede, de verwijdering van de hoornachtige laag bij cataract, het opereren van hernia (breuk), het operatief zetten van open breuken; ook de schedelboring was hen bekend. Het steriel maken van chirurgische instrumenten, en het steriel houden van wonden gebeurde met oplossingen op basis van wijnazijn. Open en etterende wonden werden behandeld met terpentijn, ijzerroest, cinnaber (een kwikhoudend zout), en loodzouten. Vooral "verbrand lood" was in zwang. Dat verkreeg men door in een terracotta recipiënt plaatjes lood te smelten met zwavelpoeder; daaronder werd ijzervijlsel gemengd. Het bekomen product werd tot poeder gemalen, dat kon gestrooid worden op gewone en chirurgische wonden.
 

d. De levensverwachting

Statistisch gezien kunnen we over de levensverwachting in het Romeinse rijk het volgende zeggen:

* tussen 20 % en 50 % van de kinderen overleden vóór ze een jaar oud waren;
* van de overlevende kinderen bereikten velen nooit hun zevende verjaardag;
* bij de geboorte had een kind een levensverwachting die varieerde tussen 20 en 35 jaar;
* als een kind vijf jaar kon worden, was de kans dat het ouder werd dan 50 nog steeds erg klein...

Ter vergelijking:

* de levensverwachting van de Belg anno 1856 was 38 jaar;
* de levensverwachting van de Belg anno 1970 was 71 jaar.
* de levensverwachting van de Belg anno 1990 was 74 jaar.
* de levensverwachting van de Belg anno 1996 was 76 jaar.

Terug naar de inhoudsopgaaf