Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

C. DE DAG-DAGELIJKSE PLEISTERPLAATSEN

a. Basilicae

Waar kon men dan de rest van de dag doorbrengen? 's Morgens kon men, in een van de vele basilicae die de fora van Rome rijk waren, de afhandeling van een rechtszaak bijwonen. Men nam er dan plaats tussen de andere geïnteresseerden, ofwel op de gelijkvloerse verdieping, ofwel boven op de gaanderij, vanwaar men een beter zicht had op het verloop der gebeurtenissen. Het spreekt vanzelf dat het publiek intenser meeleefde met de zaak naarmate die meer stof had doen opwaaien en naarmate de bij de zaak betrokken personen meer bekendheid - of beruchtheid - genoten.
 

b. De barbier

Een andere geliefkoosde pleisterplaats in de loop van de ochtend was de werkplaats van de barbier. Het spreekt vanzelf dat de echt rijken daar nooit te zien waren, omdat zij nu eenmaal thuis beschikten over een eigen slaaf-barbier. Maar de rest van de bevolking passeerde ongeveer dagelijks onder de al dan niet vaardige handen van een barbier.

Als men niet bij de barbier kwam voor het eigen toilet, dan trof men daar altijd wel mensen aan met wie men de feiten van de dag kon bespreken, commentaar kon leveren op de decreten van de keizer of van de senaat, een boompje kon opzetten over het programma van de nakende spelen in het amfitheater of in de circus, de laatste moppen of epigrammen kon beluisteren of doorvertellen, roddelpraatjes kon uitwisselen en opblazen, kortom, men kon er zich overgeven aan het uitgelezen amusement van juist die lieden, die hun eigen verdorvenheid en onbenul voor anderen pogen verborgen te houden en de aandacht van zichzelf proberen af te leiden door anderen zwart te maken.
 

c. De porticus of zuilengalerijen

De drukst bezochte plaatsen waren evenwel de porticus, een van de meest typische elementen van de Romeinse bouwkunst. Ze verrezen overal in de stad: rond de pleinen van de fora, langs de gevels van de basilicae, langs de gevels van de huurkazernes (om de lelijkheid van hun gevels aan het oog te onttrekken), enz.

En dan waren er natuurlijk de grote zuilengalerijen, de op zichzelf bestaande bouwwerken, zoals de Porticus Octaviae, de Porticus Europae, de Porticus Argonautarum (beide laatsten ontleenden hun naam aan de mythologische gegevens die er op de muur geschilderd waren) en nog heel wat andere porticus.

In de zuilengalerijen kon men 's winters uit de wind wat van de zon genieten en 's zomers kon men er van de koelte van de schaduw profiteren.

In de porticus organiseerde men tentoonstellingen en er waren ook vaak kleine zaaltjes voorzien als declamatiezaal. Daarvan maakten dichters (of personen die er heilig van overtuigd waren dichters te zijn) dankbaar gebruik - of misbruik - om er hun geesteskinderen in de strot te rammen van hun vaak toevallig en zelden enthousiast publiek.
 

d. De kroegen

Tenslotte waren er nog de kroegen (cauponae), de geliefkoosde pleisterplaatsen van het gewone volk. In veel kroegen kon je alleen drinken, in andere kon je ook nog een warm prakje eten. Van beide soorten kroegen waren er ontelbare, over de hele stad verspreid.

Een kroeg bestond meestal uit twee ruimten. De ene gaf uit op de straat en was voorzien van een gemetselde toonbank, waarin plaats was voor wijnvaten en waarop houtskoolvuurtjes konden staan voor de eventuele warme prak of voor het verwarmen van wijn: de Romeinen hielden van warme wijn met honing en kruiden. De andere ruimte van de kroeg was, indien ze niet diende als woonruimte voor de herbergier (caupo), bestemd als ruimte om te zitten. Daar kon men dan zijn warme maaltijd verorberen of zich bezighouden met kansspelen, die op de openbare weg verboden waren.

De kroegen van Pompei geven een goed beeld van wat alle kroegen in het Romeinse rijk geweest zijn: vaak bedompte, vettige lokalen, druk bezocht door alle lagen van de bevolking die zich niet te goed vonden om zich daar te laten zien. Op de gevel was reclame geschilderd voor wat het etablissement te bieden had. Dat kon variëren van drank over voedsel tot vrouwelijk (of mannelijk) gezelschap... De herbergiers werden in de literatuur vaak ten tonele gevoerd als volmaakte schurken; dat zulks niet steeds ten onrechte geschiedde, moge blijken uit de Romeinse wetgeving die ten opzichte van herbergiers echt draconisch was.

Terug naar de inhoudsopgaaf