Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

2. HET SCHOUWTONEEL: DE STAD, HAAR GEVAREN EN HAAR ONGEMAKKEN

C. NACHTELIJKE GEVAREN

En dat lawaai hield, zoals reeds uit Martialis bleek, ook 's nachts niet op. Caesar (100-44 voor Christus) had immers verordend dat er overdag geen verkeer meer toegelaten was in de straten van Rome, behalve wagens die bouwmateriaal transporteerden. Al het andere verkeer wachtte aan de talrijke stadspoorten tot zonsondergang; en dan begon de invasie van de stad...

Lange rijen grote, knarsende, piepende, krakende vrachtwagens kwamen van overal de stad binnen donderen, in de (ijdele) hoop snel de plaats van bestemming te bereiken... Het duurde meestal niet lang of die wagens zaten klem in eindeloze verkeersopstoppingen in de nauwe, bochtige straatjes van het oude Rome. Gedaan was dan wel het oorverdovend lawaai van de wagens, maar nu hielden de kletterende ruzies van woeste wagenbestuurders de omwonenden uit hun slaap.

Dan waren er ook reiskoetsen, die soms een hele dag aan de ene poort hadden moeten wachten om pas bij valavond langs een tegenoverliggende poort te kunnen verder reizen (Rome bezat immers nog geen ringbaan!). Die reiskoetsen ratelden razend snel door de stad, op hun gevaar verwekkende tocht doorheen het in duisternis gehulde Rome begeleid door de godslasterlijke verwensingen van niets vermoedende passanten die er bijna door vermorzeld waren.

Wie dus, vrij logisch maar enigszins naïef, had gedacht dat in Rome de nacht viel om de Romeinen slaap te gunnen, komt wel bedrogen uit... Want behalve het verkeer dreigden er ook andere nachtelijke gevaren in het in dichte duisternis gedompelde Rome. Zwaaiende, zwalpende drinkebroers bleven zwijmelend aan de zwier tot de ochtend aanbrak. In rossige steegjes lokte de lonkende ontucht. Al wie om een of andere reden, of om vele redenen, het daglicht schuwde, was 's nachts op pad. Baldadige rollers wilden mordicus iemand in mekaar timmeren en daagden daartoe alle voorbijgangers uit die ze dachten de baas te kunnen. In louche kroegen werd in loens gezelschap gezopen en gespeeld, wat natuurlijk vaak tot hoogoplopende en heel luid klinkende ruzies leidde. Jongelui van goede komaf stelden zich, beschermd door het nachtelijk duister, ergerlijk brutaal aan. Als ze de huisdeur van hun liefje gesloten vonden, beukten ze soms die deur in en gaven de ianitor (portier) een flink pak rammel. Om gebeurlijke ridderlijke tussenkomsten van edel voelende voorbijgangers in de kiem te smoren droegen de jonge "helden", behalve fakkels, ook breekijzers, koevoeten en zelfs wapens mee. Zulke benden "dappere" jongelui dwongen soms een eenzame voorbijganger op een mantel te gaan liggen, die ze vervolgens bij de uiteinden optilden; de sukkelaar, die erop lag, werd dan met vereende krachten in de lucht gekatapulteerd om vervolgens - als dat tenminste lukte - opnieuw te worden opgevangen; dit leuke spelletje eindigde meestal pas als de speelvogels moe begonnen te worden, of als de naast de mantel gevallen voorbijganger geen pogingen meer ondernam om te vluchten en de pret er dus wel een beetje af was...

Wie je wellicht niet zo direct bij die straatslijpers verwacht had - maar hij speelde wel een leidende rol! - , was keizer Nero. We laten de geschiedschrijver Tacitus even aan het woord (Annales XIII 25):

"Aanstootgevend was waarlijk de brutaliteit waarmee Nero, in slavenplunje vermomd en met een pruik op het hoofd (om niet herkend te worden aan zijn rosse haardos) door de straten van de stad zwierf, van het ene bordeel naar het andere, kroeg in kroeg uit, begeleid door vrienden, die de voor verkoop uitgestalde waren moesten roven of op straat smijten. In het paleis werd dan een markt gehouden, waar de buit bij opbod verkocht werd; met het geld van die verkoop gingen ze de volgende avond opnieuw op zwier.
Nog een gegeerde vorm van vermaak was mensen, die van een etentje naar huis terugkeerden, bont en blauw te slaan. Wie daarbij weerstand bood, werd tegen de grond geknokt en in de dichtstbijzijnde riool gesmeten. Omdat veel mensen geen flauw vermoeden hadden dat het de keizer zelf was die hen overviel, gebeurde het dat Nero zelf ook klappen kreeg en er 's anderendaags nog de sporen van op zijn gelaat droeg...
Zo liep, op een nacht, een jongeman uit de senatorenstand, Julius Montanus, de keizer tegen het lijf. Omdat Nero hem aanviel, sloeg Montanus hem hardhandig van zich af, waarbij Nero's pruik afviel. Dan herkende Montanus de keizer en bood zijn verontschuldigingen aan; desondanks werd hij gedwongen zelfmoord te plegen omdat hij, bij het aanbieden van zijn verontschuldigingen, de indruk had gewekt Nero een verwijt te maken.
Nero was echter bang geworden door dit voorval en in 't vervolg liet hij zich escorteren door vermomde soldaten en gladiatoren. Die moesten de zaken op hun beloop laten als het door Nero uitgelokte relletje er onschuldig uitzag en op een banale ruzie leek. Maar als de mishandelden zich krachtdadiger durfden verzetten, moesten ze met de wapens ingrijpen."

Spelbrekers bij deze vormen van nachtelijk vermaak waren de vigiles, de nachtwakers, een door Augustus in het leven geroepen korps. Alle gestoei werd gestaakt als de bezige jongelui in de verte de martiale pas hoorden van een naderbijkomende patrouille. Deze in totaal 7.000 vigiles hadden een politionele taak (ze moesten ordeverstoring beletten en verdachte personen voorleiden), maar hun hoofdopdracht was erop letten dat er geen branden uitbraken die, omdat ze te laat werden opgemerkt, zware gevolgen konden hebben. De vigiles liepen dan ook door de stad gewapend met een emmer en een bijl, om desgevallend dadelijk aan het blussen te kunnen gaan.

Het gevolg van al deze nachtelijke activiteiten was dat het voor gewone mensen nogal moeilijk was om 's avonds in slaap te raken, en als ze dan al in slaap gesukkeld waren, het nog moeilijker bleek om in slaap te blijven... Daarvan kan de satiredichter Juvenalis ook meepraten (Satire III, passim):

"Welk huurhuis in Rome kan je slaap garanderen? Slaap is in Rome een onbetaalbare luxe!"

Ook Martialis merkt, in hetzelfde verband, bitter op (Pigrammen XIII 57):

"In Rome slaap je zeer goed. Maar dan wel alleen in de huizen van de rijken: die hebben immers het platteland in hun eigen huis! Daar, in de knusse hoekjes van hun paleizen, daar woont de slaap! Daar verstoort geen geluid de stilte! Maar ik ... ik word wakker gehouden door de lachsalvo's van al wie er door mijn straat passeert en soms heb ik de indruk dat heel Rome aan mijn bed staat."

Terug naar de inhoudsopgaaf