Terug naar de inhoudsopgaaf

ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN ROME

4. DE VIERDE EN DE DERDE EEUW VOOR CHRISTUS

In het begin van de vierde eeuw voor Christus kwam de stad de terugval van de vorige eeuw stilaan te boven. Rome kon inderdaad, na een beleg van tien jaar, zijn gevaarlijkste rivaal, het Etruskische Veii, in 396 veroveren. Maar luttele jaren later, in 390, overspoelden plunderende Galliërs de stad. Veel invloed had de door de geschiedschrijvers schromelijk overdreven "verwoesting van Rome" evenwel niet: er zijn niet eens archeologische sporen van teruggevonden, behalve dan de versterking van de Serviaanse muur (van 377 tot circa 350).

In die vierde eeuw leefde ook de bouwactiviteit in Rome op. Grote bouwwerken verrezen op de Palatinus en de Capitolinus, alsook heel wat tempels. Twee van de tempels van het Largo di Torre Argentina kunnen ons een idee geven van wat in die periode tot stand kwam. De hoge toppen die de Romeinse verwezenlijkingen toen scheerden, mogen onder meer blijken uit de aanleg van de eerste heirbanen, waaronder de Via Appia, en uit de bouw van het eerste aquaduct, de Aqua Appia, begonnen in 312 door de censor Appius Claudius Caecus.

Reeds van in het begin van de vijfde eeuw hadden Griekse kunstenaars in Rome gewerkt, maar nu groeide hun aantal aanzienlijk. Dit bewijst dat de Romeinen op het einde van de vierde eeuw, cultureel gezien, perfect in staat waren Griekse kunstwerken naar waarde te schatten. Ateliers waar aardewerk werd geproduceerd, begonnen te werken in Rome en hun producten werden over zowat het hele westelijke bekken van de Middellandse Zee uitgevoerd. Bronzen beelden kregen hun plaats in het stadsbeeld; ze waren het werk van kunstenaars uit Magna Graecia, het Grieks sprekende zuiden van Italië. Eén van de bekende beelden is de Brutus (thans in de Musei Capitolini). In 296 werd het vierspan van terracotta, werk van de Etrusk Vulca, dat tot dan toe de nok van de tempel van Jupiter had versierd, vervangen door een bronzen vierspan.

Chronologisch valt deze periode samen met de verovering van Italië (dankzij de Samnitische oorlogen en de oorlog tegen Tarente en koning Pyrrhos) en met de verovering van Sicilië en Sardinië (dankzij de Punische oorlogen). De Romeinse staat steunde, bij deze veroveringen, op de klasse van de boeren met kleine en middelgrote bedrijven, die de kern van het leger vormden. Naar deze periode, die later fel geïdealiseerd werd, wordt doorgaans verwezen wanneer er sprake is van de "goede en edele tijd van de Republiek": een arme, boerse stad, niet "besmet" door de Griekse beschaving... Een totaal verkeerd beeld van het toenmalige Rome, dus!

Terug naar de inhoudsopgaaf