Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Het vervolg van Aeneas' reis

Vervolg van Aeneasí reis

De Trojaanse schepen waren Scylla en Chayrbdis al roeiend voorbijgevaren. Toen de Italiaanse kust in zicht was, sloeg een storm hen uit de koers, naar Afrika. Aeneas en zijn mannen waren niet alleen welkom bij Dido, ze was ook erg op Aeneas gesteld. Zijn plotse vertrek greep haar zo aan dat ze geen andere uitweg zag dan zich op het zwaard te werpen op een voor de schijn ontstoken brandstapel: omdat ze zelf bedrogen was, bedroog ze iedereen door zich op het zwaard te werpen.

Na Didoís dood vluchtte Aeneas weg uit het nieuwe Carthago. Voor de tweede maal kwam hij op SicilÔe op de Eryxberg en bij zijn trouwe vriend Acestes eerde hij zijn vaders graf met offergaven. Op bevel van Juno zorgde Iris ervoor dat Aeneasí vloot bijna verbrand werd. Niet alleen Carthago liet hij achter, hij liet ook Aeolus, dat rookte van de hete zwavel, en de rotseilanden van de Sirenen achter. Aeneasí vloot die het laatste deel van de reis zonder stuurman moest afleggen, kwam nu voorbij Inarime, Procyte en de Pithecusen.

De Pithecusen waren dorre heuvels die genoemd waren naar de apenstam die er leefde. Jupiter was woedend over de leugens die de Cercopen vertelden. Hij veranderde dat verradersvolk in een lelijke diersoort, een diersoort die geen mens meer was maar toch nog menselijke trekken had. Hij gaf hun een kleinere gestalte en veranderde hun neus vanaf hun voorhoofd in een apenneus. Hun gladde mensenhuid veranderde hij in oude-vrouwen rimpels. Een vacht met bruinachtige haren groeide nu op hun huid en de rotsen waren hun woonplaats geworden. Wel ontnam hij hun spraak, waarmee ze vroeger valse leugens verteld hadden; enkel een klaagstem, een schor gekrijs liet hij over.