Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Van Aeneas' aankomst in Latium tot zijn dood

Aeneas’ voedster krijgt een graf op de kust van Italië

De urn van Aeneas’ voedster werd bijgezet met op een marmerplaat dit kort gedicht: "Hier ligt Caieta. Door een vrome held, haar pleegzoon, werd ze gered uit Griekse vlammenzeeën en met dodenvuur geëerd."

De Trojanen bereiken Latium

De trossen werden nu losgegooid en de kruidenrijke oever verlaten. Circe’s wereldbefaamde listen en paleis waren ver achter hen toen ze de bossen bereiken waar de Tiber met zijn lichte zandsoort door dichte nevels naar de zee stroomt; ze kregen onderdak van Faunus’ zoon Latinus. Met zijn dochter huwde Aeneas, maar dat kon alleen na oorlog tegen het woeste volk van Turnus, die de hem beloofde bruid in woede opeiste; heel Etrurië en Latium vochten een lange en moeizame strijd voor een zwaar bevochten overwinning. De beide partijen werden sterker door bondgenoten in te roepen, veel troepen hielpen de Rutuliërs, veel de Trojanen; Aeneas had succes, toen hij Euanders stad bezocht; Venulus had echter geen geluk bij de verbannen Diomedes.

Diomedes weigert hulp aan de Rutuliërs

Diomedes had in Apulië voor Daunus een stad gebouwd die vergelijkbaar was met een grote burcht. Zelf woonde hij op een stuk land, dat hem geschonken was. Turnus wou een oorlog beginnen tegen Daunus en daarom stuurde hij Venulus om hulp naar onze Griekse held. Die weigerde echter deze opdracht omdat hij zich niet wou meten met Daunus’ mannen en omdat hij het niet zag zitten een eigen leger te bewapenen. Maar hij weigerde ook vanwege zijn armoede.

"Denk niet dat ik iets verzin. Hoewel spreken over mijn lot me weer pijn doet, zal ik het je toch vertellen. Toen de hoge burcht van Troje in de as lag, toen de Griekse plunderaars hun slag thuisgehaald hadden en Ajax door het roven van Cassandra - de priesteres van Apollo - ons allen de wraak van Minerva op de hals gehaald had, dreef de Griekse vloot uiteen. Door de tegenwind kwamen we in woelig water... We moesten noodweer, onweer, hevige winden, bonkende golven en - ergst van al - een schipbreuk bij Caphareus trotseren… Met dit triest verhaal wil ik je niet vermoeien, maar wat toen gebeurde, zou zelfs Priamus tot tranen toe hebben bewogen! Gekoesterd door Minerva werd ik uit zee gered. Toch werd ik daarna verbannen uit mijn stad Argos. Dit kwam omdat Venus haar wrok om oude grieven niet kon vergeten.

Tijdens de Trojaanse oorlog was ze zelf op het slagveld verschenen en ik heb haar verwond… Ik moest opnieuw zoveel kwellingen doorstaan dat ik mijn gezellen die bij die grote storm rond kaap Caphareus waren omgekomen, gelukkig prees en een van hen had willen zijn! Mijn makkers, die uitgeput waren na talloze gevaren op zee en gevechten op het land, verlangden niet langer dat zwerven, ze wilden rust. Acmon, een van hen, toch al heetgebakerd maar nu door die rampen verbitterd, zei: ‘Wat, mannen, kan nog zwaarder zijn dan dit? Wat kan Venus nog doen, als ze nog erger wil? Zolang een man iets ergers vreest, is hij nog kwetsbaar. Maar wanneer hij het slechtste heeft meegemaakt, staat hij boven angst omdat hij gehard is voor iedere kwelling. Laat Venus mij maar horen, laat haar haat, want haten doet ze, ons allen treffen, niemand van ons wordt erdoor geraakt en dat is ons sterkste wapen!’

Met deze woorden prikkelde Acmon de toch al boze Venus en maakte haar kwader dan ooit tevoren. Maar ook wij, zijn vrienden, keurden zijn woorden af. Toen hij zich wou verdedigen, werden zijn stem en zijn keelgat steeds dunner, zijn haar werd dons, zijn nieuw gevormde nek, zijn borst en zijn rug waren bedekt met veren, ook aan zijn armen groeiden er lange pluimen die tot vleugels bogen bij zijn elleboog. Een groot deel van zijn voet bestond nu uit vogeltenen en zijn mond liep uit in een punt en vormde nu een stijve, harde snavel. Verbaasd keken Lycus, Idas, Abas, Nycteus en Rhexenor toe, maar terwijl ze keken werden zij ook zo’n vogel en voor ik het besefte, vloog het grootste deel van mijn bemanning weg en scheerden ze met luid klappende vleugels rakelings langs de riemen. Als je me nu vraagt welke vogel het was, dan antwoord ik dat het geen zwanen waren, maar ze waren ook wit en ze leken er sterk op. Dit is het einde van mijn verhaal. Ik leid op dit moment een wat krap bestaan met enkele makkers op dorre Apulische grond die Daunus me bij mijn huwelijk aanbood."

Venulus had begrepen dat Diomedes niet wilde meewerken aan Turnus’ plan, dus zei hij diens rijk vaarwel en reisde door naar Percutia en kwam in het gebied van de Messapiërs.

Het verhaal van de Apulische herder

Onderweg zag Venulus een grot, beschaduwd door een dicht bos en heen en weer zwiepend riet. Deze grot werd nu bewoond door Pan, de god met bokkenpoten, maar vroeger werd ze bewoond door nimfen die uit Apulië waren gevlucht voor een herder. Hij had hen eerst zeer bang gemaakt, maar toen ze van de eerste schrik bekomen waren, merkten ze dat hij eigenlijk vredelievend was. Toch bleef hij hen volgen als ze lichtvoetig ronddansten, waarop hij hen belachelijk maakte door met plompe sprongen mee te dansen en obscene woorden naar hun hoofd te slingeren. Hij hield pas zijn mond toen zijn keelgat door een oleaster werd omsloten, de oleaster die ons met zijn bitter sap zijn ware aard laat zien: de bitter smakende vruchten herinneren nog steeds aanzijn woorden…

De schepen van Aeneas veranderen in waternimfen

De Rutuliërs zetten ook zonder bondgenoot-schap met Diomedes de strijd voort. Aan de beide kan

ten stroomde veel bloed. Turnus wierp zijn brandende fakkels al naar de schepen van Diomedes; die werden nu door brand bedreigd vanwege de pek en de was… Het vuur klom in de mast tot boven de zeilen en het dek boven de gewelfde kiel braakte rook uit. Maar toen bedacht Cybele, de Godenmoeder dat dit hout geveld was op haar Idaberg en ze deed het luchtruim schallen van cimbalen en buxusfluiten terwijl ze op haar leeuwenwagen langs de hemel reed; ze riep Turnus toe: "Je hand is goddeloos, je vuur vergeefs! Want ik bescherm wat uit mijn bossen komt! Nooit zal ik toestaan dat mijn hout door vretend vuur vergaat!"

Terwijl de godin dit zei, klonk een donderslag, gevolgd door zware regenval met kletterende hagelbuien; Astraeus’ zoons - de winden - mengden lucht en zee, die opeens hoog opgezweept werd. Cybele gebruikte de kracht van een van de winden om de ankertouwen van Aeneas’ vloot te breken; ze joeg de schepen voort, deed ze op volle zee vergaan, maar hun doorweekt hout veranderde in een levend lichaam: de ronde achterstevens kregen de vorm van een hoofd, de riemen werden handen, de voeten maken zwemgebaren; wat scheepsflank was, bleef flank. De balk die onder water de romp in het midden steunde, veranderde nu in een ruggengraat; de masten werden armen, touwen werden zacht, soepel haar. Maar de kleur bleef onveranderd zee-blauw - als blauwe waternimfen vermaken de vroegere oorlogsschepen zich meisjesachtig in diezelfde zee die eerst hun grote schrik was…

Uit hard hout van de Idaberg waren ze geboren, maar in het strelende water voelden ze zich thuis, ze werden niet gehinderd door hun oorsprong. Maar door hun ervaring met de gevaren op zee bieden ze schepen in nood nog vaak hulp omdat ze weten wat het betekent om verscheurd te worden door een allesvernietigende storm. Aan alle schepen bieden ze hulp, behalve aan Griekse! Na de val van Troje vervullen de Grieken de Trojanen met haat. Gelukkig als nooit tevoren hebben ze naar Odysseus’ schipbreuk gekeken en al even gelukkig het vaartuig van Alcinoüs met hout en al tot rotssteen zien verharden. Het was een schip van de Phaeaken dat Odysseus uiteindelijk naar Ithaca bracht en op de terugreis in een rots werd veranderd...

Turnus, Aeneas’ vijand, wordt verslagen

Toen Aeneas’ vloot in waternimfen was veranderd, bestond de hoop dat Turnus door zo’n angstaanjagend teken de strijd zou staken; maar hij wist niet van ophouden. Omdat elk leger vocht met godenhulp en godgelijke moed, deed hij hetzelfde. Het ging niet eens meer om macht in Latium of om Latinus’ dochter Lavinia: men wou alleen nog winnen, men voerde oorlog omdat men zich schaamde voor vrede… Maar uiteindelijk kwam Aeneas toch als overwinnaar uit de strijd.

Zodra Turnus gevallen was, viel ook de stad Ardea die alleen haar macht aan Turnus dankte. Toen ze totaal verwoest was door vijandelijk vuur en veranderd was in een lauwe ashoop, vloog er midden uit het puin een nooit geziene vogel op. Hij schudde klapwiekend wolken as af. Zijn krijgsgeluid, zijn bleek en tenger lijf en al de rest wat bij een vesting past die pas na lang beleg gevallen is, leeft in hem voort: het is de reiger, genoemd naar zijn stad Ardea - wat immers "reiger" betekent; hij rouwt door het geluid van zijn vleugels.