Uit LIBER QUINTUS

Triptolemus

Triptolemus brengt graan naar de Scythen

Hier eindigde Arethusa haar verhaal. Ceres, de godin van het graan, spande twee draken voor haar wagen en reed door de lucht, tussen aarde en hemel in. Ze stuurde het lichte voertuig naar de stad Athene. Daar gaf ze een opdracht aan Triptolemus: hij moest het zaad dat hij van haar kreeg, in grond die nog nooit bebouwd was of in braakland zaaien.

De jongen had al via Europa de kust van Azië bereikt en vloog nu verder naar het land waar de Scythen wonen. Daar regeerde koning Lyncus. Toen de jongen het paleis van Lyncus betrad en die hem vroeg waar hij heen ging, wat zijn doel was, wat zijn naam was en waar hij vandaan kwam, antwoordde hij: "Mijn vaderstad is het machtige Athene, mijn naam is Triptolemus. Ik ben noch over zee, noch over land gekomen, ik ben hierheen gevlogen. Ik breng een geschenk van Ceres. Zaai deze korrels op je wijde akkers: ze zullen je een rijke graanoogst opleveren."

De Scythische koning, die natuurlijk jaloers was omdat hij liever zelf de gever van zo'n geschenk had willen zijn, nodigde Triptolemus uit om in zijn huis te overnachten.

Toen zijn gast in slaap gevallen was, trok Lyncus zijn zwaard. Hij wou het in Triptolemus' borst stoten, maar Ceres veranderde hem in een lynx... Zij gebood Triptolemus de luchtreis in zijn goddelijke wagen voort te zetten.»
 

Einde van de zangwedstrijd tussen de muzen en Piëriden

Calliope, de oudste van ons, muzen, had haar lied gebracht. Alsof het uit een mond kwam, klonk het unanieme oordeel van de nimfen die de jury vormden: de muzen van de Helicon hadden gewonnen! De Piëriden aanvaardden echter hun nederlaag niet, dus riep ik: 'Is jullie straf in deze wedstrijd nog niet genoeg? Hoe meer jullie schelden, hoe meer schuld jullie dragen. Ons geduld raakt op! We zullen ons wreken en onze wraak zal even ver gaan als onze wrok!'

De Piëriden lachten spottend met mijn dreigementen. Ze wilden scheldwoorden roepen en met brutale gebaren beginnen vechten, maar toen merkten ze dat er veren uit hun nagels groeiden. Hun armen werden bedekt met dons, hun mond verhardde tot een snavel; dat zagen ze bij elkaar gebeuren. Ze trokken als nieuwe vogels naar het bos...

Als ze nu willen klagen, stijgen ze op door het slaan van hun vleugels. Daar hangen ze dan, die spotvogels van het woud, de eksters. Ze hebben dat talent van vroeger om te kletsen, die oneindige babbelzucht behouden."