Uit LIBER SEPTIMUS

Theseus

Medea tracht Theseus te doden

Aigeus had een onbekende zoon, Theseus. Kort daarvoor had Theseus de zee-omspoelde Isthmus tot rust gebracht. Om hem te doden mengde Medea gif: wolfswortel, dat zij uit haar Scythisch land had meegenomen... Ze zeggen dat die plant gegroeid is uit het kaakschuim van Echidna's hond. In een spelonk met donkere diepten verdwijnt een dalend pad; daar trok ooit Hercules Cerberus omhoog aan ketens.

De hond wendde zich af van het daglicht en de scherpe zonnestralen. Eenmaal op de bovenwereld blafte hij woedend met zijn drie koppen zodat hij witte vlokken schuim sproeide over de groene velden. Er wordt verteld dat het schuim stolde en kwade krachten kreeg in de voedzame bodem. Daar groeit die giftplant, wolfswortel, op rotsgrond en wordt ze door boeren akoniet genoemd. Welnu, dit sap reikte ze Theseus aan in de overtuiging dat hij een vijand was. Theseus hief nietsvermoedend de beker op, maar Aegeus zag het familiewapen in het wit-ivoren zwaard van zijn zoon en sloeg de dodelijke drank van zijn mond weg; Medea ontkwam aan haar dood door zich in nevels te hullen.
 

Theseus gevierd

Enerzijds was de vader blij dat hij zijn zoon gered had, maar hij was ook geschokt dat deze moordpoging bijna gelukt was... Hij offerde aan de goden vele geschenken, waaronder talloze runderen. Men vertelde dat men in Athene nooit meer zo had gefeest als op die dag. Het arme volk en de adel genoten samen van de maaltijden en eerden, onder invloed van de wijn, Theseus met een lied:

"Jij bent, verheven Theseus, de roem van Marathon sinds je er stierenbloed liet vloeien; en dat in Cromyon weer boeren ploegen zonder angst voor het everzwijn, dat is jouw werk! Heel Epidaurus zag hoe Vulcanus' zoon, die reus met zware knots, door jou geveld werd; bij de Cephisus-stroom zag men de schurk Procrustes omkomen en in Ceres' stad Eleusis Cercyon. Jij doodde Sinis, die door zijn enorme kracht veel schade aanrichtte: hij kon de dennenbomen met hun top tot op de bodem krom buigen om vervolgens mensen met wijde zwaai uiteen te scheuren. Ook de weg naar Megara is veilig nu Sciron is geveld, die struikrover. Zijn resten zijn verstrooid: hij mocht geen graf op zee, geen graf op aarde krijgen, maar is na lang dolen tenslotte versteend tot stukken rots; men spreekt nog steeds van Scirons rotsen. Als wij jouw heldendaden willen eren, jaar na jaar, zouden er veel meer daden zijn dan jaren! Dappere Theseus, onze gebeden gelden jou, jou eren wij met wijn!"

Het volk applaudisseerde bij het horen van dit lied, bewonderaars slaakten wenskreten en overal in de stad heerste vreugde.
  

Athene wordt door Minos van Kreta met oorlog bedreigd

Vreugde is zelden volmaakt, maar geluk wordt nog vaker verstoord door onrust. Aigeus kon zelfs niet zorgeloos genieten van de behouden terugkeer van zijn zoon omdat Minos dreigde met oorlog. Minos had al een leger en een grote vloot, maar uit woede om zijn gestorven zoon Androgeos verzamelde hij nog legers van bevriende staten.

Hij voer zo ver over zee als zijn macht zich uitstrekte, naar Anaphe en Astypalaea; Anaphe won hij door beloften, Astypalaea won hij door strijd; dan schaarden het kleine Myconos en Cimolos met zijn krijtrotsen zich aan zijn zijde, gevolgd door de vlakten van Seriphos, door Syros (een plaats waar de tijm sterk geurt), door het marmereiland Paros en in Thrakië door de stad die Arne (een slechte, inhalige vrouw die veel goud vroeg) aan hem verraden had, maar nadat ze dat goud gekregen had, veranderde ze plots in een ekster, met zwarte poten en zwarte vleugels, een vogel die nog altijd naar goud pikt. Didyme, Oliarus, Tenos en Andros haakten af; ook Peparethus, rijk aan olijven, en Gyarus hielpen de vloot van Kreta niet. Daarom veranderde Minos zijn koers en voer naar links naar het rijk van Aiacus, Oenopia. Vroeger heette het zo, maar Aeacus heeft het land naar zijn moeder Aegina laten noemen.
 

Minos vraagt het eiland Aegina zijn bondgenoot te zijn in de oorlog tegen Athene

De mensen stroomden toe, want ze wilden die wereldberoemde koning wel eens zien. Prins Telamon ging Minos tegemoet, gevolgd door zijn broertje Peleus en de derde zoon Phocus; tenslotte kwam Aeacus naar buiten, traag door zijn ouderdom, en hij vroeg Minos waarom hij was gekomen. Minos, de heerser over honderd steden, zuchtte van smart omdat z'n vaderhart opnieuw de pijn voelde en antwoordde: "Ik smeek je, steun mijn strijd omwille van mijn zoon en doe mee aan de vergeldingstocht waarmee ik troost zoek voor een dode!"

Maar Aeacus zei: "Je vraagt iets wat niet kan, iets wat mijn stad niet mag doen, want geen land is nauwer verbonden met Athene dan het mijne, en ons verdrag is hecht." Teleurgesteld ging Minos weg maar riep nog: "Dat verdrag komt jullie duur te staan!" - want hij vond het nuttiger om te dreigen dan nu al oorlog te voeren en zo op voorhand krachten te verspillen.