Uit LIBER QUINTUS DECIMUS

Slotgebed en slotwoord van de zelfbewuste dichter

Ik richt me tot alle goden: tot de Penaten die Aeneas meebracht uit de brand, tot onze eigen goden, tot Romulus, onfeilbare vader van onze stad, tot Mars, vader van Romulus, tot Vesta, die aan Caesars haard geŽerd is, tot Apollo, evenhoog geŽerd als Vesta, tot Jupiter die het verheven Capitool bewoont en tot elke andere god die religieus geÔnspireerde dichters vermeld hebben! Ik vraag hen een ding: ik wou dat Augustus pas na mijn eigen dood zou sterven, pas na mijn dood zijn wereldrijk zou moeten verlaten en zal opstijgen naar de hemel, en dat hij van daar zijn biddend volk zou beschermen!

Slotwoord van de dichter

Ik heb een werk voltooid dat nooit door vuur vernield kan worden, noch door strijd of door de tand des tijds. Nu mag het uur aanbreken dat alleen mijn lichaam wegneemt en mij mijn onvoorspelbaar einde brengt. Dan zal mijn ziel voor eeuwig tussen de sterren zweven en zal mijn naam onvergankelijk zijn. Tot in de verre landen, waar Romeinse macht zal heersen, zal men mijn werk lezen en ik zal door alle eeuwen heen - als dichterswoorden waarheid zijn - roemvol blijven leven.