Uit LIBER TERTIUS DECIMUS en QUARTUS DECIMUS

Het verhaal van Polyphemus en Galatea in dat van Scylla

Scylla

Scylla beloerde hen van rechts, van links dreigde Charybdis die schepen roofde, opslokte en weer uitspuwde. Scylla had een onderlichaam dat begroeid was met blaffende hondenkoppen. Ze had wel een vrouwenhoofd en als niet alles wat dichters zeggen gelogen is, dan was zij ooit een vrouw. Veel minnaars dongen naar haar hand. Zij wees hen allen af; daarna ging ze aan de waternimfen die graag naar haar luisterden, vertellen hoe ze zo’n verliefde vrijer had afgeschud. Op een keer, toen ze het haar van Galatea mocht kammen, zuchtte Galatea enkele malen diep en zei haar: "Jij heb ten minste nog beschaafde minnaars die je ongestraft kunt afwijzen, wat je ook doet. Maar ik, een kind van Nereus zelf, door de zeegodin Doris gebaard en veilig omringd door mijn zusters, kon de Cycloop die naar mijn hand dong, slecht met veel verdriet afwijzen..."

Tranen beletten haar om verder te spreken. Ze veegde die met helderwitte hand weg; toen zei Scylla troostend tegen de nimf: "Vanwaar komt dit leed, lieve vriendin? Verberg het niet. Je weet dat je kunt rekenen op mijn discretie!" Hierop vertelde Nereus’ dochter haar verhaal aan Scylla.

Polyphemus, Galatea en Acis

"Acis, zoon van de waternimf Symaethis en van Pan, werd door zijn vader en moeder diep bemind, maar nog veel meer door mij. Hij alleen had mijn hart gewonnen, zo mooi was hij! Hij was pas zestien jaar oud; zijn jongenswangen werden beschaduwd door een beginnende baard. Ik hield alleen maar van hem maar de cycloop hield van mij...

Als je mij vraagt wat sterker was, mijn haat voor de cycloop of mijn verliefdheid voor Acis, dan zal ik je dit vertellen: beide gevoelens waren even sterk. Ach, Moeder Venus, jij regeert over een waarlijk groot gebied, want die barbaarse cycloop die zelfs bossen doet huiveren, die elke vreemdeling met een wrede straf ontvangt en de goden op de machtige Olympus minacht, voelde nu liefde... Hij werd door felle liefdegloed verschroeid, hij dacht niet langer aan zijn vee en aan zijn grot. Nee, Polyphemus zat zich op te doffen, hij wou mij zo graag behagen. Hij kamde met een hark zijn stugge haren en snoeide zijn ruige baard met een soort kapmes. Steeds opnieuw moest hij zijn woeste kop in het water spiegelen en fatsoeneren. Zijn moordlust, zijn wrede kracht en zijn niet te stillen dorst naar bloed verdwenen; schepen konden veilig aanmeren en vertrekken.

In die tijd verbleef ook Telemus, Eurymus’ zoon, aan de voet van de Etna op Sicilië. Hij was een ziener die de vogels begreep. Hij kwam bij de cycloop Polyphemus en zei: ‘Dat ene oog in je hoofd zal door Odysseus worden verblind...’ Maar smalend riep de ander: ‘Slecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij al lang verblind!’

En daarmee luisterde hij niet naar de waarheid en liep met zware stap langs het strand, tot hij moe werd en naar zijn duister hol terugkeerde. Er stak een wigvormige klif met een lang gerekte punt in zee die aan elke kant omspoeld werd door golven. De woeste Cycloop klom daarop en zette zich neer. Hij lette niet op de wollige schapen die hun meester gevolgd waren. Hij liet de boomstam die hij bij zich had en die erg leek op een mast voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten en greep zijn rietfluit die uit wel uit honderd stengels was samengevoegd. De hele streek en ook de zee kon nu van zijn herderlijke muziek genieten. Ook ik, die verscholen zat in een grot; ik ruste tussen de benen van mijn geliefde Acis; daar kon ik Polyphemus ondanks de afstand goed verstaan.

‘Jij, Galatea, bent witter dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Jij schittert mooier dan glas en bent speelser dan een levendig geitje, jij voelt gladder aan dan schelpen in de zee die door de golfslag zijn opgeblonken. Je bent aangenamer dan de winterzon en de schaduw in de zomer, rijker dan palmen en sierlijker dan een groeiende plataan. Jij bent helderder dan ijs, zoeter dan rijpe druiven en zachter dan zwanendons. Je bent frisser dan een goed besproeide tuin...

Ik wil niet dat je me ontglipt, want je bent ook wreder dan een stier, harder dan oeroud eikenhout en bedrieglijker dan water. Je bent ook taaier dan wilgentakken of de rank van een witte wingerd en kouder dan deze rots. Je bent nog woester dan een bergstroom, trotser dan veelgeprezen pauwen en pijnlijker dan vuur. Je bent scherper dan distels, grimmiger dan een berin met jongen en dover dan de zee. Je bent gemener dan een adder in het gras, je zou sneller vluchten dan herten, opgejaagd door luid geblaf en vooral dat laatste zou ik je graag beletten, als ik maar kon... Je bent sneller dan de wind en hun vederlichte briesjes!

Als jij me goed leert kennen, krijg je spijt dat je mij al die tijd ontlopen bent en probeer je mij zelfs vast te houden! Ik heb een grot, die in de stenen bergwand verscholen ligt; in de zomergloed kent ze geen zonnestralen en in de winter voelt ze geen koude. Er groeien vruchten, takken vol, en in mijn wijngaard hangen lange rijen druiven, deels goud glanzend, deels fonkelrood, en beide soorten koester ik voor jou. Aardbeien, rijp geworden onder de rijke schaduw van de bomen, kun je er eigenhandig plukken net als herfstkornoelje en pruimen, niet alleen de donkerblauwe, sappige, maar ook de meer verfijnde soort die goudgeel is als gesmolten bijenwas.

Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit tekort aan heesterbessen noch aan kastanjes; elke boom zal daar je dienaar zijn. En ook dit vee is van mij; veel van mijn dieren dwalen nog over de hellingen, veel in het bos, veel staan er thuis op stal; en mocht je willen weten hoeveel - dat kan ik gewoon niet zeggen: alleen wie arm is, telt zijn schapen...En wanneer je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij me kijken hoe krap hun poten rond de strak gespannen uiers staan. Mijn jonger vee, de lammetjes, zit in de beschutte hokken; in andere hokken zitten bokjes van hetzelfde jaar.

Ik heb altijd voldoende romige melk; een deel bewaar ik om van te drinken en de rest wordt tot kaas verwerkt. Je krijgt van mij speciale troeteldieren, niet alleen wat iedereen aan iedereen geeft: reeën, haasjes, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest. Nee, jij krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen; ze gelijken als twee druppels water op elkaar. Ik vond ze in de hoge bergen en dacht direct: ‘Die zijn voor Galatea.’

Toe, steek je mooie hoofdje nu toch eens uit de blauwe zee, kom, Galatea, kom dan! Wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in helder water en wat ik zag beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van jullie hemelgod, want jullie roepen vaak dat daar een Jupiter regeert, en kijk, mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt. En je mag mijn lichaam, dat dichtbegroeid is met stekelig gewas, niet lelijk vinden! Bomen zonder blaadjes zijn lelijk, een paard is lelijk als zijn nek geen blonde manen draagt, vogels dragen een verenkleed, schapen pronken met hun wollige vacht, bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Ik heb een oog in het midden van mijn voorhoofd, maar het is zo groot als een machtig schild. En dan? De grote zon neemt vanuit de lucht toch ook alles waar? En hij heeft maar een ronde oogbol! Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee, door mij word jij Neptunus’ dochter! Toon nu medelijden en luister naar een smekeling!

Ik kniel alleen voor jou; ik die om Jupiter, zijn hemel en fatale bliksems niets geef, ik aanbid jou wel, een kind van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur, en ik zou die nog verdragen als je alle mannen negeerde. Waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen cycloop omhelzen en Acis wel? Die mag dan blij zijn met zichzelf en jij met hem - helaas - maar Galatea, als ik de kans krijg, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart.

Ik zal zijn levende organen uitrukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee, jouw zee, dan is hij toch weer bij je...Want ik brand van liefde en mijn liefdesvuur laait hoger op door liefdespijn: het voelt alsof mijn hart de Etna met zijn vuur meesjouwt. Maar jij blijft ongevoelig, Galatea...’

Ik kon alles goed zien; Polyphemus stond na deze klaagzang op en liep rusteloos rond, als een woeste stier die van zijn koe gescheiden is. Hij zwierf door zijn vertrouwde bossen tot hij me vond, in de schoot van Acis. Wij waren ons van geen kwaad of gevaar bewust.

Maar Polyphemus schreeuwde met een stem die zelfs de Etna deed beven: ‘Ik zie jullie wel, jullie laatste Venusuurtje heeft geslagen!’ Ik dook in mijn doodsangst het water in. Ook Acis sloeg op de vlucht en riep: ‘Help me, Galatea, ik smeek je… Vader! Moeder! Help! Als jullie me niet verbergen in jullie wateren, ben ik verloren!’ Maar de Cycloop zat hem al op de hielen en gooide een rotsblok dat hij uit een berg gerukt had. Acis werd verpletterd, hoewel alleen een hoekje van het gevaarte hem raakte. Ik was machteloos en kon alleen toestaan wat het lot beschikt had: Acis kreeg dezelfde krachten als zijn vader en moeder.

Van onder de rots drupte een felrood bloedspoor, maar na een tijdje begon de kleur van het bloed te veranderen en kreeg het de kleur van een rivier die door een stortbui vertroebeld is en langzaam weer helder wordt. Daarna barstte de rots die Acis gedood had; op die plaats groeiden doorheen de spleten slanke en welige rietpluimen en bruiste water. En - wonderlijk om zeggen - daar verrees plots uit dat water een man, zijn hoofd was omkranst met gevlochten riet. Het was Acis, maar zijn nieuwe verschijning was groter en was waterblauw. Zijn naam bleef bestaan, maar hij was in een rivier veranderd."

De nimfen zwommen weg in de kalme golfslag toen Galatea haar verhaal verteld had. Scylla die de diepe zee vreesde, wandelde op het strand waar ze naakt bleef ronddwalen en af en toe verfrissing zocht in een stille inham van de kust.

Vervolg van het verhaal over Scylla

Vanuit de diepe zee verscheen Glaucus, een nieuwe zeebewoner, die onlangs in Athedon bij Euboea in een zeegod was veranderd. Hij werd hopeloos verliefd toen hij Scylla zag, maar zij rende weg uit angst, ondanks zijn geruststellende woorden; ze zocht een toevlucht op een hoge berg bij de kust. De top van deze berg stak als een spitse punt boven het zee-oppervlak uit en de met bomen begroeide helling liep af naar de zee. Ze voelde zich daar veilig en bleef staan. Van daaruit keek ze verwonderd naar de verschijning waarvan ze niet wist of het een monster of godheid was.

Ze zag zijn kleur en zijn haar dat zijn schouders bedekte; ze zag een vissenstaart die heen en weer sloeg en die zijn onderlijf vormde. Glaucus leunde op een nabij gelegen rots, voelde haar blik en riep: "Ik ben geen monster en ook geen woedend ondier, meisje lief. Ik ben een watergod die evenveel kracht bezit als Proteus of Triton. Ik ben ook een mens geweest maar ik was blijkbaar voorbestemd om in de diepe zee te leven; ook als mens was de zee mijn leven, ik werkte alleen op zee. Daar trok ik mijn netten naar de kust of wierp ik mijn hengelsnoer in zee van op een rots.

Naast die rots lag aan de ene kant een strand dat aan een groene weide grenst; daar groeiden kruiden waarvan nog nooit een koe, een schaapje of een bokje geproefd had; daar had geen bij naar honing gezocht, daar waren nooit bloemen voor een krans geplukt, daar had geen mens een kapmes gehanteerd.

Terwijl mijn vistuig daar lag te drogen, was ik de eerste die de weide betrad. Ik haalde mijn vis uit mijn netten. De ene stapel had ik met mijn net gevangen, de andere had ik met mijn hengel bovengehaald.

Wat toen gebeurde vond ik verdacht, maar daar heb ik nu niets meer aan. Terwijl mijn vangst op het gras lag, begonnen de vissen te glijden, te draaien en te kronkelen op de grond alsof ze in zee zaten. Ik zag mijn hele vangst in zee verdwijnen; ik stond versteld toe te kijken. Toen de vis verdwenen was, vroeg ik me af of er hier een god of toverkruid aan het werk was geweest. Maar ik twijfelde of een kruid zoveel kracht kon bezitten om dit te laten gebeuren; zo stond ik daar nog lang te twijfelen.

Toen plukte ik een handvol gras en zette er mijn tanden in. Nauwelijks had ik de onbekende sappen geproefd of ik voelde een brandend verlangen naar een ander element: water! Blijven staan was onmogelijk; ik riep de kuststreek vaarwel toe en zei: ‘Ik keer hier niet meer terug!’ Dan sprong ik in de diepe zee en liet me door de golven omringen.

De goden namen mij op in hun gezelschap en vroegen Tethys en Oceanus mij van mijn sterfelijkheid te verlossen, wat ik een grote eer vond. Mijn mens-zijn werd me ontnomen door een spreuk die negenmaal werd uitgesproken; daarna kreeg ik de opdracht me in honderd stromen te wassen; onmiddellijk stroomden de rivieren van overal toe om me met hun water te overdekken.

Meer kan ik je niet vertellen want toen verloor ik het bewustzijn. Wat ik je wel nog kan vertellen: na mijn terugkeer voelde ik dat ik iemand anders geworden was, dat mijn geest iemand anders toebehoorde. En als je nu kijkt naar mij, zie je wat ik zag: deze zeewiergroene baard, al dit haar dat ik ver achter mij meesleep over de zee, mijn reusachtige schouders, mijn zilverblauwe armen en mijn voeten die omgebogen zijn tot een vissenstaart. Maar wat ben ik met dit alles, dit lichaam, deze goddelijkheid? Dat betekent niets als jij niet om me geeft!"

Maar Scylla vluchtte voor de god die deze woorden had gesproken en nog zoveel wou zeggen. Boos en bitter om Scylla’s onwil trok Glaucus naar het huis van de tovenares Circe, de titanendochter. De zeegod liet de Etna, die op de nek van een gigant ligt, achter zich. Hij verliet ook het land van de cyclopen en liet Sicilïe ver achter zich. Glaucus zwom krachtig door de Tyrrheense zee naar Circe, de dochter van de Zonnegod. Hij zwom tot bij de heuvels waar haar kruidentuin, haar toverdieren en haar paleis waren.

Ze maakten kennis en daarna zei hij: "Godin, ik smeek je, help mij, een god! Want jij bent de enige die mij kan helpen. En ik ben het waard, geloof me… Niemand, Circe, weet beter dan ik hoe groot de macht van kruiden kan zijn: ik werd immers door toverkruid veranderd. Luister, ik leg je uit waarom ik zo wanhopig ben. Op de Italiaanse kust, recht tegenover de muren van Zancle, zag ik een meisje, Scylla. Ik schaam me diep om hier voor jou opnieuw mijn smeekbeden en mijn afgewezen vleierijen te herhalen. Maar jij, die zo’n macht met toverspreuken bezit, zing voor mij zo’n spreuk. Als echter kruiden sterker en effectiever zijn, gebruik dan hun beproefde krachten. Ik vraag je niet om mij van mijn verliefdheid af te helpen, nee, van mijn verliefdheid genezen is niet nodig; ik wil alleen dat Scylla diezelfde verliefdheid voelt voor mij zoals ik die voel voor haar!"

Maar Circe was in haar hart gevoeliger voor de liefde dan anderen. Ofwel moest je de oorzaak bij haarzelf zoeken, ofwel bij de boze Venus die hiermee het verraad van Circe’s vader, de Zon, gestraft had. Circe richtte zich tot Glaucus en sprak: "Zoek liever naar een vrouw die dezelfde verlangens met jou deelt, iemand die dezelfde hartstocht kent zoals jij die kent! Het is je gegund, en er bestaat een grote kans dat zo’n vrouw vanzelf op jou verliefd wordt. Geloof me, als je haar de kansen biedt, krijg je zo’n vrouw… Ook al ben ik een godin, ook al ben ik de dochter van de gouden Zon, ook al kan ik veel doen met kruid en toverspreuken, toch bid ik je: neem mij tot vrouw! Vergeet Scylla, ze weigert toch, neem mij tot vrouw, ik geef me volledig aan jou! Zo beloon je twee vrouwen met eenzelfde daad!"

Zo probeerde ze hem te verleiden, maar Glaucus antwoordde: "Eerder zal er boomloof uit de zee groeien, eerder zul je zeewier op hoge bergtoppen vinden dan dat ik mijn liefde voor Scylla zal opgeven. Zolang Scylla leeft, leeft de liefde voor haar verder in mij." Circe was diep beledigd, maar omdat ze Glaucus niet kon en niet wou pijn doen in haar verliefdheid, nam ze wraak op Scylla, voor wie zij verstoten was.

Onmiddellijk stampte ze kruiden met uiterst giftige stoffen fijn. Al stampend zong ze de vereiste toverspreuken en hulde zich daarna in een blauwe mantel. Bij het verlaten van het paleis werd ze omringd door een stoet van kwispelende, wilde dieren. Zo ging ze naar Rhegium dat tegenover de stad Zancle ligt. Door de branding ging ze de zee op. Ze liep over het tapijt van golven alsof ze over vaste grond liep; toch bereikte ze haar doel met droge voeten.

Haar doel was een kleine inham in de kust, het plaatsje waar Scylla graag ging rusten omdat ze zich er kon onttrekken aan de gloed van de zon als die haar hoogste punt had bereikt; de zee maakte haar bang, daar durfde ze geen koelte zoeken. Circe vervuilde het water van de baai met haar verderfelijk gif, daarna sprenkelde ze overal schadelijke plantensappen en prevelde duistere toverformules, spreuken vol onbekende woorden. Driemaal negenmaal herhaalde ze dit ritueel van klanken en woorden.

Toen Scylla in de baai aankwam, daalde ze tot haar middel in het water. Plots zag ze dat haar buik en heupen omkronkeld waren door een soort blaffende, zwarte monsters. Eerst dacht ze dat de monsters nog van haar lichaam te scheiden waren; ze probeerde ze vluchtend van zich af te slaan omdat ze er bang van was. Maar terwijl ze wegliep, sleepte ze de vervaarlijk kijkende hondenkoppen mee. Toen ze aan haar dijen, benen en voeten wou tasten, voelde ze die niet meer, ze voelde monsterachtige koppen. Dolle Cerberussen vormden nu haar onderlichaam en dierenlijven kronkelden tot haar buik en heupen die daar misvormd naar bovenuit staken. Scylla’s minnaar, Glaucus, vluchtte in tranen weg nadat hij zag wat Circe had aangericht; hij wou absoluut niet met Circe trouwen. Scylla bleef zoals ze toen was, monsterachtig lelijk.

Maar toen ze de kans kreeg om op Circe wraak te nemen, liet ze die niet liggen. Ze roofde Odysseus’ makkers en als ze niet in een omhoogstekende rots was veranderd zou ze Aeneas’ schepen opnieuw hebben doen vergaan. Nog steeds zeilen stuurlui voorzichtig langs deze klip...