Uit LIBER OCTAVUS

Scylla en Minos

Het Atheens gezantschap onder leiding van Cephalus keert van Aegina terug

Vroeg in de ochtend, in de gloed van warme zonnestralen en bij een aangename zuidenwind, zorgde Cephalus voor de terugreis samen met zijn garnizoen; zo keerden ze eerder dan verwacht naar Athene terug.

Koning Minos van Kreta belegert Megara, de stad van koning Nisus

Minos plunderde steden op de kust bij Megara en testte de sterkte van zijn leger op de stad waar Nisus regeerde. Deze had op het midden van zijn eerbiedwaardig grijs hoofd een haarlok met purperen glans, symbool van en waarborg voor het voortbestaan van zijn machtig rijk. Bij het paleis was er een toren, naast de zogenaamde 'zingende muren', want Apollo had daar, naar men zegt, ooit zijn gouden lier neergelegd, waarna de klank ervan in de steen was blijven naklinken. Nisus' dochter klom daar vaak heen in vredestijd om steentjes naar de muur te mikken - dat klonk zo mooi. Maar ook toen het oorlog was geworden, ging ze nog vaak vanuit die toren kijken naar het harde strijdtoneel.

Zo kende ze de legerleiders bij hun namen, herkende ze wapens, paarden, kleding, bewonderde ze de Kretenzische pijlkokers, maar bovenal kende ze koning Minos, zoon van Europa; ze keek zelfs meer naar hem dan mocht. Ze vond hem oogverblindend! Als hij zijn hooggepluimde helm op het hoofd had, dan was het om die helm dat ze hem bewonderde; hanteerde hij z'n bronzen schild, dan stond juist dat schild zo prachtig; als hij met sterke arm een ranke werpspies slingerde, kraaide ze van bewondering om zijn kracht en werpkunst; maar als hij zonder helm, met onbedekt gelaat, rondreed op een schimmel met een fraai geweven dekkleed, was Scylla nauwelijks zichzelf; bijna uitzinnig riep ze dat die teugels en die speer gezegend waren omdat hij ze voelde en in zijn hand hield; ze wou (als het maar had gekund!) dwars door dat leger, dwars door die vijand, heen breken of van op de torentrans recht in het Kretenzisch kamp te springen; ze zou zelfs de bronzen stadspoort voor de vijand openen!

Terwijl ze naar de witte tent van Minos zat te kijken, dacht ze: "Ik weet niet of ik blij of treurig moet zijn om die hartverscheurende oorlog: treurig, omdat mijn geliefde een vijand is; maar zonder die oorlog had ik hem nooit gekend! Als Minos mij echter als losprijs zou aanvaarden, dan zou hij de oorlog kunnen staken: ik kan vrouw en vrede voor hem zijn. O, mooiste van alle koningen! O, als de schoonheid van je moeder even groot was als de jouwe, dan is Jupiter terecht voor haar ontvlamd! Dolgelukkig zou ik zijn, als ik de lucht op vleugels kon doorklieven en in het Kretenzisch kamp kon landen: ik zou vertellen over mezelf, over mijn hartstocht, ik zou hem vragen voor welke prijs ik mij verkopen kon… Als hij maar niet eist dat de stad van mijn vader zijn prijs is… Ik wil zijn bed graag delen, maar door landverraad? Dat nooit! Hoewel... een milde overwinnaar heeft vaak gezorgd dat men een nederlaag niet erg betreurde… Minos is mild en voert een rechtvaardige strijd omdat zijn zoon vermoord is; hij heeft het recht aan zijn kant, zijn strijd is rechtvaardig. Wij gaan verliezen, denk ik. Hoe vergaat het dan mijn stad? Waarom zou deze stadsmuur wel bezwijken voor zijn leger en niet voor mijn liefde? Hij kan toch ook zegevieren zonder lange strijd en zonder enig bloedvergieten? Dan hoef ik ook niet bang te zijn! Dit plan lijkt goed, ja, mijn besluit staat vast: ik maak een eind aan deze oorlog door mijn stad als bruidsschat uit te leveren met mij erbij! Maar het moet niet blijven bij een plan: de poorten zijn streng bewaakt, mijn vader heeft de sleutels. Hij alleen maakt mij nog angstig, hij alleen blokkeert mijn plannen. O, goden! Had ik maar geen vader! Maar is ieder mens dan niet zijn eigen god? Waarom zou iedereen sterker zijn dan ik? Ik zou door vuur en zwaarden durven gaan en hier is zelfs geen sprake van zwaarden of vuur, slechts van een haarlok op mijn vaders hoofd… Die is mij dierbaar, meer dan goud; die ene lok van purper zal mij gelukkig maken en geven wat ik wens!"

Terwijl deze gedachten door haar hoofd spookten, werd het nacht en groeide haar moed. Zachtjes sloop ze naar haar vaders bed, sneed die fatale haarlok van zijn hoofd en spoedde zich met die onheilsbuit weg, de stadspoort door, dwars door de linies heen, zo sterk was het vertrouwen in haar daad. Ze meldde zich bij koning Minos, die ontzet haar woorden aanhoorde: "Liefde verleidde me tot misdaad: ik ben Scylla, dochter van koning Nisus. Huis, haard en vaderstad heb ik voor jou verraden. Ik vraag geen andere prijs dan jou. Neem deze purperen lok als bewijs van liefde, want ik geef hiermee geen haarlok, geloof me, maar mijn vaders leven." En ze gaf hem het goddeloos geschenk.

Maar Minos weigerde wat zij hem gaf en riep: "Ach! Ik wou dat de goden jou van de aarde veegden; jij bent een smerige smet op ons bestaan! Ik wou dat land en zee jou nooit meer wilden zien! Ik zal in elk geval niet dulden dat een schepsel als jij toegang krijgt tot Kreta, mijn rijk en Jupiters geboortegrond!" Toen veroverde hij de stad en legde zijn vijand heel milde eisen op. Hij liet de trossen van zijn vloot losmaken en beval zijn met brons beslagen schepen zeewaarts te roeien.
  

Scylla gaat Minos' schip achterna

De vloot voer weg. Scylla begreep dat Minos haar niet voor haar misdaad zou belonen en ze brak, nu smeken niet meer baatte, in felle woede uit. Ze gilde, met haar haren wild van razernij en haar armen wijd open: "Naar waar vlucht je voor mij, de vrouw aan wie je zoveel te danken hebt? Ik heb voor jou mijn vaderland en mijn vader verraden! Wat doet je vluchten, wreedaard, met je overwinning die te danken is aan mijn misdaad, aan mijn verdienste? Liefde, geschenken, alleen nog maar het feit dat heel jouw toekomst aan mij te danken is, raakt jou niet... Je laat mij hier alleen - waar moet ik nu heen? Soms naar mijn stad? Die is ingenomen en als ze nog bestaat, houdt ze haar poorten zeker dicht als straf voor mijn verraad... Soms naar mijn vader? Die heb ik aan jou uitgeleverd. Nee, het is terecht dat het volk mij beledigt, dat buren mijn gedrag verafschuwen. Ik word verbannen naar een thuis die ik niet meer heb. Alleen op Kreta kan ik welkom zijn.

Ach, als ook jij mij afwijst en mij ondankbaar in de steek laat, dan ben jij niet de zoon van Europa maar gewoon een tijgerjong, een zoon van de levensgevaarlijke en alles verslindende zee. Dan is ook Jupiter je vader niet, die vermomd als stier je moeder heeft ontvoerd: dat is een vals verhaaltje! Wie je verwekt heeft, was een echte stier, een woesteling die nooit verliefd was op een koe... Mijn vader Nisus mag mij nu straffen. Mijn stad die ik zojuist verraden heb, mag om mijn wanhoop juichen. Ik verdien te sterven, dat geef ik toe. De mensen die ik bedrogen heb, mogen mij verdoemen. Maar jij niet! Jij wreekt je op mij, terwijl je door mijn misdaad won. Wat ik gedaan heb, is voor mijn stad en mijn vader een misdaad, maar voor jou zou het een weldaad moeten zijn. Die ontrouw van je vrouw heb je verdiend. Dat zij als houten koe een stier verleidde en zwanger raakte van een monstervrucht, dat is je verdiende loon!

Zeg eens, hoor jij wat ik roep of maakt dezelfde wind waarmee je nu ondankbaar wegvaart, alles onverstaanbaar? Het verbaast me niet dat Pasiphaë liever een stier had dan jou: jij bent heel wat bruter dan een stier... Zie me hier staan! Hij jaagt het tempo nog op; terwijl de roeiriemen de golven opjagen, ontvlucht hij mijn land en laat hij mij achter... Maar veel zal het niet uithalen. Je doet alsof je mij niet hoort en of je nu wil of niet, ik volg je. Ik grijp de ronde boeg van je schip goed vast en laat me trekken, zeeën ver..." en toen dook ze in zee, de schepen achterna. Ze putte kracht uit haar liefde. De ongenode gast klemde zich vast aan Minos' schip.

Haar vader was kort voordien veranderd in een zeearend met grijze vleugels. Toen hij daar van hoog in de lucht zijn dochter zag, dook hij omlaag om haar met kromme snavel uiteen te rijten. Vervuld van angst liet zij de scheepsromp los en viel, maar voordat ze het water raakte, leek een lichte bries haar op te vangen. Ze werd een vogel; aan haar veren plakte nog schuim. Haar naam werd 'Ciris', ontleend aan die afgesneden haarlok.