Uit LIBER QUARTUS

Pyramus en Thisbe

De dochters van koning Minyas weigeren mee te doen aan de Bacchusrituelen

Toch vond Alcithoë, een dochter van Minyas, de koning van Orchomenus, ondanks het vreselijke lot van Pentheus, de hele heisa rond die Bacchus onduldbaar, ja, zij beweerde nog steeds dat Bacchus geen zoon van Jupiter was! De Bacchuspriester had nochtans alle huisvrouwen en slavinnen van hun taken ontslagen om te kunnen deelnemen aan de feestelijkheden: ze moesten komen in dierenhuiden gehuld, met loshangende haren, met kransen rond de hals en met een thyrsusstaf in de hand. Als de wens van de god niet zou ingewilligd worden, zou de wraak van Bacchus vreselijk zijn, had de priester gezegd.

Iedereen gehoorzaamde dus en liet alles in de steek om wierookoffers te gaan brengen. "Bacchus!" klonk het overal, "Donderaar! Bevrijder! In vuur ontsproten god, jij die de enige zoon bent met twee moeders, jij die als enige tweemaal geboren bent! God van Nysa! Jij, die ervoor zorgt dat feestelijke wijn rijpt! Nachtgod! Jouw jeugd is eeuwig, want jij blijft voor eeuwig jong, je bent de mooiste van het godenrijk! Als jij je zonder hoorns toont, is je gelaat meisjesachtig mooi! Godslasteraars als Pentheus en Lycurgus heb jij, vereerde god, te gronde gericht! Tyrrheense zeelui heb je in de golven gejaagd! Je wagen wordt getrokken door een span lynxen! Bacchanten en saters dansen achter je aan! De oude, dronken Silenus wankelt of hangt onzeker op een doorgezakte ezel! Waar je ook komt, Bacchus, juicht de jeugd, slaat men op de tamboerijn of op holle bekkens en blaast men op de houten fluit!" Overal hoorde je dezelfde kreten. "Wees ons genadig, kom!" riepen de vrouwen terwijl ze, zoals hen bevolen was, een offer brachten.

Alleen de dochters van koning Minyas waren thuis gebleven. Door hun overdreven ijver schonden zij het heilige feest: ze sponnen wol, werkten aan het weefgetouw en gaven hun slavinnen bevelen. Eén van de zusters zei, terwijl ze handig met haar duim de wollen draad omlegde: "Terwijl de anderen niets doen en een valse god eren, dienen wij een betere godin: Minerva... Laten we het harde werk wat verlichten door verhalen te vertellen, elk om beurt, zodat de tijd door het luisteren vlugger schijnt te gaan." Haar zusters vonden dat een goed voorstel.

Omdat zij op het idee gekomen was om de tijd te doden met verhalen, mocht ze beginnen. Ze dacht lang na, want ze kende veel mooie verhalen; ze twijfelde tussen een aantal onderwerpen. Misschien een uit Babylonië, hoe Dercetis (volgens de Palestijnen) van een vrouw in een vis veranderde en rondzwom in een meer? Of hoe Semiramis, de dochter van Dercetis, vogel was geworden en haar laatste jaren sleet te midden van witte duiven? Of hoe een waternimf met toverspreuken en wonderkruiden enkele jongens omtoverde in stomme vissen, totdat zij er zelf een werd? Of hoe een boom met eerst witte vruchten later zwarte vruchten kreeg door rondspattend bloed? Ja, dat stond haar aan, des te meer omdat het geen al te bekend verhaal was.
 

"Pyramus, een heel knappe jongen, en Thisbe, mooier dan alle meisjes uit het oosten, woonden in de stad Babylon in aanpalende huizen. Doordat ze naast elkaar woonden, leerden ze elkaar al vroeg kennen en ze werden mettertijd verliefd op elkaar. Maar hun ouders verboden die liefde en stonden niet toe dat ze met elkaar trouwden. Wat natuurlijk niet belette dat ze van elkaar bleven houden - en dat ze nog meer naar elkaar verlangden! Als ze elkaar op straat tegenkwamen, maakten ze elkaar hun gevoelens duidelijk door knikjes en tekens (geen van hun begeleidende slaven die het merkte!).

De gemeenschappelijke muur van beide huizen was, toen hij gebouwd werd, gebarsten en vertoonde een smalle spleet. Nog niemand had in al die jaren die fout opgemerkt, maar jullie, verliefden, hadden die spleet als eersten opgemerkt, en jullie gebruikten ze als een doorgang voor jullie stem! Daarlangs spraken ze elkaar, zacht fluisterend, lieve woordjes toe.

Ze hielden geduldig de wacht bij de spleet, aan zijn kant Pyramus, Thisbe aan haar kant, tot ze aan de andere kant het geluid van de hun zo vertrouwde ademhaling hoorden. Dikwijls verzuchtten ze: 'Jaloerse muur, waarom sta je toch in de weg van verliefde mensen? Kun je dan echt niet toestaan dat wij ons in liefde verenigen? Of - als dat te veel gevraagd is - kun je dan niet ver genoeg opengaan opdat we elkaar kussen zouden kunnen geven? Maar we zijn niet ondankbaar; we weten dat we het aan jou danken dat onze woorden onze geliefde kunnen bereiken!'

Zulke verzuchtingen kon je vaak bij de muur horen. Telkens als de nacht begon te vallen, gaven Pyramus en Thisbe, elk aan hun kant van de muur, een afscheidszoen die, helaas, nooit de andere kant kon bereiken...

Op een ochtend was de wagen van Aurora al voorbijgekomen en had de zon met zijn warme stralen de dauwdruppels van het gras al laten drogen toen Pyramus en Thisbe naar hun gewone plaats bij de muur kwamen. Eerst klaagden ze fluisterend over hun hard lot, maar toen besloten ze om het erop te wagen. Ze zouden in de stilte van de nacht proberen te ontsnappen aan de waakzaamheid van hun bewakers, hun huis en de stad verlaten en op een bepaalde plaats afspreken (hoe zouden ze elkaar anders moeten terugvinden?). Ze zouden elkaar treffen bij het graf van Ninus en zich daar verbergen in de schaduw van een boom. Daar stond namelijk een hoge moerbeiboom met sneeuwwitte vruchten, vlak bij een bron. Dat was een goed plan! Het leek wel alsof die dag nooit zou eindigen, maar tenslotte dook de zonnewagen in het westen weg in de richting van de oceaan, en uit diezelfde oceaan (maar in het oosten) rees de nacht uit het water op.

De slimme Thisbe was al ontsnapt aan de aandacht van de slavinnen in de kamer naast de hare, ze had voorzichtig de zware huisdeur geopend en was met een sluier voor haar gelaat aangekomen bij de grafheuvel; daar was ze onder de afgesproken boom gaan zitten. Wat maakte de liefde het meisje dapper!

Maar een leeuwin, haar muil met bloed van een prooi besmeurd, kwam haar dorst lessen in het water van de naburige bron. Thisbe bemerkte haar in de verte in het licht van de maan en vluchtte bang naar een duistere grot; onderweg gleed haar sluier van haar rug en viel op de grond. Toen de leeuwin haar dorst had gelest, vond ze op de terugweg naar het bos toevallig Thisbe's sluier en speels verscheurde ze het fijne weefsel met haar nog steeds met bloed besmeurde muil...

Pyramus, die wat later was aangekomen, zag in het mulle zand de sporen van leeuwenpoten en werd lijkbleek. Toen hij echter ook de met bloed besmeurde sluier had gevonden, riep hij wanhopig uit: 'Een nacht zal twee geliefden doden! Van ons beiden verdiende zij het meest om lang te leven; wat nu is gebeurd, is allemaal mijn schuld! Ik was het die jou heb gevraagd om vannacht naar een oord vol gevaar te komen, maar ik ben niet eens als eerste aangekomen en daardoor heb ik jou, mijn arme Thisbe, gedood! Vervloekte leeuwen! Verscheur dan toch ook mijn lichaam! Maar wat sta ik hier te roepen? Zou het niet getuigen van meer dapperheid mijn dood niet alleen maar te wensen?'

Hij raapte Thisbe's sluier op en liep ermee naar de boom waaronder ze hadden afgesproken. Terwijl zijn tranen op het hem zo bekende kledingstuk druppelden, terwijl hij kussen drukte op het bebloede weefsel, zei hij: 'Ontvang nu ook mijn bloed!'. Hij dreef het zwaard dat hij had meegebracht, in zijn onderbuik en rukte het dadelijk uit de schrijnende wonde, stervend. Toen hij daar op zijn rug lag, spoot het bloed hoog op; de vruchten van de boom veranderden van kleur: van wit naar donker...

Ondertussen was Thisbe uit de grot te voorschijn gekomen (ook al was haar angst nog niet verdwenen); ze wou haar geliefde niet teleurstellen. Wat verlangde ze om hem te vertellen wat ze had meegemaakt! Toen ze de plaats van afspraak naderde, herkende ze alles: de grafheuvel, het geluid van de bron, zelfs het silhouet van de boom - en toch twijfelde ze, door de kleur van de vruchten...

Terwijl ze onzeker rond zich keek, bemerkte ze opeens een lichaam dat stuiptrekkend op de grond lag onder hun boom. Ze verbleekte en deinsde achteruit; ze huiverde als een waterspiegel die door een kille wind beroerd wordt. Maar opeens herkende ze in dat lichaam haar Pyramus. Ze barstte uit in jammerklachten, sloeg zich op de bovenarmen (als Pyramus die armen op dat moment maar had kunnen strelen!), trok aan haar haren, viel op haar knieën en omhelsde het lichaam van haar geliefde.

Haar tranen vielen in zijn wonde en mengden zich met zijn bloed. Zacht drukte ze kussen op zijn reeds kil aanvoelend gelaat en riep: 'Pyramus, wat is hier gebeurd? Antwoord, Pyramus! Ik ben het, jouw liefste Thisbe! Luister toch! Kijk me aan!' Bij het horen van de naam Thisbe sloeg Pyramus zijn oogleden op - al zwaar door de naderende dood - en keek Thisbe een laatste maal aan. Toen sloot hij zijn ogen voorgoed.

Toen bemerkte Thisbe haar sluier die naast Pyramus op de grond lag, en daarnaast zijn zwaard, naast de schede. In een flits begreep ze alles en zei: 'Jouw hand en jouw zwaard hebben jou, arme Pyramus, vroegtijdig laten sterven, maar mijn liefde en mijn hand zullen ook sterk genoeg zijn om hetzelfde te doen. Mijn liefde zal mij de kracht geven om mij een dodelijke wonde toe te brengen! Ik wil je in de dood volgen, mijn liefste! Over mij zal men zeggen dat ik de oorzaak van jouw dood ben geweest, maar ook dat ik de gezellin in jouw dood ben geweest! Jij die alleen door de dood van mij kon weggerukt worden, zult ook door de dood van mij niet weggerukt worden! Ik vraag jullie, in naam van Pyramus en mezelf, maar een ding, ouders van mij en ouders van hem (wat zullen jullie ongelukkig worden!): laat ons, die door onze oprechte liefde in ons laatste uur verenigd werden, in hetzelfde graf rusten... En jij, moerbeiboom, die met je takken nu het lijk van een van ons bedekt, maar weldra de lijken van ons beiden zult bedekken, bewaar donkergekleurde vruchten als herinnering aan ons...'

Na die woorden plaatste ze de punt van het zwaard onder aan haar borst en liet zich vallen op het wapen dat nog lauw was van Pyramus' bloed. Maar haar wensen werden door de goden en door haar ouders verhoord, want de vruchten van de moerbeiboom zijn nog altijd donker, en wat na verbranding van de lichamen van Pyramus en Thisbe overbleef, rust in een urn."