Uit LIBER QUINTUS

Pluto en Proserpina

Pluto wordt door Cupido verliefd gemaakt

«Ceres was een zeer verdienstelijke godin: zij was namelijk de eerste die met een kromme ploegschaar de harde grond loswerkte, graan op de akkers zaaide (graan is nog steeds een van de zegenrijkste gewassen) en wetten gaf. Als dank voor dit alles wil ik een ode aan haar opdragen, en ik hoop dat dit loflied haar zal bevallen.

Sicilië ligt volledig boven op Typhoeus' lichaam. Het drukt hem zo zwaar neer omdat hij in zijn dwaasheid hoopte op een plaats in het hemelrijk. Vaak spartelde hij nog tegen en vocht hij om rechtop te komen, maar dat lukte hem niet want op zijn handen rustten bergen: op zijn linkerhand de Pachynus-rotsen en op zijn rechter de Pelorus. Zijn voeten werden tegengehouden door de stad Lilybaeum terwijl de Etna zijn hoofd naar beneden drukte. Daaronder hoestte de woeste Typhoeus zand en as op, terwijl er vlammen uit zijn keel kwamen. Door het hoesten schudde de aarde; ze beefde zelfs zo hevig dat de heerser over de schimmen bang was dat er een scheur zou ontstaan in de grond, waardoor het daglicht zou kunnen binnendringen in de onderwereld. Dat zou paniek zaaien in het schimmenrijk, en dat wou de heerser over de Tartarus vermijden. Hij verliet zijn paleis om langs enkele plaatsen van Sicilië te rijden met zijn span zwarte paarden. Nu hij met eigen ogen gezien had dat alles in orde was, voelde hij zich gerustgesteld. Tijdens die tocht werd hij opgemerkt door Venus die van op haar Eryx-berg toekeek...

Ze nam haar kind op haar schoot en vleide hem: 'Cupido, jij bent mijn rechterhand, mijn sterkste wapen. Pak je boog waarmee je alle harten beheerst. Richt snel een pijl met een gouden punt op die dodengod: hij kreeg de macht over het derde deel van het godenrijk. Als jij zelfs Jupiter en Neptunus kan treffen, waarom dan de dodenheerser niet? Als je hem kunt raken, zou dat mijn macht en de jouwe aanzienlijk vergroten. Hij regeert immers over een derde van het heelal! In de hemel schatten ze ons en onze macht niet hoog, en als mijn macht afneemt, dan neemt ook de jouwe af. Je weet toch hoe Minerva en Diana de jageres mij verstoten hebben? Als wij er niets aan doen, zal Ceres' dochter eeuwig maagd blijven. Proserpina heeft namelijk geen trouwplannen. Als jij dus wilt bijdragen tot onze macht, maak dan dat ze trouwt met haar oom.'

Zo sprak Venus. Cupido trok zijn pijlkoker open en koos van de vele pijlen de scherpste, dus de meest betrouwbare, de pijl die het best zou gehoorzamen aan de boog van zijn meester. Dan deed hij wat zijn moeder hem had opgedragen en schoot de gouden pijl met een scherpe haak rechtstreeks in Pluto's hart.
 

Pluto schaakt Proserpina, Ceres' dochter

Nabij de muren van Enna bevindt zich een diep meer, het Pergus-meer. Daar klinken de liederen van de zwanen even mooi als op het water van de Caystros in Lydië. Het Pergusmeer wordt omringd door een dicht bos. De bladeren vormen als het ware een dak en houden de zonnestralen tegen. Takken verschaffen dus koelte en de malse grond dient als voedsel voor talrijke bloemen: op die plek heerst de eeuwige lente.

Proserpina vermaakte zich daar zoals meisjes dat kunnen, en ijverig verzamelde ze lelies en viooltjes in haar schoot. Ze werd haast in een tel gezien, begeerd en veroverd door Pluto - zo snel kan de liefde werken. Het goddelijke meisje was doodsbenauwd en riep huilend om haar moeder en haar vriendinnen - het meest natuurlijk om haar moeder. Toen de zoom van haar kleed scheurde, verloor ze de bloemen die ze daar verzameld had. Hoe naïef is de jeugd toch: door dit verlies werd het meisje zo mogelijk nog verdrietiger...

Pluto voerde het tempo op en spoorde zijn paarden aan door elk dier bij zijn naam te noemen en door ze de teugels te laten voelen, die door donkere roest waren aangetast. Ze kwamen langs het diepe water bij de stad Palica (waar uit de gespleten aarde kokende zwaveldampen oprijzen) en langs het door Corinthe gestichte Syracuse, een stad met twee ongelijke havens.
 

De bronnimf Cyane tracht Pluto tegen te houden

Tussen Arethusa's bron en die van Cyane ligt een smalle baai. Hier woonde Cyane, genoemd naar haar bron en de bekendste nimf op Sicilië. Zij rees op uit het water, herkende de godin en riep: 'Halt, niet verder! Je kunt niet zomaar de schoonzoon van Ceres worden. Je had beter een aanzoek gedaan in plaats van haar dochter te roven! Als ik zo vrij mag zijn om groot met klein te vergelijken: toen Anapis mij wilde, heeft hij me ten huwelijk gevraagd. Ik moest niet trouwen uit doodsangst, zoals Proserpina nu.' Terwijl ze zo sprak, bleef ze met wijdgeopende armen vlak voor Pluto staan.

Saturnus' zoon kon zijn woede niet meer bedwingen en gaf zijn paarden van de zweep. Hij gooide zijn scepter in het diepste deel van de bron en toen die daar in de bodem vastzat, ontstond er een doorgang naar de Tartarus. De wagen verdween in de opening.

Cyane was bedroefd om de roof van Proserpina en omdat Pluto haar bron misbruikt had om naar de onderwereld te ontsnappen. In haar droefheid begon ze te wenen en loste langzaam op in het water waarvan ze tot voor kort, als nimf, meesteres was geweest.

Je had het moeten zien gebeuren: haar lichaam smolt, haar beenderen verloren hun vastheid, haar nagels werden helemaal zacht. Wat zeer dun was aan haar lichaam, veranderde het eerst in water: haar vingers, haar benen, haar voeten en haar donkerblauw haar. Al deze lichte substanties versmolten binnen de kortste keren tot water. Vervolgens losten haar schouders, haar rug en haar borst op. Haar bloed werd water, en zo bleef er niets meer over dat nog kon aangeraakt worden.

Ceres was ondertussen op zoek gegaan naar haar dochter, maar tevergeefs. Ze zocht overal en vroeg aan iedereen of ze haar dochter nergens hadden gezien. Maar noch Aurora, die met het haar vol dauw de ochtend brengt, noch de Avondster konden haar helpen. Ceres had twee fakkels bij zich die ze aanstak aan het vuur van de Etna om haar dochter ook 's nachts te blijven zoeken. Ook de volgende dag zette ze van 's morgens tot 's avonds haar speurtocht verder en gaf de moed niet op.

Ceres was die avond doodmoe van het zoeken. Ze had dorst maar was bij geen enkele bron gestopt om haar dorst te lessen. Plots zag ze een klein hutje. Ze klopte aan en een oude vrouw deed open. De godin vroeg om een beetje water en het vrouwtje bood haar een zoete drank aan. Toen Ceres ervan dronk, stond er opeens een brutale kwajongen naast haar. Hij lachte haar uit en schold haar uit voor zuipschuit...

Diep beledigd plensde Ceres de halfvolle beker pal in zijn gezicht. De jongen was doordrenkt en zat vol vlekken. En kijk, zijn armen veranderden in poten en hij kreeg een staart! Zijn lichaam werd ongelooflijk klein opdat hij niet veel kwaad meer zou kunnen uitrichten: nog kleiner dan een kleine hagedis. Het vrouwtje barste in tranen uit, ze wou de hagedis nog grijpen maar die schoot weg in een donker hoekje. Zijn naam "sterhagedis" past uitstekend bij zijn huid vanwege al die spetters.
 

Ceres ontdekt een spoor van haar dochter

Het zou te lang duren om iedere landstreek waar Ceres rondzwierf en alle stromen waar ze langskwam op te sommen... Vergeefs zocht de ontroostbare godin de hele wereld af. Opnieuw aangekomen op Sicilië zocht ze verder en toevallig belandde ze ook bij Cyane. Als die maar niet veranderd was, dan had ze Ceres wel alles verteld! Nu had Cyane mond noch tong; ze had wel iets willen zeggen, maar kon natuurlijk geen woord meer uitbrengen.

Toch gaf ze een duidelijk teken, want Proserpina's ceintuur - die haar moeder maar al te goed kende! - lag daar in de gewijde bron (Proserpina had die tijdens de roof verloren); nu liet Cyane de gordel op haar water drijven. Toen Ceres die ceintuur herkende, scheen ze de schaking van haar dochter pas echt te begrijpen...

Ze rukte aan haar onverzorgd haar en sloeg zichzelf op de borst. Ook al wist ze nog niet waar haar dochter zich bevond, toch verweet ze alle landen dat ze ondankbaar waren. En Ceres maakte de gave van het graan ongedaan, vooral op Sicilië waar ze de sporen van de misdaad ontdekt had... Onbarmhartig deed ze elke ploegschaar breken en stuurde de pest af op de boeren en het ploegend vee: de akkers mochten geen vruchten meer dragen! Sicilië, wijd en zijd vermaard om zijn vruchtbaarheid, lag er dor bij: het graan verging reeds in de kiem of had te lijden onder zon en regen, stormen brachten het onherstelbare schade toe en vogels pikten de pas gezaaide korrels weg; dolik en distels matten de korenvelden af, onkruid overwoekerde de halmen die toch gegroeid waren...

Maar toen dook Arethusa, een nimf uit Elis en bemind door Alpheius, op uit haar bron en riep Ceres toe: 'Jij, moeder van het koren, moeder die overal haar kind zoekt, staak die lange tocht, temper je razernij tegen dit land waar je zo geëerd wordt. Het is niet eens mijn eigen land waarvoor ik pleit: ik kwam hier als vreemde, mijn stad is Pisa, mijn familie stamt uit Elis. Maar ook al woon ik hier dan niet als inheemse, geen grond is mij zo lief! Ik, Arethusa, heb mijn bron en mijn thuis nu hier, en jij moet die beschermen! Wees toch genadig! Waarom ik ooit mijn stad Pisa in Elis verlaten heb en ver over zee naar Ortygia ben gevlucht, zal ik later wel vertellen, op een beter tijdstip, als je zorgen voorbij zijn en als je gezicht niet meer zo somber is.

Ik ben dwars doorheen de aarde naar hier gekomen; de aarde heeft me doorgang geboden; via diepe ruimten voortgestuwd stak ik hier mijn hoofd op, hier zag ik na lange tijd de sterren weer. Wel, terwijl ik onder de aarde stroomde, zag ik je dochter Proserpina bij de Styx. Ze zag er bedroefd uit en ze had nog steeds een verschrikte blik in de ogen. Maar ze zat wel als koningin in het rijk der schimmen aan de zijde van Pluto, de god van de dood.'
 

Ceres pleit bij Jupiter

Ceres zat er als versteend bij en leek verslagen. Toen ze de diepe schok verwerkt had, steeg ze met haar wagen naar de hemel waar ze met een boze gelaatsuitdrukking en met wijd loshangend haar voor Jupiter ging staan. Met een hart vol haat zei ze:

'Ik kom je smeken voor ons eigen kind. Als ik als moeder geen gehoor vind bij jou, laat dan tenminste jouw vaderhart spreken. Beschouw haar toch niet als minderwaardig omdat ik haar het leven heb geschonken! Pas na lang zoeken ben ik eindelijk te weten gekomen waar mijn dochter zich bevindt, en dat "lang zoeken" wil zeggen dat ik mijn kind vreselijk mis. Ik ben bereid de rover te vergeven, als hij haar maar terugbrengt... Nee, onze dochter moet toch niet met een ontvoerder trouwen?'

Jupiter antwoordde: 'Mijn dochter is mij even lief en dierbaar als jou, maar laat me toe alles in het juiste perspectief te zetten. Wat hier gebeurd is, is bepaald geen onrecht; er is alleen maar liefde in het spel! Die schoonzoon zal ons zeker niet teleurstellen, Ceres; laat hem maar doen. Alleen al Jupiters broer zijn is niet niks, maar komt daar niet nog heel wat bij? Slechts door het lot doet Pluto voor mij onder! Maar goed, als jij zo graag een scheiding wenst, mag Proserpina weer naar de hemel komen op voorwaarde dat ze in de onderwereld geen voedsel heeft geproefd - dat is nu eenmaal een vaste wet van de Schikgodinnen!'
 

Ascalaphus verraadt Proserpina

Maar hoewel Ceres vastbesloten was haar dochter te redden, kreeg ze van het lot geen kans: het meisje had in de onderwereld immers al gegeten! Toen ze, van niets wetend, door de tuin liep, had ze een granaatappel van een lage tak geplukt, had zeven pitten uit de roze schil gepeuterd en had ze in haar mond gestopt. Geen mens had dat gezien behalve Ascalaphus, ooit door de stroomgod Acheron verwekt bij Orphne, een van de bekendste nimfen van het Avernus-meer, en in een donker bos gebaard.

Ascalaphus had dus gezien dat Proserpina iets gegeten had en hij verraadde haar. Zo ontnam hij haar de kans om terug te keren naar de hemel... Zuchtend veranderde Proserpina de klikspaan in een onheilsvogel. Ze druppelde water van de Phlegethon op zijn hoofd waardoor snavel, kuif en grote ogen ontstonden. Hij kreeg ook bruine vleugels, zijn kop werd breed, hij klauwde zich vast met kromme nagels en tilde zijn vlerken moeizaam op. Hij was een lelijke vogel geworden, bode van naderend onheil: de nachtuil.

De straf die Ascalaphus kreeg was natuurlijk verdiend, maar hoe kwamen Acheloüs' dochters (die hun vrouwenhoofd behielden) aan hun vederkleed en klauwen? Misschien omdat zij Proserpina vergezelden bij het plukken van lentebloemen? Ze hadden hun gezellin overal tevergeefs gezocht en spraken al snel de wens uit om boven water te kunnen zweven zodat ze ook de zee konden afspeuren. En de hemel was hen goedgunstig, want ze zagen hun lichaam plots overdekt met blonde veren. Om hun ongeëvenaard zangtalent niet te missen, behielden ze hun meisjeshoofd en hun menselijke stem.

Jupiter, die de rol van bemiddelaar speelde tussen broer en zus, deelde het zonnejaar in twee helften in. Sindsdien heeft Proserpina als godin een dubbel rijk: zes maanden woont ze bij haar moeder, daarna zes maanden bij Pluto, waarbij ze ook van stemming en uiterlijk verandert. Haar goddelijke blik, die Pluto zo treurig vond, wordt stralend als een zonnetje dat van achter een dicht gordijn van regenwolken opnieuw opduikt.
 

Het verhaal van Arethusa

Ceres, die wat gekalmeerd was na de terugkeer van haar dochter, vroeg Arethusa waarom ze gevlucht was uit Elis en waarom ze een bron geworden was. De nimf rees op uit het water, wrong haar groene haren uit en begon te vertellen van Alpheius' liefde voor haar, een oud verhaal uit Elis.

'Ik was een van de nimfen van Achaia. Ik zwierf van ons allen het liefst door de bossen en ging met veel plezier jagen. Hoewel ik er niet naar streefde om beeldschoon te worden - ik was eerder sportief - vond iedereen mij een heel mooi meisje. Ik werd te veel geprezen voor mijn uiterlijk en dat beviel me niet. Mijn lichaam - dat anderen wensten - deed mij blozen. Ik vond het ongepast om me charmant te gedragen.

Ik herinner me dat ik op een dag door een Arcadisch bos naar huis ging; ik was doodmoe. Door het jagen was de hitte nog ondraaglijker dan anders. Ik kwam bij een stille, geluidloze rivier: ik kon alle kiezelsteen op de bodem tellen. Zilveren wilgen en talloze populieren die gretig van het water dronken, zorgden voor schaduw op de oever. Daar ging ik dus heen.

Eerst stak ik alleen mijn voeten in het koele water, daarna waadde ik erin tot mijn knieën - maar ik wilde verder. Daarom knoopte ik mijn ceintuur los, hing mijn kleren aan een lage wilgentak en zo ging ik naakt het water in. Ik poedelde wat, maakte me helemaal nat, sloeg mijn armen wijd uit, totdat ik plots een stem hoorde die uit het water kwam. Geschrokken klauterde ik de dichtste oever op.... "Waarom vlucht je, Arethusa?" Het was Alpheius, de riviergod. "Naar waar loop je?" riep hij opnieuw met zware stem.

Ik vluchtte zoals ik was. Ik had dus geen kleren aan, ze waren aan de overkant van de rivier. Hij achtervolgde me met inzet van al zijn krachten. Omdat ik naakt was, dacht hij dat ik het wel niet erg zou vinden om met hem te vrijen... Zoals een duif soms angstig voor een havik vlucht, zoals een havik bange duiven achternazit, zo zat hij me achterna, zo haastte ik me weg.

Voorbij de steden Orchomenus en Psophis, voorbij het Cyllene-gebergte, door de dalen van het Maenalus-gebergte, langs het kille water van de Erymanthus, door Elis bleef ik lopen zonder stoppen. Hij was niet echt vlugger dan ik, maar ik kwam kracht te kort: ik was doodop, ik hield het niet meer vol. En daarbij: hij was gewend aan lange afstanden. Toch liep ik verder, langs vlakten, bergen, dichtbegroeid met bossen, langs iedere steen en rots, zelfs waar er geen pad was.

De zon gloeide op mijn rug, ik zag zijn lange schaduw al voor mijn voeten dansen - of kwam dat door mijn angst? Hoe dan ook, zijn voetstappen klonken angstaanjagend dichtbij. Hij hijgde in mijn vastgebonden lokken. Vermoeid door het vluchten riep ik: "Help me toch, ik word verkracht! Diana! Red mij, je gezellin die vaak je boog en je volle pijlkoker draagt!"

Diana toonde medelijden: ze hulde mij in een wolk, ik werd onzichtbaar in de mist. Alpheius neusde rond, blind tastend in de dichte nevel. Tweemaal kwam hij rakelings langs me - niets merkend - en riep twee keer: "Arethusa! Arethusa!"

Och, arme ik! Waar dacht ik aan? Ik was als een lam dat wolven hoort tekeergaan rond de schaapskooi, of als een haas die, weggedoken in de struiken, dreigende tanden van honden ziet en zich niet durft bewegen.

Toch zocht hij verder. Hij zag alleen dat doodlopend spoor en daarom bleef hij op die plaats wachten. Ik zat ingesloten. Ik zweette en watergroene druppels sijpelden langs mijn lichaam naar beneden. Toen ik bewoog, zag ik dat de grond nat was. Stromen vocht viel neer uit mijn haar. Ik veranderde in water, sneller dan ik nu kan spreken. De riviergod, die vlug het nieuw gevormde water herkende als zijn beminde, veranderde zich opnieuw van mens tot rivier om zich met mij te kunnen verenigen.

Toen liet Diana de grond waarop ik me bevond, splijten en ik stroomde in het donker weg naar beneden. Het daglicht zag ik opnieuw op Sicilië, het eiland waarvan ik hou vanwege de naam Ortygia, de bijnaam van Diana.'