Uit LIBER PRIMUS en LIBER SECUNDUS

Phaëthon

Io's zoon Epaphus beledigt Phaëthon

Io was een godin geworden, vereerd door het priesters in lange witte gewaden. Jaren waren voorbijgegaan. Haar zoon Epaphus, uit zaad van Jupiter ontstaan, was even oud als Phaëthon, de zoon van de Zonnegod. Telkens die vertelde over zijn afkomst, deed hij dat altijd met veel opschepperij. Op een dag, toen hij daar voor de zoveelste keer mee bezig was, werd Epaphus kwaad en riep:"Geloof jij nu alles wat je moeder je zegt? Dat verhaal over je vader is gewoon een leugen!"

Phaëthon kreeg een blos; hij was sprakeloos en ontzet, maar vertelde toch aan zijn moeder wat Epaphus gezegd had. "En moeder", zei hij, "ik, die toch een grote mond kan opzetten, heb me niet eens verdedigd tegen deze belediging. Alstublieft, als ik echt een goddelijke vader heb, geef me daar dan een bewijs van."

Clymene was vertederd door de smeekbeden van haar zoon Phaëthon. Ze was nijdig over deze krenkingen, strekte haar armen uit naar de hemel, wees de zon aan en zei : "Ik verzeker je, mijn zoon, dat die Zon, aan wie de aarde licht en warmte ontleent, jouw vader is." Ze stelde hem voor, om haar woorden te bevestigen, dat hij zijn 'vader' zou opzoeken. En Phaëthon ging onmiddellijk in op het voorstel van zijn moeder. Hij droomde al van het hoge luchtruim en verliet Ethiopië, zijn geboorteland, om naar India te trekken. Daar aangekomen ging hij naar de woning van zijn vader.
 

Het paleis van de Zonnegod

Het indrukwekkende paleis van de Zon rustte op hoge zuilen. Het schitterde fel van goud, het koperwerk straalde vuur uit; de gevelvelden waren bedekt met glanzend ivoor en de dubbele poorten straalden van zilverig licht, want Vulcanus had er de zeeën die het land helemaal omgeven, afgebeeld, alsook de aarde en de hemel die zich over de aardbol welft. De zee bevatte azuurblauwe goden: de blazende Triton; Proteus die makkelijk van gedaante kon veranderen, Aegaeon die met zijn honderd armen op walvisruggen leunde; Doris en haar kinderen waarvan een deel aan het zwemmen was, terwijl een ander deel zijn zeegroene haren zat te drogen en nog een ander deel op een vissenrug reed. Ze hadden wel niet allemaal dezelfde gelaatsrekken, maar toch waren ze ook niet volledig verschillend, zoals dat meer voorkomt bij zusters. Op de aarde stonden mensen, steden, bossen, dieren, nimfen en andere goden van het veld afgebeeld. Boven dit alles was de stralende hemel afgebeeld; zes tekens van de dierenriem stonden op de rechterdeur, zes op de linkerdeur. 

Phaëthon bij zijn vader, de Zon

Toen Clymene's zoon over het stijgende voetpad zijn vaders huis binnentrad, richtte hij zijn stappen meteen naar zijn vader maar bleef wel op een afstand staan: zijn ogen lieten hem niet toe dichterbij te komen. Phoebus zat op zijn troon in een purperen mantel die straalde van fonkelende smaragden. Aan zijn rechter- en linkerzijde stonden de Dagen, de Maanden, de Jaren, de Eeuwen en op gelijke afstand van elkaar ook de Uren. Daar stonden ook de nieuwe Lente, met bloemen omkranst, de naakte Zomer met graanguirlandes in haar arm, daarnaast de Herfst, besmeurd met platgetrapte druiven en de ijzige Winter met wilde en ruige haren.

De Zonnegod die in het midden zat, merkte met zijn allesziende ogen de jongeman op (die bang was in dat vreemd paleis) en vroeg: "Wat is de reden van je komst? Wat kom je doen in deze woning, jij, Phaëthon, die onloochenbaar mijn eigen kind bent?"

Phaëthon antwoordde: "O Licht dat overal schijnt! Vader, als je tenminste toestaat dat ik je zo aanspreek en als Clymene haar misstap niet verhult met een valse voorstelling van feiten, geef me een bewijs, vader, dat ik eindelijk kan geloven dat ik jouw zoon ben."

Zo klonken zijn woorden en zijn vader nam de stralenkroon die om zijn hoofd schitterde, af en wenkte hem naderbij te komen. Hij omhelsde hem en zei : "Je verdient niet dat men twijfelt aan je afstamming ... en daarbij, je moeder spreekt de waarheid. Opdat je hieraan niet meer zou twijfelen, mag je vragen wat je wilt. Ik zal ervoor zorgen dat je wens in vervulling gaat. De Styx, waarbij de goden zweren en die mij nooit ziet, is ook mijn getuige."

Nauwelijks had de Zonnegod deze woorden uitgesproken of Phaëthon vroeg om de zonnewagen met de gevleugelde paarden voor één dag te mogen mennen... De Zonnegod had er al spijt van dat hij gezworen had bij de Styx. Hij schudde het stralende hoofd en zei: "Was het maar mogelijk te weigeren wat je vraagt! Ik zeg je eerlijk: dat is het enige wat ik niet zou gegeven hebben. Ik kan je dit nog wel afraden, want wat je vraagt kan leiden tot je dood. Je vraagt iets dat noch met je krachten noch met je jeugdige leeftijd overeenstemt. Je bent een mens, Phaëthon, maar wat jij wenst gaat menselijke krachten te boven. Je reikt naar meer dan wat zelfs aan goden gegund is. Niemand - behalve ik - is in staat de zonnewagen te besturen. Zelfs de heerser op de Olympus die de verschrikkelijke bliksems slingert, kan deze wagen niet besturen. En wie is nu machtiger dan Jupiter?

Het begin van de tocht is steil; daar kunnen de frisse paarden maar moeizaam omhoog geraken. Het midden is het hoogste punt van de hemel; zelfs mij beangstigt het uitzicht daar op zee en aarde; dan bonkt mijn hart van angst. Het laatste gedeelte is steil bergaf en vereist een leiding met vaste hand. Tethys vreest gewoonlijk dat ik daar halsoverkop zal neerstorten. Voeg daarbij nog dat de hemel zich in een ononderbroken wenteling verplaatst, waarbij hij de hoge sterren meesleurt in een snelle draaiing. Ik zwoeg daartegenin en ik word niet overheerst door die snelheid.

Veronderstel dat ik je mijn wagen uitleen: wat zou je dan doen? Zul je dan de draaiende polen kunnen passeren zonder door hun snelheid te worden meegesleurd? Je denkt dat je tocht gemakkelijk zal zijn, maar het is een weg vol hinderlagen, tussen monsters door. Om op de juiste weg te blijven, moet je langs de horens van de Stier die je onderweg zult tegenkomen, langs de Schutter en de Leeuw met zijn felle muil, langs de Schorpioen die zijn scherpe scharen spant in een grote boog, en ook voorbij de Kreeft die hetzelfde doet, maar in een andere richting. Je zal het niet gemakkelijk hebben om de paarden te mennen door hun inwendig vuur dat ze uit hun muil en neusgaten blazen. Mij dulden ze nauwelijks, en als hun fel gemoed echt kookt, dan zijn ze koppig en verdragen ze de teugels niet.

Zoon, wees toch wijs, maak mij niet de schenker van een dodelijk geschenk, verander je wens nu het nog kan! Het bewijs dat ik je vader ben, is mijn angst voor je welzijn. Kies iets uit de onschatbare rijkdommen van hemel, aarde en zee en het zal je niet geweigerd worden! Slechts dit vraag ik je: zie af van wat geen gunst is maar een straf, Phaëthon! Waarom sla je nu je armen rond mijn hals als een smekeling? Hou op met twijfelen. Je zal krijgen wat je vraagt, dat heb ik gezworen bij het water van de Styx, maar doe alsjeblieft een verstandiger verzoek."

Zo beëindigde hij zijn vermaning. De jongeman bleef hem tegenspreken en zette zijn wensen door, brandend van verlangen naar dat paardenspan... 

Phaëthon krijgt de zonnewagen

Samen gingen ze naar de prachtige zonnewagen, gemaakt van goud en zilver, waarin het zonlicht weerkaatste. Aurora had de purperen poorten van de rozenzaal in het oosten al geopend terwijl Phaëthon nog naar de wagen stond te kijken. De zonnegod gaf de Uren de opdracht om de paarden in te spannen toen hij Lucifer, de laatste ster, naar de aarde zag afdalen en merkte hoe rood de wereld kleurde. De vuurspuwende dieren deden zich te goed aan hun ruif vol ambrozijn en lieten zich gewillig het rinkelende tuig aangespen. De vader wreef Phaëthons gezicht in met goddelijke zalf tegen de hitte en zette tenslotte de stralenkrans op zijn hoofd.

De Zon slaakte diepe zuchten en gaf Phaëthon nog wat raad: "Phaëthon, je mag niet te kwistig zijn met de zweep, je moet je krachten sparen voor de teugels en geen steile routes nemen." Dan beschreef de Zon Phaëthons route en legde uit welke hemellichamen hij zou passeren. Hij mocht niet te hoog en niet te laag rijden. Aarde en hemel moesten gelijke warmte krijgen, anders zou een van beiden in brand kunnen schieten. Hij moest dus de middenweg nemen. Zijn vader bad tot Fortuna dat zij Phaëthon zou helpen.

Toen brak het ogenblik aan dat Phaëthon de wagen besteeg en hij niet meer op zijn beslissing kon terugkomen. Phaëthon was blij de teugels in handen te hebben en bedankte zijn vader, die dat liever niet had zien gebeuren...
 

Phaëthons tocht

De vier paarden van de Zon bliezen vlammen en hinnikten luid. Toen Tethys het hek geopend had, schoten ze snel weg. Door het lichte gewicht van Phaëthon schokte de wagen door de lucht en leek wel onbemand. De onervaren Phaëthon schrok van het geweld van de paarden en wist niet wat doen. Hoe kon hij greep krijgen op het span? Hoe kon hij in het oog houden waar de wagen heen moest? En als hij dat al zou weten, hoe zou hij dan de wagen daarheen kunnen loodsen?

Wat zich toen afspeelde, was nog nooit gebeurd. De Grote Beer werd warm door de zonnestralen en wou wegduiken in de zee die voor hem verboden terrein is; de Slang dicht bij het poolijs raakte verhit en kreeg nieuwe driften. Zelfs de Ossendrijver, traag door zijn wagen, vluchtte in paniek weg.

Phaëthon werd lijkbleek toen hij vanaf de duizelingwekkend hoge hemelboog de landen diep onder zich zag liggen. Toen speet het hem dat hij naar zijn afkomst had gevraagd. Hij wou weer kunnen geloven dat hij de zoon van Menops was, maar hij werd meegesleurd als een schip dat ten prooi gevallen is aan de golven. Bidden tot de goden scheen hem zijn laatste hoop toe. Wat kon hij anders doen? Achter hem bevond zich al een groot stuk lucht, maar voor hem lag een nog veel groter stuk. Met wanhoop in de ogen blikte hij naar het westen, dat hij door het noodlot nooit zou bereiken.

Toen bemerkte hij langs het pad dieren, enorm grote dieren. Hij kwam langs de Schorpioen... De jongen vierde de teugels toen hij zag dat de Schorpioen klaar was om toe te slaan. Zonder mennershand schoten de paarden weg door een onbekende luchtstreek. Niet wetend waar ze heen gingen en botsend tegen de sterren sleurden ze de wagen van de weg af. De Maan begreep niet dat de paarden van de Zon lager waren dan de hare.
 

De gevolgen van Phaëthons tocht

De wolken begonnen te roken en de hoogste toppen van de aarde brandden al. De grond spleet open en werd dor omdat alle vocht verdampte. Grasvlakten werden as, de bomen vlamden. Nog erger was dat hele steden met hun bevolking vernietigd werden. Alle bergen en vulkanen gloeiden, van de Athos tot de Olympus en de Alpen. De Etna brandde voor eenmaal zowel langs de buitenkant als langs de binnenkant... Phaëthon zag de aarde aan alle kanten in vuur staan, zelfs z'n wagen was gloeiend heet. Zijn zicht werd belemmerd door zwarte rook om hem heen. Hij wist niet meer waar hij was of waar hij heen ging.

Die dag kregen de Ethiopiërs hun zwarte kleur; die dag werd Libië een woestijn omdat door de gloed al het water was verdampt. De nimfen treurden om hun wateren die overal verdwenen waren. Zelfs grote, brede rivieren waren niet veilig want de rook steeg op uit de Don, uit de Peneius en nog vele andere stromen. De Xanthus, de zanderige Lykormas en de Meander kookten. De Eufraat in Babylon stond in brand samen met de Orontes, de Thermodon, de Ganges, de Phasis en de Donau. Het goud dat door de Taag vervoerd werd, begon langzaam te smelten. De zwanen die Lydië sierden, werden gestoofd. De zeven zandrijke monden van de Nijl waren nog slechts zeven geulen zonder water. De Strymon en de Hebrus droogden uit. Het water van de Rijn, van de Po, van de Rhône en zelfs van de machtige Tiber in het Avondland verdampten. Het aardvlak spleet uiteen en de goden van de onderwereld werden opgeschrikt door de plotse lichtinval. Het water van de zee trok zich terug, de zee werd een vlakte van droog zand waardoor nieuwe bergtoppen omhoog rezen en het aantal Cycladeneilanden groeide. Zeedieren zoals vissen en dolfijnen durfden zich niet meer uitleven. Zeehonden dreven levenloos op de golven. Er wordt verteld dat Nereus met zijn vrouw en dochters in lauwe grotten vluchtte. Driemaal waagde Neptunus zijn armen uit de zee op te richten, maar driemaal was de lucht te heet.
 

Moeder Aarde vraagt Jupiter om hulp

De geschroeide Aarde, ingesloten door de wegkwijnende oceaan, met uitgedroogde en uitdrogende bronnen en waterlopen, keek smekend naar de hemel terwijl ze haar ogen beschermde tegen het sterke zonlicht, en sprak plechtig tot Jupiter:

"Ik was liever vernietigd geworden door jouw bliksem dan door dit vuur. Want is dit misschien mijn beloning voor al mijn arbeid en vruchtbaarheid, voor het feit dat ik ieder jaar doorploegd wordt en gras laat groeien voor het vee, graan voor de mensen en wierook voor de goden? Neem nu nog aan dat ik een straf verdiend heb, wat heeft dan de zee, jouw broer, jou misdaan opdat het niveau van het water zou zo moeten verminderen? Als je niks om mij geeft of om je eigen broer, denk dan toch tenminste aan je eigen hemel: die brandt al en zal weldra instorten: Atlas kan nauwelijks de gloeiend hete hemelkoepel torsen. Als aarde, zeeën en hemel zullen vernietigd zijn, zal er opnieuw chaos heersen. Red dus wat er te redden valt!"

Toen zweeg de aarde; ze kon van de dorst niet verder praten, maar boog het hoofd en borg het diep in zichzelf, in haar grotten, dichter bij de doden.
 

Jupiter redt het heelal

Jupiter verzekerde de goden - en vooral de god die zijn wagen had uitgeleend - dat alles zou vernietigd worden als hij niet zou ingrijpen. Jupiter klom naar de hemel vanwaar hij gewoonlijk wolken uitzond, de donder liet dreunen en bliksemschichten naar beneden slingerde. Maar nu waren er geen wolken en kon Jupiter het niet laten regenen. Daarom liet hij een donderslag weerklinken en schoot met een wel gemikte bliksemschicht Phaëthon, de wagenmenner, van de zonnewagen. De paarden schrokken, steigerden en rukten zich los van de nu slaphangende teugels; de zonnewagen was herleid tot een hoop verspreid liggende wrakstukken...

Getroffen stortte Phaëthon neer van zijn verbrijzelde wagen terwijl zijn rosse haardos in brand stond. Hij viel in een grote boog door de lucht omlaag, zoals een ster uit een onbewolkte hemel omlaag valt. De Eridanus, een hoofdstroom van het westen, ving hem op in zijn water en waste het roet van zijn gezicht. De waternimfen van het Avondland begroeven zijn nog smeulend lichaam. Het grafschrift luidde: 'Dit is het graf van Phaëthon, de menner van de zonnewagen; hij overleed aan overmoed'.
 

Rouw van de ouders van Phaëthon

De verdrietige vader had zijn hoofd met een sluier bedekt en als wat verteld wordt, waar is, dan is er toen een dag geweest zonder zon. De hevige branden die overal woedden, zouden toen voor licht gezorgd hebben - dit was dan ook het enige nut dat de branden hadden.

Toen Clymene, Phaëthons moeder, alles had gezegd wat bij zo'n ramp gezegd kon worden, ging ze, verdwaasd door verdriet, met een gescheurd kleed in de rouw. Ze zocht de hele wereld af, eerst naar het lichaam van haar zoon, dan naar zijn gebeente. Toen ze dat gevonden had, begraven op een verre kust, knielde ze op het graf neer, liet haar tranen de vrije loop en omhelsde de grafsteen telkens ze de naam van haar overleden zoon las.
 

Rouw van Phaëthons zusters

De rouwende dochters van de zonnegod weenden hartverscheurend om de nutteloze dood van Phaëthon, hun broer, en sloegen zich klagend op de borst. Zij riepen elke dag opnieuw de naam Phaëthon zonder dat hun geroep ooit werd beantwoord, en ze knielden wenend bij zijn grafsteen neer.

Maanden later, toen ze zoals gewoonlijk hun rouwklacht uiten, wou Phaëthusa knielen op de grond, maar klaagde dat haar voet vast zat. Toen Lampetia wou helpen, zat ook zij al met wortels aan de grond vast en toen de derde zuster in wanhoop haar haren wou vastgrijpen, rukte ze bij zichzelf blaadjes af. Ze kermden dat hun benen ingesloten werden door een fijne stam, dat hun armen takken werden...

Terwijl ze hulpeloos toekeken hoe ze langzaam in bomen veranderden, riepen ze hun moeder om hen te komen helpen. De geschrokken moeder probeerde haar dochters een voor een te helpen en hen voor de laatste keer te omhelzen. Ze poogde hen zelfs los te rukken van de stam die hen begon te omsluiten, maar toen ze dat deed, brak ze dunne takjes af. Uit die wonden vloeiden druppels rood bloed... De in bomen veranderde dochters gilden en riepen: "Spaar mij toch, moeder, ik ben het die in de vorm van deze boom door jou gefolterd word!" Ze wilden nog afscheid nemen maar de schors deed hun laatste woorden verstommen. Sindsdien druppelen hun tranen omlaag en dat vocht stolt in het zonlicht tot barnsteen.
 

Cycnus verandert in een zwaan

Cycnus, de zoon van Sthenelus, was getuige van dit wonder. Hij was familie van Phaëthon aan moeders kant en een echte vriend. Hij had zijn volk, de Liguriërs, verlaten en leefde nu in rouw aan de oevers van de Eridanus, in het bos waar de dochters van de zon als barnsteenbomen stonden. Daar verloor hij zijn stem en witte veren vervingen zijn haren. Hij kreeg een lange nek en tussen zijn tenen groeiden zwemvliezen. Veren bedekten zijn lichaam en in de plaats van zijn mond kreeg hij een stompe snavel. Cycnus was een zwaan geworden die niet te hoog durfde vliegen uit angst voor Jupiters bliksem. Hij bleef dus veilig in het ondiepe water en bouwde zijn nest op de oever van de rivier.
 

De Zon wil niet meer schijnen

De zon, vader van Phaëthon, had in die periode van rouw zijn glans verloren en het was even donker als bij een zonsverduistering. Hij verafschuwde zichzelf en wou door zijn verdriet, dat hij mengde met al zijn haatgevoelens, nooit meer schijnen.

"Al die jaren heb ik dit eindeloos werk verricht! Nu mag een ander het eens overnemen, dat rijden met de zonnewagen, en als geen enkele god het aandurft, dan moet Jupiter zelf het maar doen. Als Jupiter de zonnepaarden ment, zal hij geen tijd hebben om met bliksems te gooien en zo een vader van zijn zoon te beroven. Als hij de inspanning ervaart die nodig is om die paarden te kunnen mennen, zal hij wel aanvaarden dat slecht mennen nog geen reden is om gedood te worden!"

Na deze woorden vormden de goden een kring rond de Zonnegod en smeekten hem om de zon opnieuw te laten schijnen. Jupiter bood zelfs zijn verontschuldigingen aan voor het slingeren van de bliksem die Phaëthon gedood had, maar sprak ook dreigende taal, zoals een oppergod betaamt. Toen spande de Zonnegod toch maar zijn paarden in en zweepte er, verdrietig en verblind door de razernij, fel op los, want hij verweet hen nog altijd de dood van zijn zoon.
 

Na de ramp van Phaëthon inspecteert Jupiter de wereld

Jupiter inspecteerde de hemel en keek of er iets door het vuur vernield was. Toen hij zag dat alles nog in goede staat was, inspecteerde hij ook de aarde en de huizen van de mensen. Maar het meest van al was hij beducht voor wat er in zijn eigen streek, Arcadië, gebeurd was. Daar deed hij bronnen en rivieren opnieuw stromen; hij deed het gras opnieuw groeien en de bomen opnieuw bloeien. En de aangetaste natuur bloeide weer open.