Uit LIBER QUARTUS

Perseus

Koning Acrisius wil niets van Bacchus weten

Alleen Acrisius, koning van Argus, hield zijn stadspoorten dicht voor Bacchus. Hij stuurde zelfs een leger op de god af; hij geloofde helemaal niet dat Bacchus een god was, net zomin als hij geloofde dat Jupiter Perseus verwekt had bij zijn dochter Danaë door gouden regen. Maar de waarheid zou snel pijn doen, eens Acrisius zou begrijpen dat hij Bacchus beledigd had en dat Perseus echt zijn kleinzoon was! Bacchus had immers zijn plaats onder de goden al ingenomen, en Perseus suisde intussen met klapperende vleugels door de ijle lucht met zijn onovertroffen buit: het Medusahoofd...
 

Perseus bij Atlas

Toen Perseus wat later zegevierend met dat Gorgohoofd boven Libië zweefde, drupte er wat bloed op de grond... Onmiddellijk ontstond er nieuw leven in de onherbergzame woestijn: van dan af was het een akelig oord voor slangen.

Veel tijd om daarop te letten had hij niet, want hij vloog maar door, nu eens voortgedreven door de ene wind, dan weer door de andere, alsof hij een regenwolkje was. Heel diep onder zich zag hij onmetelijke onbekende gebieden. Perseus reisde de hele wereld door, zag driemaal de ijzig koude Grote Beer en driemaal in het zuiden de Kreeft. Hij werd naar overal meegesleept, van west naar oost en omgekeerd. Toen de avond viel, durfde hij niet meer verder en gunde zich een korte nachtrust in het rijk van Atlas in het Avondland, tot Lucifer de komst van Aurora zou aankondigen, en Aurora de komst van de Zonnegod.

Atlas, een zoon van Japetus, had een reusachtig lichaam en was groter dan wie ook. Zijn koninkrijk lag bij de oceaan aan de rand van de aarde, waar de moe gedraafde zonnepaarden met hun wagen hijgend in zee verdwenen. Onmetelijk rijk was hij: op zijn velden graasden wel duizend kudden vee en de goudkleurige bladeren van zijn bomen gaven schaduw aan vruchten en takken van zuiver goud.

Perseus sprak tot zijn gastheer: "Als je belang hecht aan hoge afkomst - ik ben namelijk de zoon van Jupiter - en als je heldendaden bewondert, schenk me dan gastvrijheid." Onmiddellijk dacht Atlas aan een oud orakel in Delphi waar Themis had gezegd: "Atlas, eens zal je bos beroofd worden van zijn goud en Jupiters zoon zal trots zijn op die buit." Bang dat deze uitspraak nu bewaarheid zou worden, had Atlas dikke muren rond zijn boomgaard gebouwd en liet die bewaken door een enorme draak. Alle onbekenden weerde hij uit zijn land.

Zo verging het nu ook Perseus, want Atlas riep: "Weg jij, want als ik je dood, heb je niet veel meer aan die zogenaamde heldendaden van jou, of aan je zogenaamde vader Jupiter!" Hij schudde dreigend zijn vuist, maar Perseus bleef staan en zei doodkalm: "Goed, je hebt mij liever niet te gast. Toch wil ik je iets schenken..." En hij toonde Atlas met de ogen afgewend het Medusahoofd, omringd door zwarte slangen.

Onmiddellijk veranderde Atlas in een enorme berg. Zijn haar en baard werden bossen; zijn schouders en armen groeiden uit tot hellingen; zijn hoofd veranderde in de top van het gebergte en zijn botten werden rots. Daarna strekte hij zich in alle richtingen verder uit en zo werd hij een reusachtige bergketen die heel het hemelgewelf met al zijn sterrenbeelden moest dragen, zoals de goden het beschikt hadden.