Uit LIBER UNDECIMUS

Peleus' straf voor broedermoord

Terwijl de zoon van Lucifer dit wonderlijk verhaal over zijn broer vertelde, kwam de opzichter van de kudden buiten adem van het lopen aangerend en stamelde: "Peleus! Peleus! Ik heb grote rampen te melden!" Peleus gebood de man te spreken, wat die grote rampen ook mochten zijn. Ondertussen luisterde ook Ceyx angstig naar het verhaal.

"Ik had de kudden in een lome gang naar het kronkelende strand gebracht. Het was ongeveer middag; veel dieren lage op het zand en staarden uit over de uitgestrekte zee. Een deel wandelde traag heen en weer en sommigen zwommen met hun kop hoog boven het water uit. Bij dat strand ligt een tempel, die niet om zijn goud of marmer bekend is; hij steunt op zware zuilen en is omringd door een oeroud bos. In die tempel is Nereus met zijn Nereïden thuis, want een visser die op die kust zijn netten uithing, zei mij dat Nereus hun zeegod is.

Niet ver daarvandaan is er veel moerasgrond door het binnenlopend zeewater; alles is er vol gegroeid met wilgen. Op die plaats brak opeens zo'n lawaai los dat de hele buurt ervan opschrok. Dat lawaai werd veroorzaakt door een reusachtige wolf. Besmeurd met modderig slib viel hij ons aan. Hij had een bliksemende muil die vol hing met speeksel en slierten bloed; zijn blik was doortrokken van rossig vuur, maar zijn razernij was nog het ergste. Hij wou duidelijk niet alleen met runderen zijn lege maag vullen, hij viel ook het kleinvee aan. Elk dier binnen zijn bereik werd op een wrede manier door hem geveld. Toen we hem wilden vangen, raakte ook een deel van onze mensen gewond, en enkelen werden doodgebeten. Alles zag rood van het bloed: het strand, het water; het moeras weergalmde van het gekerm van dieren. Maar praten alleen volstaat niet! De toestand laat geen getreuzel toe! Zolang er nog iets te redden valt, moeten we er gewapend heen gaan. Grijp daarom de wapens en help ons bij de wolvenjacht!"

Niet de slachting zelf deed Peleus schrikken, maar de gedachte dat deze ramp een dodenwraak was, gestuurd door Phocus' moeder (een dochter van Nereus) omdat hij, Peleus, haar zoon had gedood. Koning Ceyx had zijn mannen al te wapen geroepen, had scherpe pijlen laten brengen en stond zelf klaar om te gaan toen zijn vrouw Alcyone, ongerust door al dat rumoer, het huis uitrende. Ze was niet eens klaar met haar kapsel! Met haar armen om zijn nek smeekte ze haar man om niet aan de redding mee te doen. Huilend vroeg ze hem om te denken aan hun leven samen. Peleus stelde haar gerust: "Je vrees, vorstin, is mooi en edel, maar wees niet bang. Ik ben je echt dankbaar voor je bezorgdheid, maar ik ben niet van plan dat mysterieus ondier te bestrijden. Wat ik moet doen, is offeren aan een zeegodin."

Hoog bij de stad stond er een vuurtoren, een welkomstteken voor schepen die veel hebben afgezien. Die toren bestegen Ceyx, Alcyone en Peleus. Ontzet aanschouwden ze de slachting van de runderen op het strand en bemerkten ook de slachter met bloed rond zijn bek en in de lange haren van zijn vacht. Met zijn handen naar de open zee gericht bad Peleus tot de zeegodin Psamathe, om haar wrok te staken en hulp te bieden. Maar zij liet zich niet vermurwen door Peleus' smekende stem.

Pas toen Thetis, Peleus echtgenote, mee smeekte, toonde Psamathe medelijden en gebood ze de wolf zijn moordlust te staken. Maar omdat de zoete smaak van bloed in hem voortraasde, werd hij, nog kauwend aan een stuk gereten runderschouder, in steen veranderd. Zijn lichaam bleef gelijk, maar zijn kleur, de kleur van marmer, was een bewijs dat hij nu geen wolf meer was en dat men dus niets meer te vrezen had.

Toch was het Peleus niet gegund in dat land als balling te blijven wonen. Zwervend kwam hij aan in Magnesia waar de Thessaliër Acastus hem van zijn bloedschuld reinigde.