Uit LIBER UNDECIMUS

Peleus bij koning Ceyx

Gezegend met die zoon en met zijn vrouw zou Peleus nu een man zijn geweest die in alles zou geslaagd zijn, als je de moord op Phocus niet meetelt: omdat hij schuldig was aan die broedermoord, was hij uit zijn eigen land verbannen. Zo was hij Trachis terechtgekomen, waar een vreedzame en menslievende zoon van Lucifer regeerde. Het was een man die dezelfde lichtglans als zijn vader uitstraalde: koning Ceyx.

Maar op het ogenblik van Peleus' aankomst was Ceyx niet zichzelf; hij was in rouw omdat zijn broer hem ontnomen was. Peleus was doodmoe door de lange reis en voelde zich door schuld gekweld. Toen hij met zijn klein gezelschap door de poort gegaan was (het vee dat hij bij zich had, had hij immers in een beschaduwd dal buiten de stad gelaten) en toen de koning hem tenslotte ontvangen had, begon Peleus te smeken. Hij vertelde wie zijn vader was maar verzweeg de moord die hij gepleegd had (de ware reden van zijn vlucht!); hij vroeg aan de koning gastvrijheid binnen de stad of in zijn land. Vriendelijk zei Ceyx: "Peleus, ook minder hoge mensen heet ons goede land welkom. Ik regeer niet over een ongastvrij gebied en afgezien daarvan zijn je wijdbekende naam en je afkomst van Jupiter sterke punten. Smeek daarom niet langer, je krijgt hier alles wat je vraagt; beschouw alles wat je hier ziet als het jouwe. Alleen zie je het nu niet op zijn best..."

Hij barstte in tranen uit. Toen Peleus en zijn mannen vroegen wat hem zo'n groot verdriet deed, deed hij zijn verhaal.