Uit LIBER SECUNDUS

Mercurius en Herse

Mercurius vliegt naar Athene en raakt verliefd op de koningsdochter Herse

Daarna sloeg de boodschapper van de goden zijn vleugels uit en overvloog Munychia, een streek die Athene dierbaar is, en het bos nabij het hooggeleerd Lyceum. Traditiegetrouw werd op die dag door ongehuwde meisjes, met bloemenmandjes op het hoofd, een heilig offer naar Minerva's feestelijke burcht gebracht.

De gevleugelde god zag hun stoet terugkeren en hij wijzigde zijn traject; in plaats van rechtdoor te vliegen, begon hij in een kring te vliegen, net als een snelgewiekte gier die offervlees ruikt; afgeschrikt door de vele offerdienaars cirkelt hij rond en houdt zich op behoedzaam op een afstand, maar oogt gretig naar de lekkere prooi. Net als zo'n gier bewoog de begerige Mercurius zich in sierlijke bochten boven de burcht van Athene. Te midden van haar vriendinnen wandelde Herse in de stoet; zij was het mooiste sieraad, fonkelend als een gouden maan, helderder dan Lucifer en alle andere sterren.

Begeesterd door haar schoonheid zweefde Mercurius door de lucht en begon te gloeien als een loden kogel die weggeslingerd is door een slingeraar van de Balearen. Hij vloog in de richting van de wolken en tijdens zijn vlucht kreeg hij het benauwd: hij stond in vuur en vlam voor de mooie Herse! Toen daalde de god naar de aarde af, zonder enige vermomming, zozeer was hij (en terecht!) overtuigd van zijn grote charmes.

Toch liet hij niet na zijn uiterlijk nog even bij te werken: hij streek zijn lokken glad, schikte zijn kleed zodat het netjes in plooien viel en de gouden zoom goed zichtbaar was. Daarna nam hij zijn staf ter hand die slaap verwekt of slaap verjaagt, en poetste nog eventjes zijn elegante vleugelschoenen op.
 

Mercurius' liefde voor Herse wordt gedwarsboomd door haar zuster Aglauros

Verderop in het paleis bevonden zich drie met ivoor en schildpad versierde slaapvertrekken, aan de rechterkant dat van Pandrosos, links dat van Aglauros en in het midden dat van Herse. Aglauros had het eerst Mercurius' komst opgemerkt en vroeg, hem strak aankijkend, naar de naam van de godheid en naar de reden van zijn komst.

Mercurius stelde zich voor als kleinzoon van Atlas en Pleione, zoon van Maia en Jupiter, die in opdracht van zijn vader berichten bracht. "Ik vertrouw je dit toe in de hoop dat je je zus niet zult verraden en dat je mijn schoonzuster wilt worden. Ik kom voor Herse. Wees alsjeblieft vriendelijk voor haar minnaar."

Aglauros bekeek Mercurius met dezelfde intense blik als daarnet, vroeg hem voor haar bemiddeling een groot gewicht aan goud en verbood hem nog naar het paleis te komen.
 

Minerva helpt Mercurius

Toen richtte de krijgsgodin Minerva haar verstoorde blik op Aglauros en slaakte een zo diepe zucht dat niet alleen haar borst, maar ook haar borstschild trilde. Ze herinnerde zich maar al te goed dat het meisje op een achterbakse manier, tegen de afspraak in, het moederloze schepsel Erichthonius had begluurd. En zou zij zich nu verrijken met het goud van Mercurius, zo hebzuchtig afgedwongen om haar zus behulpzaam te zijn?

Minerva begaf zich vlug naar het met donker gif besmeurde huis van Vrouw Jaloezie. Dat bevond zich diep in een dal, onbereikbaar voor zon en voor wind, somber en vervuld van een ijzige kilte; het was een huis waar nooit de vlammen van de haard gedanst hadden, een huis omgeven door mist. Daar trok de gevreesde oorlogsgodin heen.

Ze hield stil bij de deur want ze mocht nooit binnen; ze tikte op de deurpost met haar speerpunt. Op haar geklop zwaaide de deur open. Binnen ontwaarde Minerva Vrouw Jaloezie, gretig genietend van stukken slangenvlees, de inspiratiebron voor haar listen. Dit tafereel deed Minerva terugdeinzen. Vrouw Jaloezie stond moeizaam recht, liet het half opgevreten slangenvlees op de grond achter en kwam langzaam naderbij.

Terwijl ze Minerva (mooi van lichaam en wapens) bekeek, kreunde ze en grijnsde vals. Ze was heel bleek, haar lichaam uitgemergeld, haar blik opzij gericht, haar gebit met de kleur van roest, haar hart vervuld van woede en haar tong zwanger van gif. Lachen kon ze alleen om iemands verdriet, slapen was onmogelijk omdat ze achtervolgd werd door angstbeelden. Ze was heel afgunstig op het succes van anderen en kwijnde weg door jaloezie. Daarvan genoot ze met volle teugen, maar terzelfder tijd was het een bron van kwelling zodat haar genot haar kwelling was.

De godin Minerva, vervuld van haat, beet haar een kort bevel toe: "Ga met je drankjes een dochter van Cecrops vergiftigen; doe wat ik je zeg! Aglauros is haar naam." Zonder nog een woord te spreken verwijderde Minerva zich en met behulp van haar lans duwde ze zich weg van de grond. Vrouw Jaloezie volgde met scheve ogen hoe Minerva wegvloog en mompelde iets omdat ze niet graag die godin haar zin gaf. Toch greep ze haar met doornen omwonden staf en begaf zich, omsluierd door donkere wolken, naar de burcht van Athene. Op haar pad vertrappelde ze bloeiende gewassen, verschroeide het gras, trapte papaverbollen stuk en met haar adem blies ze gif uit over mensen, steden en huizen.

Aglauros kwijnt weg van jaloezie

De burcht van Athene, symbool van rijkdom, macht en feestelijke vrede, deed haar in tranen uitbarsten omdat zij niemand anders tot huilen kon dwingen. Toen ze de slaapkamer van Cecrops' dochter had betreden, voerde ze haar opdracht uit. Ze raakte het meisje aan en om haar nog meer te kwellen, bracht ze haar eerst op de hoogte van de liefdesband van haar zuster met de razend mooie god.

Daarna begon ze haar opdracht uit te voeren. Ze plantte puntige stekels in het hart van Aglauros, blies kwaadaardig gif in haar lichaam, spoot een pikzwart venijn door al haar beenderen en deed dit doorsijpelen tot in haar longen. Door deze aanslag verkommerde Aglauros in stille smart en kreunde van de pijn. Diep ongelukkig en aangevreten door het gif smolt ze weg als een plakje ijs bij zonneschijn, ze werd verteerd zoals een stapel onkruid door het vuur verteerd wordt: de distels ontvlammen niet, maar smeulen langzaam weg. Even langzaam kwijnde Aglauros weg, denkend aan Herse's groot geluk.

Liever stierf ze dan dat groot geluk te moeten aanschouwen... Hoe graag zou ze dat 'zondig spel' aan haar strenge vader verklikken! Tenslotte nam ze plaats bij de voordeur om Mercurius de toegang te ontzeggen. Vleien en lieve woordjes vanwege de god baatten niet om binnen te raken en zij snauwde hem toe: "Geef het maar op. Ik zal hier niet wijken voordat ik jou verjaagd heb." Waarop Mercurius antwoordde: "Dat is dan zo afgesproken."

De voordeur was al geweken voor zijn goddelijke staf en in haar poging om uit gehurkte houding recht te komen, werd ze overvallen door een zware onmacht om te bewegen.

Aanvankelijk probeerde ze om met gestrekte rug recht te staan, maar haar beide knieën werden stram, de stijfheid kroop tot ver in haar teennagels. Haar aders werden bleek door gebrek aan bloed, zoals dit soms gebeurt bij een uitzaaiende kanker die alles overwoekert. Een doodse kilte nestelde zich in haar hart, zodat haar adem stokte en haar doodsstrijd begon.

Ze deed dus geen poging meer om te spreken. En als ze had geprobeerd, dan was het haar niet gelukt want haar keel was immers tot steen verhard, haar mond verstard. Daar zat ze, gevoelloos als een stenen beeld. Geen wit beeld, maar een zwart, zo zwart als haar ziel was geweest!