Uit LIBER SECUNDUS

Mercurius en Battus

Mercurius steelt Apollo's runderen

Op dat ogenblik liep Apollo nog in Elis rond in herdersplunje, een staf in zijn linkerhand, zijn herdersfluit in zijn rechterhand. Hij zocht troost voor zijn verloren liefde, Coronis, en liet zijn runderen afdwalen. Dat had Maia's zoon Mercurius gezien! Hij dreef de kudde listig weg, de bossen in. Niemand had de roof bemerkt behalve een oud mannetje uit de streek, een zekere Battus, die toezicht hield op de paardenstal van Neleus.

Mercurius nam hem terzijde en zei: "Beste vriend, ik ken je wel niet, maar als iemand naar deze kudde vraagt, zeg dan maar dat je ze niet gezien hebt. Als beloning geef ik je een pracht van een koe." Battus was in de wolken met de koe en antwoordde: "Maak je geen zorgen, beste vriend! Die steen daar zal eerder je diefstal verklappen dan ik!" en hij wees naar een steen.

Mercurius vertrok maar keerde korte tijd later terug, met een andere stem en in een andere gedaante. Toen hij Battus had bemerkt, riep hij: "Zeg, boertje, heb jij runderen zien voorbijkomen? Ik ben mijn runderen namelijk kwijt! Spreek op, je krijgt twee runderen - een koe en een stier - als je inlichtingen kunt geven."

Omdat de beloning verdubbeld was, riep de oude dadelijk "Ze zullen nu zowat aan de voet van die bergen zijn!", en ze waren inderdaad aan de voet van die bergen.

Mercurius barstte in lachen uit en zei: "Zo, oude, verraad je mij nu aan mezelf?". En omdat de oude hem eerst niet doorhad, herhaalde hij zijn woorden en veranderde de leugenaar in een steen die nog altijd "verklikker" wordt genoemd, hoewel de steen zelf die naam niet verdient.