Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Macareus vertelt de verdere avonturen van Odysseus

Macareus vertelde hoe Aeolus, Hippotes’ zoon en heerser over de Tyrrheense wateren, de winden goed in de hand hield, maar een opmerkelijk geschenk (een leren zak vol winden) had meegegeven aan Odysseus. Negen dagen lang werd hij voorspoedig voort geblazen: het begeerde land kwam in zicht. Maar toen Aurora voor de tiende maal verscheen, kregen de mannen last van jaloezie en roofzucht: menend dat er geld of goud in die zak zat, maakten ze de zak open…

Waarna het schip over diezelfde golven werd teruggedreven naar de baai van de windgod Aeolus. "Daarna", zo ging hij verder, "bereikten we de oude stad van de Laestrygoniërs, gesticht door Lamusen en geregeerd door Antiphates. Ik werd naar hem gestuurd met nog twee mannen. Een is op het nippertje ontkomen, net als ik, maar onze derde man heeft met zijn bloed de wrede mond van zo’n Laestrygoniër besmeurd! Antiphates zat ons op onze vlucht dicht op de hielen en zijn leger haalde ons in. Ze gooiden met bomen en stenen naar de vloot en bracht schip na schip tot zinken. Slechts een schip, dat van Odysseus en mijzelf, ontkwam…

We treurden nog over het verlies van zoveel makkers en klaagden voortdurend toen we daar landden", en hij wees naar het eiland… "Je ziet dat eiland in de verte… Geloof me maar - want ik zag het zelf - het is een eiland waar je nooit wil komen! Zelfs Aeneas, al is hij nog zo’n edele Trojaan en Venus’ zoon, geef ik de raad - want nu het vrede is, heet hij geen vijand: blijf weg van Circe’s kust!

Ook wij lagen daar voor anker, maar we dachten aan Antiphates en de Cycloop en wilden liever niet aan land gaan. Er werd geloot wie naar haar paleis zou gaan om te verkennen, en het lot zond mij, mijn vriend Polites, Eurylochus samen met nog achttien man - bij wie die dronkelap Elpenor - naar Circe’s woning. Toen we het huis bereikten en daar bij de poort stonden, maakten wel duizend beren, leeuwen, wolven en wolvinnen ons bang. Ze kwamen rennend op ons af. Maar geen ervan bedreigde ons of wou zijn tanden in ons zetten, integendeel, zij kwispelden vriendelijk met hun staarten. Ze bleven naast ons lopen tot wij door dienaressen werden opgewacht.

Deze begeleidden ons door een hoge marmeren hal naar een zaal waar hun meesteres plechtig op de troon zat. Een glanzend kleed hing van haar schouders, daaroverheen een gouden sluier. Nimfen en Nereďden zaten bij haar, maar niet om met bedreven vingers vol wol te spinnen. Nee: ze sorteerden grassen, bloemen en kruiden, bont van kleur en ordeloos vergaard, die zij verdeelden over mandjes en Circe zelf hield toezicht op het werk: zij was het, die de kracht van elk plantje en de beste combinaties verstond. Nauwlettend wees zij elk haar kruidenportie toe.

Toen zij ons zag, werden er eerst begroetingen gewisseld, haar blik leek zeer vriendelijk en haar woorden gaven goede hoop… Zij liet dadelijk een mengsel van gebrande gerstekorrels, krachtige wijn, kaas en honing roeren, voegde daar een toversap aan toe dat in die zoete drank niet kon geproefd worden. Ieder van ons kreeg uit haar godenhand een beker.

We waren uitgedroogd en dronken gretig, maar zij, de wrede nimf, tikte op ons hoofd met haar staf en tot mijn schaamte - maar ik zeg het toch - groeiden daar stekels uit. Ik kon niet meer spreken, rauw geknor in de plaats van taal kwam uit mijn mond. Ik hield mijn hoofd nu helemaal omlaag voelde mijn mond verharden tot een bolle snuit, mijn nek zwol op van de spieren en mijn handen, die net nog de beker vasthielden, bewoog ik nu als poten. Zo verging het ook met mijn makkers - dat was de kracht van het tovermiddel! Wij werden in een hok geduwd. Alleen Eurylochus, zo zagen we, kreeg niet die zwijnenvorm: hij had als enige de beker geweigerd. Was dat niet gebeurd, dan was ik nog steeds een stekelzwijn… Odysseus had dan nooit door hem ons lot gehoord en was ons nooit komen wreken.

Mercurius, de god die de mensen rust brengt, had hem een wit plantje met zwarte wortels toevertrouwd. Door de god beschermd betrad hij Circe’s huis, waar hij verwelkomd werd met een toverdrank. Toen ze met haar staf zijn hoofd wou raken, duwde hij haar weg en trok zijn zwaard, wat haar hevig deed schrikken. Daarna verzoenden ze zich en zij nodigde hem zelfs uit in bed; in ruil daarvoor vroeg hij haar echter zijn vrienden terug!

Die vrienden werden bespat met een onbekend kruidensap, ze tikte hen op het hoofd met de onderkant van haar staf en nieuwe toverwoorden klonken tegen oude toverklanken… Hoe langer zij zong, hoe meer we ons van de grond oprichtten, ons borstelhaar viel uit, onze gespleten hoeven verdwenen, we kregen opnieuw schouders, onze korte poten werden weer lange armen, die we huilend om de schouders van de huilende Odysseus sloegen en onze eerste woorden waren er van dank en blijdschap.