Uit LIBER PRIMUS

Lycaon

Jupiter roept een godenvergadering bijeen om maatregelen te nemen tegen de zonden op aarde

Toen Jupiter dat gezien had vanuit de hemel, slaakte hij een diepe zucht. Hij moest denken aan het gruwelijke maal in het huis van Lycaon en voelde zijn woede opkomen. Hij riep een godenvergadering bijeen.

Er liep een weg omhoog, de Melkweg, herkenbaar aan zijn lichtglans. Die weg leidde naar het paleis van Jupiter, de oppergod. Aan weerszijden woonden de doorluchtigste goden. Deze plaats zou terecht de Palatijn van het hemelrijk genoemd kunnen worden.

Daar zetelden de goden in de Marmerzaal van Jupiters paleis. Jupiter zelf zat op zijn troon, steunend op zijn scepter. Hij schudde enkele malen vervaarlijk het hoofd en sprak verontwaardigd: "Toen onlangs de Giganten trachtten de hemel te overmeesteren, was ik niet erg bezorgd om de macht over de wereld. Het waren natuurlijk gevaarlijke vijanden, maar het kwaad kwam van één bepaalde groep en uit één bepaalde richting. Nu echter moet heel het mensdom vernietigd worden: het slechte moet kapotgemaakt worden voor het goede wordt aangetast. Want bij de mensen wonen heel wat aardse goden en natuurdemonen, nimfen en faunen, saters en het volk van Pan dat in de bergen leeft. Wij willen ze geen plaats in de hemel geven, maar we moeten er wel voor zorgen dat hun land bewoonbaar is. Hoe kunnen ze daar nu veilig leven als daar voor mij een val werd uitgezet door die schurk Lycaon?" De goden riepen verhit om wraak. Jupiter bedaarde het rumoer, waarna hij verder sprak.
 

Jupiter licht de goden in over Lycaon

"Wees gerust: Lycaon heeft zijn verdiende loon gekregen. Zijn slechte faam was mij al meermaals ter ore gekomen. Om ze te onderzoeken daalde ik van de Olympus af en trok als mens door de aardse landen. De werkelijkheid was erger dan wat ik gehoord had! Achter het Arcadisch gebergte lag de woning van die heerser. Door tekens maakte ik duidelijk dat er een god in huis was. De mensen knielden in gebed, maar Lycaon lachte hen uit en zei dat hij eerst wou bewezen zien dat ik wel een god was.

's Nachts wou hij mij in mijn slaap vermoorden, maar eerst keelde hij met zijn dolk nog een krijgsgevangene, kookte diens ledematen en roosterde de rest boven het vuur. Toen hij mij dit voorzette, liet ik het dak instorten. Hij vluchtte weg in doodsangst.

Ver weg jankte hij hoewel hij trachtte te roepen: zijn mond verklankte zijn bloeddorst. Van dan af richtte hij zijn moordlust op dieren in het veld: hij werd een wolf. Kleren werden vacht, armen en benen werden poten. Toch toonde hij nog tekens van zijn oude staat: dezelfde bruingrijze kleur, dezelfde wreedheid, zijn ogen lichtten even fel en hij zag er nog even woest uit. Daarmee werd nog maar één huis van kwaad te gronde gebracht. Daarom is mijn voorstel dat heel het mensdom gestraft wordt."
 

De godenvergadering geeft Jupiter toestemming om de mensheid te vernietigen

Jupiters woorden werden op applaus onthaald. Toch hadden de goden enige spijt dat het mensdom zou worden uitgeroeid. Zou Jupiter de dieren de aarde laten beheersen? Jupiter beloofde echter dat hij een nieuwe mensensoort op een miraculeuze wijze zou laten geboren worden. Aanvankelijk was hij van plan het mensdom te vernietigen door het met zijn bliksem te treffen, maar hij bedacht zich: de godenhemel zou wel eens vuur kunnen vatten! Daarom koos hij ervoor om alle mensen in een zee van golven te laten omkomen.