Uit LIBER QUARTUS DECIMUS

Koning Picus en zijn vrouw Canens 

We bleven bijna een jaar bij Circe en in die tijd had ik veel vernomen door te zien en te luisteren. Het volgende werd me bijvoorbeeld in het geheim verteld door een van de vier dienaressen die altijd hielpen bij het toveren (terwijl Circe zich had afgezonderd met Odysseus): het meisje liet hem een uit sneeuwwit marmer vervaardigd beeld van een jongeman zien dat in een kapel stond. Het beeld had een specht op z’n hoofd en had opmerkelijk veel kransen.

Uit nieuwsgierigheid vroeg hij wie dat wel was, waarom hij daar in een kapel vereerd werd en waarom die vogel op z’n hoofd zat. Toen antwoordde ze: ‘Luister, Macareus, dan kom je te weten hoeveel kracht mijn meesteres heeft. Picus, Saturnus’ zoon, was koning van Ausonië; hij was ook een grote paardenkenner, die deze dieren trainde voor gevechten. Hij was even mooi als zijn beeld hier, je kunt zijn schoonheid zelfs proeven uit die nagebootste vormen, en zijn karakter was even mooi. Wat zijn leeftijd betreft: hij had nog geen vierde lustrum van de Spelen in Olympia beleefd. In het heuvelland van Latium trok hij de aandacht van de dryaden; najaden begeerden hem! Maar hij gaf om geen een van hen, hij eerde slechts een nimf: de dochter van Janus en Venilia die, zo wordt toch gezegd, op de Palatijn geboren is. Dit meisje, rijp en huwbaar, koos uit alle kandidaten voor Picus van Laurentium. Haar schoonheid viel op, maar haar zangtalent was nog opvallender; haar naam was niet voor niets Canens... Door haar gezang kwamen bossen en rotsen in beweging, bracht ze wilde dieren tot rust en stopte ze rivieren in hun loop en vogels in hun vlucht.

Maar op een dag, toen ze thuis met hoge stem haar zangkunst beoefende, was Picus in het Laurentijns gebied op jacht gegaan naar wilde zwijnen; hij mende zijn vurig paard, hield in z’n linkerhand twee speren vast en droeg een purperrode mantel met een gouden gesp. Juist op dat moment had Circe, de dochter van de Zon, de naar haar genoemde kaap verlaten en was in diezelfde bosstreek, dat rijkbegroeide heuvelland, op zoek gegaan naar verse kruiden.

Toen ze vanuit het dichte groen de man in ’t oog kreeg, voelde ze zich plots als het ware verlamd, haar kruidenbundels vielen op de grond; ze voelde zich vanbinnen branden en toen ze tot bezinning kwam na die eerste felle brand, wou ze hem haar liefde tonen, maar door zijn snelle paard en zijn jachtgezelschap werd hij steeds meer onbenaderbaar. Maar, dacht zij: «Zelfs al jaag je met de stormwind, mij ontkom je niet meer, als ik mezelf goed ken, als mijn kruiden maar hun kracht behouden en als mijn toverspreuken goed hun werk doen!».

Na deze woorden toverde zij een schijnbeeld van een everzwijn en laat dat vlak voor Picus’ ogen wegrennen naar een stuk dichtbegroeid bos, donker door al de bomen en voor paarden ondoordringbaar. Picus zette, niets vermoedend, de achtervolging op het schijnbeeld in, sprong ijlings van zijn paard dat hij daar schuimend achterliet, en volgde te voet, tussen het hoog kreupelhout, een ijdel spoor.

Ondertussen sprak Circe wensformules en gebeden, riep onbekende goden aan in een geheime zang, woorden waarmee zij ook de bleke maan kon laten vertrekken of haar vaders zonnenhoofd kon bedekken achter regenwolken. Ook nu trok de lucht dicht door haar gezang, er kwamen nevels uit de aarde, de jagers doolden rond in duisternis, de koning raakte afgezonderd van zijn lijfwacht…

En toen zij meester was van plaats en tijd, riep ze hem toe: «Jij die een schoonheid hebt die mij doet knielen - die een godin doet knielen! - en ogen die de mijne vasthouden, ik smeek je, gun mij mijn liefste wens: huw met de dochter van de allesziende Titaan, de Zon, en wijs mij, Circe, niet hardvochtig af!’ Zo sprak ze, maar hij wou noch haar noch haar gebeden horen en riep: «Wie je ook bent, ik ben de jouwe niet! Een ander bezit mijn hart en mag dat nog heel lang bezitten, hoop ik. Zolang ik nog met Janus’ dochter Canens leven mag, wil ik mijn huwelijkstrouw niet schenden met verboden liefde.»

«Dan zul je» riep Circe na herhaald en tevergeefs gesmeek, «je straf nog voelen: je keert niet terug bij Canens! Voel maar wat een vrouw kan doen als ze in haar liefde gekrenkt wordt!» Zij boog zich tweemaal naar het westen, tweemaal naar het oosten, sloeg Picus driemaal met haar staf en sprak drie spreuken uit. Hij rende snel weg, was zelf verbaasd dat hij veel sneller liep dan normaal, zag veren aan z’n lichaam groeien en uit protest dat hij een nieuwe vogelsoort in de Latijnse bossen moest zijn, pikte hij woedend met zijn harde snavel in ’t ruwe hout en deed de lange takken pijn. Zijn veren behielden de purperen glans van zijn mantel, de gouden gesp, die daardoorheen gestoken zat, was nu een pluim en rond zijn hals liep nog een blonde goudrand, maar verder restte er van de oude Picus slechts zijn naam.

Zijn makkers, die nog steeds in heel die bergstreek vergeefs naar Picus zochten, stoten daar wel op Circe, want die had de lucht opgeklaard en met de hulp van wind en zon de nevels laten wijken. Ze dwongen haar de waarheid te bekennen, eisten hun koning terug en dreigden met wapengeweld. Maar Circe wou kwaad: ze spatte met kruiden en giftig sap in het rond, riep de Nacht en nachtdemonen uit de onderwereld op en gilde met langgerekt gehuil om Hecate. Het bos - het is een wonderlijk verhaal - is van zijn plaats gesprongen, de bodem heeft gezucht, de bomen in de buurt verbleekten, de met gif besproeide planten waren nat van druppels bloed, het leek of er een rauw geluid van loeien uit stenen opsteeg, er blaften honden, zwarte adders kropen langs de grond en overal vlogen er lichaamloze schaduwen van doden.

De mannen staarden diep ontzet naar al die gruwelen. De tovenares gaf met haar staf een korte tik op al die starre angstgezichten, waardoor elk in een ander monster werd omgetoverd, niemand behield zijn eigen menselijk lichaam. De Zon had reeds in het Avondland Tartessus’ kust verlicht toen Canens vruchteloos met oog en hart nog steeds de komst van haar man verwachtte. Bedienden en gewone volksmensen doorzochten bos na bos met fakkels. De nimf had niet genoeg aan tranen storten, rouwmisbaar, zich aan de haren trekken - ook al deed zij al die dingen… Ze rende het huis uit, gek van verdriet, en zwierf door Latium. Zes nachten en zes dagen hebben haar rond zien dolen, zonder voedsel, zonder slaap, langs hellingen en door valleien, waar het lot haar ook langs voerde.

De Tiber was de laatste die haar zag, toen ze, doodmoe van zwerven en verdriet, zich neerlegde op zijn lange oever. Daar uitte ze bedroefd, onder een stroom van tranen en met zwakke stem, haar klagelijke woorden, zoals vanouds een zwaan vlak voor zijn dood zijn lijkzang zingt. Haar zacht merg werd in dit opperste verdriet zo vloeibaar, dat ze ging smelten en allengs in ijle lucht verdween. Toch leeft haar naam voort: die plek werd vroeger door de Muzen in het Camenae-bos ‘Canens’ genoemd, naar deze nimf.’

Zo hoorde ik, tijdens mijn lang verblijf daar, veel dergelijke dingen, en ik heb er zelfs met eigen ogen aanschouwd! Verzwakt en niet meer gewend om te werken moesten we de zee weer op, weer de zeilen hijsen. Door Circe waren we gewaarschuwd voor een lange en riskante reis, voor woeste zee en vele gevaren, en uit angst - dat beken ik eerlijk - ben ik op deze kust van boord gegaan." Na dit verhaal zweeg Macareus.