Uit LIBER UNDECIMUS

Koning Midas

Bacchus verliet die landstreek waar Orpheus was vermoord en zocht zijn wijnberg Tmolus op. Daar stroomt de Pactolus die nog geen rivier van afgunst was, omdat er in die tijd nog geen goud in zat. Bacchus vond daar zijn trouwe Bacchanten, uitgezonderd Silenus. Die was door Phrygisch boerenvolk gevangen genomen en naar koning Midas gebracht, die in Bacchus' godsdienst was ingewijd door Orpheus en Eumolpus. Midas herkende Silenus dus direct als vriend en volgeling van Bacchus. Ter ere van Silenus gaf Midas tien dagen en tien nachten durende feesten. Toen Lucifer de elfde dag het hemels sterrenleger had afgevoerd, reisde Midas naar Lydië en bracht Silenus naar Bacchus terug.

Midas mocht, omdat hij Silenus had teruggebracht, van Bacchus een wens doen. Midas' wens was dat alles wat hij aanraakte, zou veranderen in goud. Bacchus vervulde zijn wens maar was teleurgesteld dat Midas niets beters had gekozen.
 

Midas' wens is bijna zijn ondergang

Midas ging dankbaar heen en probeerde zijn wens uit door hier en daar iets aan te raken. Hij geloofde zijn ogen niet toen hij een tak van een eik trok en die in goud veranderde. Hij nam een steen en ook die verbleekte tot goud. Hij raakte een kluit aarde aan en die werd in zijn handen een goudklomp. Droge korenhalmen veranderden in goud en als hij een appel plukte, leek die geschonken door de Hesperiden. Als hij een deurpost raakte, veranderde die in goud en als hij zijn handen waste, kon zelfs de straal die uit zijn handpalmen vloeide een Danaë verrassen. Alles wat hij aanraakte, veranderde in goud. Dolblij ging Midas aan tafel. Zijn lakeien hadden de tafel gedekt met schalen vol voedsel en mandjes brood. Maar zodra hij met zijn handen wat brood vastnam, veranderde het in goud. Als hij zijn tanden in het vlees wou zetten, kwam er een goudlaag om het vlees. Ook de wijn (een geschenk van Bacchus) veranderde bij zijn mond in vloeibaar goud. Geen hap stilde zijn honger, dorst verschroeide zijn keel. Toen smeekte hij: "O Bacchus, schenk me vergiffenis! Ik deed verkeerd, maar help mij. Ik smeek je: verlos mij van mijn gouden ziekte!"

Bacchus toonde zich genadig en ontsloeg hem van de afspraak; dan zei hij: "Als je niet langer met dat vervloekte goud besmeurd wil blijven, ga dan naar de Pactolus bij Sardes en volg de rivier door het bergland van de Lydiërs tot aan de bron. Waar de bron heel krachtig te voorschijn borrelt, spoel je je hoofd en lichaam af, en zo zul je ook je zonde wegspoelen." Midas deed wat hem gezegd werd. De gouden toverkracht ging van zijn lichaam over in de stroom en nu nog blinken de akkers daar van goud.

Midas en de god Pan

Midas leefde nu in velden en bossen en wijdde zich aan Pan, de god die in de bergen in grotten woont. Toch bleef hij lomp en dwaze onnadenkendheid zou hem een tweede keer veel ellende bezorgen.

De steile Tmolus zag ver uit over zee. Hij reikte met zijn hellingen van Sardes links tot aan het nietige Hypaepa rechts. Toen Pan daar op een keer lieve nimfen met zijn zangkunst vermaakte en licht frivole wijsjes op zijn panfluit speelde, durfde hij Apollo's verzen kleineren. Hij durfde zelfs een ongelijke wedstrijd aan! De berggod Tmolus mocht scheidsrechter zijn. De grijsaard zette zich op zijn bergrug en schoof het geboomte van zijn oren weg. Er bleef slechts een eikenkrans om zijn blauwgroen haar liggen en de eikels hingen langs zijn slapen. Zijn blik richtte zich op Pan, de god van het vee. "De jury", zei hij, "zit klaar en luistert."

Toen begon Pan op zijn rietfluit te spelen. Zijn wat uitheemse lied vertederde Midas, want deze was daar toevallig ook aanwezig. Daarna wendde Tmolus zich tot Apollo en terwijl hij dit deed, draaide het bos mee. De god droeg een laurierkrans van de Parnassus op zijn blonde lokken. Zijn purperrode mantel sleepte over de grond en zijn lier, bezet met edelstenen en ivoor, rustte op zijn linkerarm. Hij leek al op een kunstenaar als hij met het plectrum in de hand stond. Daarna begon hij de snaren zo bekwaam te spelen dat Tmolus voor de zoete klank bezweek en uitspraak deed: "Apollo's lier wint van de panfluit."

Iedereen was het eens met het oordeel van de berggod. Behalve Midas; hij protesteerde en noemde het onredelijk… De god van Delus, die niet verdroeg dat zulke stomme oren nog op mensenoren leken, rekte ze naar boven uit, bedekte ze met een grijze vacht en maakte de onderkant wat slap: zo konden zijn oren flapperen. Verder bleef Midas mens, alleen dat lichaamsdeel kreeg straf en zo had hij voortaan de oren van een trage ezel.
 

Midas' geheim verraden

Hij wilde die oren graag verborgen houden, want hij schaamde zich voor zijn hoofd. Daarom droeg hij een dure tulband om de schande te verbergen. Alleen de dienaar die zijn lange lokken mocht knippen, wist van zijn oren af en had ze al gezien. Omdat de man over zijn ontdekking niet durfde te praten, maar er toch over moest praten - hij kon zijn geheim niet bewaren - groef hij buiten ergens een kuil. Daarin vertelde hij met zachte stem over de oren van zijn koning en fluisterde in de grond hoe deze er wel uit zagen. Daarna dekte hij zijn woorden en ook het geheim met scheppen aarde toe. Toen de kuil dicht was, ging hij stilletjes naar het paleis. Maar op de plek waar hij gefluisterd had, ontsproot een dicht bos wuivend riet; Toen dat in het hoogseizoen volgroeid was verrieden ze het geheim door zachtjes ruisend in de wind te zingen over de oren van de koning.