Uit LIBER SEPTIMUS

Jason en Medea

De Argonauten bij koning Phineus

De Argo, het Argonautenschip, sneed door de golven na een kort bezoek aan Phineus, die zijn trieste ouwe dag in eeuwige blindheid doorbracht. De zonen van Boreas hadden de vliegende Harpijen uit zijn bord weggejaagd, daarna hadden ze met de beroemde Jason heel wat avonturen beleefd en nu hadden ze eindelijk de snel stromende, zandige Phasis bereikt.
 

De Argonauten in Colchis; Medea wordt verliefd

Toen ze in Colchis waren aangekomen, werden de Argonauten bij de koning aangediend; ze vroegen hem het Gulden Vlies. Terwijl de koning uiterst gevaarlijke en huiveringwekkende voorwaarden opsomde, voelde Medea een warme gloed van binnen. Hoewel ze lang weerstand bood aan die onbekende gloed en hoopte dat haar gezond verstand zou zegevieren, kon ze haar verlangen naar Jason niet temmen.

"Het heeft geen zin, Medea, een godheid zit je dwars. Het zou me niet verbazen dat dit liefde is, of zeker iets dat daarop lijkt... Waarom vind ik vaders eisen eigenlijk zo onmenselijk? Ze zijn onmenselijk! Waarom ben ik zo bang dat iemand die ik nog niet goed ken, zal sterven? Waar komt die angst vandaan? Weersta aan de liefde die je prille hart doet ontvlammen, als je tenminste nog kunt... Helaas! Als ik dat zou kunnen, liep ik nu geen gevaar...

Een vreemde kracht dwingt me; mijn begeerte wil iets anders dan mijn verstand: ik zie, ik weet wat goed is, maar ik jaag het slechte na...Waarom, prinses, word je verliefd op een vreemdeling, waarom? Waarom droom je van een huwelijk ver van huis terwijl dit land genoeg te bieden heeft? En of Jason straks sterft of niet, dat zijn zorgen voor de goden... Nee! Sterven mag hij niet! Ook zonder liefde mag ik wensen dat hij leeft, want heeft Jason iets misdaan? Je moet wel van steen zijn als Jasons afkomst, moed en jeugd geen indruk maken. En wie wordt er anders niet aangetrokken door zijn gelaat? Ik wel, in elk geval...

Als ik geen hulp bied, zal hij straks de stierenadem voelen blazen; dan zal hij moeten vechten tegen vijanden die hij zelf heeft gezaaid, die uit de grond zijn ontstaan; hij zal een prooi zijn voor een gulzig monster! Als ik dat zou toestaan, zou ik een hart van steen of staal hebben, of zou mijn moeder een tijgerin zijn; dat geef ik eerlijk toe. Dan kan ik evengoed met mijn eigen ogen toekijken hoe hij sterft! Waarom hits ik niet zelf die stieren, dat uit de grond opgerezen leger of die waakzame draak tegen hem op? Goden, bewaar me! Nee, ik moet niet smeken, ik moet handelen.

Maar wat moet ik doen? Moet ik mijn vaders heerschappij verraden en een jonge kerel die ik niet ken, het leven redden? Zodat hij veilig kan vertrekken, maar zonder mij en daarna met een ander trouwt terwijl ik hier de straf voor mijn hulp niet kan ontlopen? O, als hij dat doet en iemand anders boven mij verkiest, dan mag hij voor mijn part sterven! Maar zijn verschijning, zijn edelmoedigheid en zijn charmes zijn niet zo dat hij mij zal bedriegen of dat ik ondank voor mijn hulp hoef te vrezen. Ik zal hem straks zijn erewoord vragen en hierbij de goden als getuigen aanroepen. Wat moet ik dan nog vrezen? Kom, Medea, doe het meteen, geen uitstel! Jason zal je nu voorgoed trouw blijven en een plechtig huwelijk met je sluiten; in Griekse steden zal ik als een redster en een heldin worden onthaald door heel wat moeders...

Maar keer ik echt mijn zus, mijn broer, mijn vader, mijn goden, mijn vaderland en mijn geboortestad de rug toe? Ja, echt, ik laat hen achter omdat mijn vader wreed en mijn land barbaars is; omdat mijn broer nog een kind is; mijn zuster zal mij steunen en in mij heerst die sterke god! Ik laat geen rijkdom achter, ik ga rijkdom tegemoet: ik zal leven in een beter land, ik zal als een redster door het Griekse volk worden geëerd. Ook hier wordt gesproken over de roem, de kennis van die mensen, over hun kunst en over Jason voor wie ik alle rijkdom van de wereld opgeef.

Met zo'n man zal ik gelukkig worden, en ik zal er de goden dankbaar om zijn. Het mag dan wel waar zijn dat er op zee gevaren dreigen; dat Charybdis, van wie elke zeeman schrik heeft, de golven opslokt en weer uitspuwt; dat het geblaf van Scylla met al haar honden over de wateren rond Sicilië wordt gehoord... De liefde zal mij helpen, ik vaar alle zeeën af in Jasons armen zonder dat ik iets zal vrezen, en als ik angst zou hebben, dan zou ik alleen kunnen vrezen mijn bruidegom te verliezen... Maar zou dat wel een huwelijk zijn? Zie ik de dingen niet rooskleuriger dan ze zijn? Schei uit, Medea, nu het nog kan, met wat verkeerd is."

En bij die woorden stonden kuisheid, eergevoel en plicht haar strak voor ogen, zodat Cupido zich moest gewonnen geven.
 

Medea ontmoet Jason buiten het paleis

Medea ging naar het oeroude heiligdom van Hecate, de dochter van Perse, dat verscholen lag in een eenzaam bos. Haar hartstocht leek bedaard en ze voelde zich weer sterk. Maar juist nu kwam ze Jason tegen, en het smeulende vuur laaide opnieuw op. Haar gelaat kleurde rood, haar hele hoofd begon te gloeien, zoals een vonkje dat, toegedekt onder de as, voedsel vindt in het waaien van de wind, daardoor terug opflakkert en zich met herwonnen krachten dansend omhoog richt. Zo was haar liefde, die verflauwd was en verdwenen leek, weer opgelaaid toen ze die man in volle schoonheid zag verschijnen.

Ja, Jason was die dag op de een of andere manier knapper dan anders; je kon haar verliefdheid wel begrijpen. Ze keek hem aan en bleef strak in zijn gezicht kijken alsof ze het toen pas voor het eerst zag; ze bleef verstomd staan, ze geloofde dat ze meer dan alleen maar een mens had gezien en ze kon haar blik niet afwenden. Toen Jason haar aansprak, haar rechterhand nam, haar eerst om hulp smeekte en haar dan met een onderdanige stem ten huwelijk vroeg, vloeiden er tranen over haar wangen en ze zei: "Ik weet al wat ik moet doen: niet het gebrek aan plichtsbesef toont mij het slechte pad, maar wel de liefde. Door mijn toedoen word je gered, Jason, schenk mij in ruil daarvoor je trouw."

Hij zwoer het bij Hecate, de godin met drie gedaanten, bij haar heilig bos en alle goddelijke wezens die daar leefden; hij zwoer ook bij de Zon, de grootvader van Medea, en bij de goede afloop van zijn eigen avonturen. Toen hij haar had overtuigd, gaf zij zonder aarzelen haar toverkruid en legde de werking ervan uit. Opgetogen stapte Jason naar het paleis.
 

Jason wint het Gulden Vlies

Aurora had de volgende ochtend de fonkelende sterren verjaagd. Het volk begaf zich naar het heilig Marsveld, waar het plaatsnam op de hellingen. De koning, gekleed in een purperen gewaad en met zijn ivoren scepter in de hand, was ook al naar deze plek gekomen. Daar waren de stieren: ze hadden bronzen hoeven en stalen neuzen waardoor ze vuur bliezen (deze stieren waren immers door de god Vulcanus gemaakt); hun hete adem verschroeide het gras. Zoals een hoog gestookte oven loeit en giert, of zoals een stookplaats waarin losse stukken kalksteen vurig gaan sissen als er water over wordt gesproeid, zo klonk het geluid uit de gloeiende keel en borst van de stieren.

Toch naderde Jason de dieren; hun walgelijke koppen wachtten dreigend zijn aanval af. Hun scherpe horens waren bedekt met ijzer en met hun scherpe hoeven stampten ze op de losse grond. De Argonauten waren bang want Jason was al vlak bij de stieren maar voelde hun adem niet, zo krachtig werkte dat kruid; hij streelde hen met vastberaden hand, legde hen het juk van een zware ploeg op en dwong ze zo voren te trekken in het stukje land dat nog nooit was omgeploegd. Hij greep de bronzen helm met drakentanden, doordrongen met gif, en strooide ze in de voren. Zoals een vrucht zich in de moederbuik ontwikkelt en zich tot in het kleinste onderdeel daarbinnen vormt om pas in rijpe toestand op de wereld te verschijnen, zo rees ook daar, uit de bevruchte grond, een volk dat zich gevormd had in de zwangere ingewanden van de aarde, maar vreemder nog: die mannen waren bij hun geboorte al gewapend!

Toen de Grieken zagen hoe de krijgers hun scherpe lansen opnamen en zich klaar hielden om ze naar Jasons hoofd te slingeren, durfden ze niet meer kijken: ze verloren hun laatste sprankeltje hoop. Ook Medea werd bang, hoe goed ze hem ook beveiligd had. Toen ze op die ene man zo veel vijanden zag losstormen, verstarde ze en werd ze bleek. Uit angst dat haar kruiden niet zouden helpen, prevelde ze een toverspreuk. Maar Jason gooide een zware rots te midden van de vijanden waardoor de aanval omsloeg, omdat die krijgers nu met elkaar begonnen te vechten en in onderlinge strijd sneuvelden.

De Grieken juichten de overwinnaar toe en omarmden hem hartstochtelijk, iets wat jij, Medea, ook wou doen, maar voor je fatsoen en je goede naam moest je je beheersen en kon je slechts in stilte blij zijn. Je moest ook je toverkunst en de goden die je kunst mogelijk hadden gemaakt, bedanken.

Nu moest Jason nog een monster (dat nooit sliep en dat de boom van het Gulden Vlies bewaakte) met toverkruid bedwelmen. Toen hij dit monster, bevreesd om zijn drie tongen, zijn stekelige kam en zijn kromme tanden, met kruid vol slaapverwekkend sap bestrooid had en tot driemaal toe een spreuk had uitgesproken, die niet alleen mensen doet slapen maar zelfs gedonder van rivieren en geraas van de zee doet bedaren, sloot het monster zijn ogen en veroverde Jason, de held, de gouden vacht. Trots nam hij zijn buit, samen met de schenkster van die gouden trofee als bruid, aan boord en keerde in triomf naar de haven van Iolkos terug.
 

Medea verjongt Jasons vader

Als dank voor de thuiskomst van hun zonen, brachten de moeders van de Argonauten en de oude vaders offers aan de goden. Ze gooiden wierook in het vuur en het offer van een rund waarvan de horens met goud versierd waren, bekroonde de plechtigheid. Slechts Aeson ontbrak bij het dankfeest, want hij was door de ouderdom ondermijnd en bijna stervend.

Daarom zei Jason tot zijn vrouw: "Ik weet dat ik mijn leven aan jou te danken heb, je hebt mij alles al geschonken; al je goede daden overtreffen de trouw die ik van jou mocht verwachten. Maar ik heb nog een verzoek: kun je met je toverspreuken, die toch alles kunnen, van mij wat jaren afnemen en die aan mijn vader geven?" Hij huilde toen hij zijn vraag stelde.

Medea bedacht, ontroerd door zoveel trouwe liefde, hoe zij haar eigen vader Aeëtes was ontvlucht. Zonder die gevoelens uit te spreken zei ze: "Jason, hoe durf je zoiets vreselijks zeggen! Denk je echt dat ik een deel van jouw bestaan kan overbrengen naar een ander? Nee, je vraagt mij te veel; zelfs Hecate zou mij dit niet toestaan. Maar toch wil ik je helpen, en zelfs meer dan je vraagt: ik zal je vader trachten te verjongen door mijn toverkunst. Dit zal gebeuren zonder jou te schaden, als Hecate mij tenminste genadig is bij de uitvoering van mijn plan."

Het duurde nog drie nachten voor de maan haar sikkelpunten tot een hele cirkel sloot, maar toen zij in haar volheid blonk en naar de aarde omlaag keek, verliet Medea het paleis. Blootsvoets, met haar rokken los geplooid en het haar niet opgebonden maar golvend langs de schouders, zocht ze alleen haar weg in het holst van die volkomen stille nacht.

Mensen, vogels en wilde dieren sliepen vredig; overal heerste diepe rust; alleen de sterren fonkelden. Met de armen in de lucht draaide Medea zich driemaal om en besprenkelde driemaal het haar met water dat ze uit een beek had geschept. Ze slaakte drie kreten, knielde op de harde grond en bad:

"O nacht, vriendin van mijn geheimen! Gouden sterrenlicht dat samen met de maan het zonnelicht van de dag vervangt! O Hecate, driehoofdige godin, die getuige is van mijn plan, beschermster van mijn toverkunst en spreuken! O aarde, jij die tovenaars voorziet van krachtig kruid! O lucht en winden, bergen, meren en rivieren! Goden van bos en duisternis, ik vraag jullie allen: sta mij bij! Want als ik dat wou, deed ik met jullie hulp rivieren tussen verbaasde oevers stilstaan en naar hun bron terugvloeien. Ik maak met toverzangen een wilde zee weer kalm, en omgekeerd, ik roep nevels op of jaag ze weg, ik zorg wel of niet voor wind, ik doe kelen van slangen barsten met bezwerende formules. Ik verplaats rotsen, ruk bomen en zelfs hele bossen uit de grond; ik doe bergen sidderen, de bodem kraken en kreunen en ik wek de doden uit hun graf. Ja, zelfs de maan trek ik omlaag, al bezweren koperen bekkens een maansverduistering; zelfs de zonnewagen raakt door mijn spreuken zijn glans kwijt, door mijn sappen kwijnt Aurora. Jullie, goden, hebben dat stierenvuur voor mij bedwongen en die nooit getemde nekken voor het juk van de ploeg doen buigen. Jullie brachten die drakenzonen tot felle strijd en deden de bewaker van het Gulden Vlies, die bewaker die nooit sliep, in slaap vallen; toen die was uitgeschakeld lieten jullie het Gulden Vlies weer naar de Griekse steden gaan. Nu vraag ik jullie om sappen die de grijsheid verjongen tot nieuwe bloei, sappen waardoor de eerste levenshelft opnieuw bereikt wordt. Ik weet dat jullie ze zullen geven, want ik laat de sterren niet voor niets fonkelen, en ik zie niet voor niets de wagen met de gevleugelde draken staan!"

Die wagen was vanuit de hemel naar de aarde afgedaald. Ze aaide het drakenspan over de nek, besteeg de wagen en bewoog licht de teugels; toen werd ze hoog in de lucht meegevoerd. Thessalië en het Tempe-dal lagen diep onder haar. Ze dreef de draken naar welbepaalde bergstreken waar ze kruiden uitzocht: op de hoge Pelion, de Ossa, de Orthris, de Pindus en - zelfs hoger dan de Pindus - de Olympus. Een deel van die kruiden trok ze los met wortel en al, een ander deel sneed ze af met een bronzen mes. Daarna koos ze oevergras uit van de Eridanus, de Amphrysus, de Enipeus, de Peneius en de Spercheius; ook het Boibe-meer droeg met zijn riet-begroeide oevers bij aan haar verzameling kruiden. Tenslotte plukte ze er ook nog wat in Anthedon, bij Euboea, een krachtig kruid - dat werd nadien bekend toen Glaucus in een zeegod veranderde. Zo zwierf ze negen volle dagen met haar wagen, getrokken door dat gevleugeld drakenspan, langs al die oorden. Bij haar terugkomst verloren de draken (die het kruid niet hadden aangeraakt maar alleen geroken hadden) hun oude huid en kregen een nieuwe.

Medea keerde naar huis terug maar ging niet naar binnen: omdat ze nu nog niet met mensen in contact wou komen, bleef ze voorlopig onder de blote hemel. Ze bouwde met graszoden twee offertafels: de rechtse bestemd voor Hecate, de linkse voor Juventa. Nadat ze die met groene twijgen en slingers had bekranst, bracht ze, naast de offertafels en boven de aarde, de vereiste offers. Ze stak twee zwarte schapen een mes in de keel; een stroom van bloed spoot in de open aarde. Dan goot ze - onder een stortvloed van tovertaal - uit een drinkschaal heldere wijn over de dode schapen, daarna halfwarme melk. Toen riep ze de onderaardse machten aan. Ze smeekte Dis en Proserpina dat zij de oude man niet te snel van zijn levensgeesten zouden beroven.

Toen Medea hen met lange gebeden genadig had gestemd, liet ze Aeson (die sterk verzwakt was) naar buiten brengen om te rusten op een bed van gras; ze had hem in een diepe slaap getoverd. Ze gebood Jason en zijn slaven weg te gaan opdat ze haar zwarte kunst niet met hun profane blikken zouden hinderen; ze gehoorzaamden.

Medea liep met wapperende haren om de altaarvuren heen. Ze doopte dunne fakkelstokjes in het zwarte bloed dat zich met aarde had vermengd. Toen de stokjes doordrenkt waren, stak ze die op de altaren aan en trok driemaal een kring van vuur rond de grijsaard. Dit ritueel herhaalde ze met water en zwavel.

Ondertussen kookte ze in een koperen pan een krachtig tovermiddel; het borrelde met een witte schuimlaag. Ze roerde al het groen dat ze in Thessalië had geplukt er doorheen en voegde nog zaden, bloemen en donkere sappen toe. Vervolgens strooide ze er steentjes in uit verre oorden, en oceaanzand dat door eb en vloed was schoongewassen. Dan voegde ze druppels rijp toe die ze 's nachts bij maneschijn had verzameld, en schadelijke nachtuilvlerken waar nog vlees aan zat. Tenslotte deed ze er de ingewanden van een weerwolf bij die zijn dierenlijf maar al te vaak voor dat van een mens verwisseld had; en bij dit alles kwamen verhoornde schubben van een Afrikaanse slang, de lever van een krachtig hert en kop en snavel van een negen generaties oude kraai. Met nog duizend niet te noemen andere dingen werkte Medea aan de uitvoering van haar bovenmenselijk plan.

Ze roerde van de bodem tot de rand met een half rotte tak die ooit vol olijven had gehangen. En kijk: dat oud stuk hout dat in de ketel rondging, werd eerst frisgroen, daarna kreeg het blaadjes en opeens was het weer zwaar van een vracht olijven! Op de plaats waar spetters schuim uit de ketel waren sprongen, was de aarde veranderd in potgrond; bloemen en zacht gewas ontloken er. Zodra Medea dit bemerkte, greep ze haar zwaard en doorboorde ze de keel van de oude man zodat zijn bloed rijkelijk kon wegstromen; in zijn aders goot ze haar toverdrank. Zodra het drankje Aesons lijf was binnengestroomd, werden zijn baard en zijn haar zwart in plaats van grijs, zijn magerte en zijn bleekheid verdwenen en zijn zwakheid was vergeten. Zijn ingevallen wangen werden weer vlezig, zijn ledematen kregen opnieuw kracht. Aeson, blij verwonderd, voelde zich weer dezelfde man als veertig jaar geleden.
 

Bacchus bewondert Medea's kunsten

Dit wonderbaarlijk werk zag Bacchus vanuit de hoge lucht en hij kreeg van Medea gedaan dat ook de leeftijd van zijn nimfen werden verjongd.
 

Medea's wraak op Pelias

Ze was nog niet gestopt met haar intriges, want Medea maakte ruzie met Jason; een schijnvertoning natuurlijk om als bedelaar naar Pelias' paleis te kunnen gaan. Omdat Pelias te oud was, ontvingen zijn dochters Medea. Handig en snel zij palmde de Colchische hen in door zich vriendelijk te gedragen. Toen ze hen verteld had van haar successen en dus ook hoe Aeson jonger was geworden, hoopten de meisjes dat ook Pelias zou kunnen verjongen. Ze smeekten Medea en beloofden alles te geven wat ze vroeg. Eerst aarzelde Medea; ze wachtte om te antwoorden maar toen stemde ze toe en zei: "Ik zal bewijzen wat ik kan door de oudste ram van jullie kudden tot lammetje te maken."

Het zwakke dier werd onmiddellijk gehaald. Met een mes sneed Medea het de keel over en dompelde ieder deel in een gekookt sap: de ram werd weer klein en jong en begon lief te blaten; toen zocht het spelend naar moedermelk. De meisjes waren nu nog sterker overtuigd dat wat ze gevraagd hadden, mogelijk was.

Vier dagen later bereidde Medea een brouwsel met water en gras, maar zonder de toverkruiden; ze had de koning bewusteloos gemaakt met spreuken en tovertaal. Toen de dochters van Pelias binnenkwamen, beval Medea hen het bloed van hun vader te vergieten. Met afgewende hoofden sneden ze hun vader de keel over: ze betuigden hun dochterliefde door vadermoord! Pelias kon zijn dochters nog vragen waarom zij dit deden, maar daarna werd hij tot zwijgen gebracht en belandde hij in het hete water, dat natuurlijk geen werking had...
 

Medea's vlucht

Omdat Medea door haar drakenwagen weggevoerd was, ontliep ze haar straf. Ze vloog hoog over de schaduwrijke Pelion; hoog over de Othrys-berg, bekend doordat Cerambus hier als kever met de hulp van nimfen de zondvloed van Deucalion had kunnen ontvluchten.

Vele dingen gleden onder haar door: de versteende slang Lesbos en Ida's woud, waar Bacchus ooit een jonge stier verborg die hij veranderd had in een hert omdat zijn zoon de stier gestolen had; Paris' graf bedekt met een dun laagje zand en het land waar Maera angst gezaaid heeft met haar vreemd geblaf, de vesting van Eurypylus op Cos, waar vrouwen koehorens kregen in de tijd dat Hercules er met zijn leger langstrok; Rhodos, Ialysos, waar het Telchinen-volk door Jupiter's haat een prooi werd van de zee omdat zij alles verpestten. Ze kwam ook langs het oude eiland Cea, met de stad Carthaea, waar Alcidamas ooit verbaasd zag hoe zijn kind de vorm kreeg van een zoete druif.

Beneden zich zag ze verder het meer van Hyria en het Tempe-dal, druk bezocht door Cycnus sinds hij een zwaan was: want op Cycnus' verzoek had Phyllius eerst voor hem twee gieren en een woeste leeuw getemd, en moest toen ook nog een stier temmen. Maar Cycnus bleef hem steeds als minnaar afwijzen zodat Phyllius de stier voor zichzelf hield. Cycnus riep verontwaardigd: "Straks heb je spijt!"en sprong van een hoge rots. Hij werd tijdens zijn val in een zwaan veranderd, maar toch dacht iedereen dat hij was neergestort. Zijn moeder Hyria smolt van verdriet weg in tranen tot een vijver die nog altijd het meer van Hyria heet.

Dichtbij ligt Pleuron, stad van Ophius, wiens dochter Combe vluchtte voor het geweld van haar eigen zonen. Daarna zag de Colchische Calaurea, Latona's land; het koningspaar daar was ooit in vogels veranderd. Aan de rechterkant lag Cyllene, de plaats waar Menephron, als was hij een wild dier, zijn eigen moeder wou verkrachten. Wat verderop zat Cephisus te huilen om zijn kleinkind dat door Apollo in een zeehond was veranderd. Ook Eumelus' huis was in rouw om zijn verdwenen zoon. Tenslotte landde ze met haar draken bij Pirene, de bron van Corinthe. Al lang vertelde men dat daar, toen het voor het eerst regende, mensen zijn gegroeid uit paddestoelen.
 

Medea doodt haar kinderen

Toen Jasons nieuwe bruid verschroeid was door Medea's gif en beide zeeën van Corinthe haar zagen branden, doodde de wraakzuchtige moeder met het onheilbrengend zwaard haar eigen kinderen en vluchtte weg. Ze vluchtte met haar Titaanse drakenwagen naar de plaats waar men eens de oude Periphas en zijn rechtschapen Phene gezien had toen ze in het rond vlogen. Daarna ging ze naar Athene's burcht, waar ook Alcyone vleugels kreeg. Eerst werd Medea Aigeus' gast, later werd zij zijn vrouw.