Uit LIBER QUARTUS

Ino en Athamas

Bacchus wordt overal gevierd

Van dan af werd Bacchus overal, ook in Thebe, aanbeden. Ino, de tante van Bacchus, eerde de nieuwe god zoals iedereen. Zij was de enige dochter van Cadmus die nog geen verdriet gekend had, behalve om haar zusters...

Toen Juno zag hoe trots zij was op haar zonen Learchus en Melicertes, op haar huwelijk met Athamas en op haar goddelijk pleegkind Bacchus, kon ze het niet meer verdragen. "Die zoon van Jupiters vriendin" zei ze bij zichzelf, "kon de Lydische matrozen als dolfijnen de zee injagen, Pentheus' lijf laten verscheuren door zijn eigen moeder en tantes, vleermuisvleugels kweken bij dat drietal van Minyas, en ik, Juno, moet hier machteloos in tranen toezien? Is dat alles wat ik kan? Kan ik echt niets meer bereiken met mijn macht? Wacht even! Bacchus toont zelf wat ik moet doen... Van je vijand kun je nog heel wat leren, want uit Pentheus' dood blijkt duidelijk wat je met waanzin kunt doen. Waarom kan ik dan Ino niet straffen door haar waanzinnig te maken, zoals haar zusters?"
 

Juno gaat de Furiën tegen Ino opzetten

Een pad, afgeschermd door een haag van giftig taxusgroen, leidt in doodse stilte naar beneden, naar de onderwereld. De trage Styx ademt mist uit. Schimmen van pas gestorvenen dalen er af. Kilte en vaalheid heersen er in een wijde wildernis. De nieuwe doden zoeken de weg die naar de stad voorbij de Styx loopt, daar waar het paleis van Dis verrijst.

De ruime stad heeft duizend toegangswegen, duizend toegangspoorten waardoor de zielen naar binnen stromen. Er is altijd plaats voor volk, het immer groeiend aantal deert niet. Bloedloos, zonder lichaam of gebeente wandelen de schimmen rond, over het Forum, in het paleis van koning Dis. Sommigen zijn zelfs nog aan 't werk, alsof ze hun vorig leven hier verder willen zetten, anderen zijn gebonden aan hun straf.

Juno, de dochter van Saturnus, verlaagde zich om vanuit de hemel naar dat oord te gaan, zozeer gaf zij toe aan haat en boosheid. Zodra ze bij het binnentreden de drempel deed kraken met haar goddelijke verschijning, stak Cerberus zijn drie koppen uit, die alle drie tegelijk blaften. Maar Juno wenkte de zusters wraakgodinnen, de Furiën, de dochters van de Nacht. Ze zaten voor een kerkeringang die met een stalen hefboom afgesloten was, en kamden de klitten uit hun zwart slangenhaar. Toen ze Juno in het schemerlicht zagen naderen, stonden ze op.

Men spreekt er van het "plein van de zondaars": vogels pikken in Tityus' lever, terwijl zijn lichaam twee hectaren uitgerekt wordt. Tantalus kan nooit van het water drinken en de tak met vruchten boven hem blijft hem steeds ontwijken. Sisyphus duwt zijn steen omhoog, maar moet hem steeds weer terughalen als hij naar beneden is gerold. Ixion draait in het rond, steeds zichzelf volgend en ontvluchtend. De Danaïden scheppen water dat altijd weer verdwijnt, omdat zij een drieste moord op hun eigen neven en echtgenoten beraamd hebben.

Toen Juno al die zondaars met een streng afkeurende blik bekeken had, liet ze haar ogen van Ixion naar Sisyphus gaan en zei: "Waarom is hij de enige die moet boeten, terwijl zijn broer Athamas in hoogmoed in een duur paleis woont waar hij en zijn vrouw mij nog nooit hebben aanbeden?" Ze vertelde de Furiën de reden van haar haat en haar komst. Ze zei hen wat ze van hen verlangde: Cadmus' huis moest verwoest worden en de Furiën moesten Athamas tot waanzin drijven. Zo luidde het bevel van Juno, die de drie zusters veel beloofde voor hun medewerking.

Verleid door Juno's beloften keek Tisiphone op; ze zag er verwilderd uit en had grijs-wit haar. Ze veegde de slangen die voor haar ogen hingen, weg en antwoordde: "Het is niet nodig om ons een heel verhaal te doen, wat je ook vraagt, het wordt gedaan, geloof me. Verlaat dit somber rijk en keer terug naar je hemel, waar het zoveel beter is." Opgelucht vertrok Juno en voor zij haar woning in de hemel betrad, had Iris haar gereinigd met dauwdruppels.
 

De schrikgodin Tisiphone in actie

Tisiphone, die onheilsgodin, nam haar met bloed besmeurde fakkel meteen ter hand en hulde zich in haar mantel, die kletsnat was van vergoten bloed. Ze hing kronkelende slangen rond haar lichaam en verliet de onderwereld. Ze was vergezeld door vier gestalten: Smart, Paniek, Vrees en Waanzin. Hun gelaat was verwrongen van angst.

In hun gezelschap verscheen zij in de hal van Athamas' paleis. Men zegt dat de paleisdeur trilde en dat het esdoornhout verbleekte. Het was reeds nacht; Ino en Athamas waren doodsbang voor haar verschijning. Samen wilden ze het huis ontvluchten, maar Tisiphone hield hen tegen. Ze zat voor de deur met uitgestoken armen, omringd door kronkelende slangen.

Ze schudde haar hoofd zodat je slangen hoorde ritselen; die lieten zich van haar schouders glijden om dan langs haar borsten naar beneden te kronkelen. Ze spuwden gif, sisten en flikkerden met hun tong. Tisiphone rukte twee serpenten uit haar haardos en wierp die in de richting van Ino en Athamas. Ze kronkelden omhoog, de ene langs Ino's borst, de andere langs de borst van Athamas en ademden een giflucht uit die niet schadelijk was voor het lichaam, maar dodelijk voor de gezondheid van de geest.

Tisiphone had ook een gifdrank meegebracht. Hij was gemaakt uit speeksel van Cerberus en slijm van Echidna, en was vermengd met blinde waanzin, misleidend onverstand, slechtheid, tranen, razernij en moordzucht. Dat alles was goed dooreen geroerd en aan de kook gebracht met vers bloed en groene dollekervel in een koperen pan.

Het echtpaar kromp in elkaar van angst, maar de Furie goot onverstoorbaar het gif over hun borst uit. Het drong door tot de zetel van hun innigste gevoelens. Daarna zwaaide Tisiphone met haar fakkel rond, steeds dezelfde baan, en door de snelle beweging tekende ze vlammencirkels in de lucht. Toen haar opdracht eindelijk was volbracht, keerde ze terug naar de onderwereld en ontdeed zich daar van haar slangengordel.

Het duurde niet lang of Athamas werd woest. Hij krijste door de zaal: "Kom, mannen! Span het jachtnet tussen de bomen! Hier! Ik zag zojuist twee welpen en hun moeder..." In zijn waanzin jaagde hij op zijn vrouw alsof ze een wild beest was.

Hij griste hun zoontje Learchus van onder haar armen vandaan, draaide hem driemaal als een slinger in de lucht en sloeg zijn hoofdje keihard tegen de muur. Ino begon hysterisch te gillen, misschien onder invloed van het gif, misschien uit verdriet, en rende snel weg met verwarde haren. De baby, Melicertes, droeg ze in haar blote armen. Krijsend riep ze: "Bacchus! Bacchus!" Toen Juno die naam hoorde, moest ze lachen: "Je pleegzoon Bacchus komt je hier echt goed van pas!"
 

De dood van Ino

Er bevond zich een rotspunt hoog boven de zee, onderaan door de golven uitgehold, bovenaan steil; hij torende boven de woeste branding uit. Ino beklom die rots - de waanzin had haar sterk gemaakt - en stortte zich met haar kind in zee: ze kende geen angst meer... Nadat ze in het water was terechtgekomen, sloot de zee zich schuimend boven haar hoofd.

Maar Venus, die dit onverdiende lijden voor haar kleinkind te erg vond, vleide haar oom en zei: "Neptunus, jij heerst over de zeeën en jouw macht reikt tot ver in de hemel, ik vraag wel veel, maar ik vraag het voor mijn familie: help hen die je daar in de Ionische Zee ziet verdrinken door goden van hen te maken! Omdat ik in jouw wateren geboren ben (dat bewijst mijn Griekse naam), heb ik ook iets over de zee te zeggen."

Neptunus willigde haar smeekbede in: al het aardse in Ino en haar zoon vernietigde hij en gaf hen goddelijke macht in ruil. Ze kregen ook een nieuwe naam: hij noemde de nieuwe god Palaimon en diens moeder Leucothea.

Ino's Thebaanse vrouwen waren haar gevolgd zo snel ze konden. Ze zagen haar voetspoor bij de rotswand eindigen... Ze waren zeker dat Ino dood was. Ze sloegen zich hardhandig, rouwden om de familie van Cadmus, scheurden hun kleren, trokken zich de haren uit het hoofd en spraken bitter over de godin die onrechtvaardig en te streng voor de geliefde van Jupiter was geweest.

Juno verdroeg die verwijten niet. "Vanaf nu worden jullie het beste voorbeeld van mijn strengheid!" zei ze, en haar woorden werden bewaarheid: een van Ino's trouwste vrouwen wou in het water springen en riep: "Kijk, ik volg mijn koningin tot in de dood!", maar ze kon zich niet meer verroeren en bleef als aan de grond genageld staan. Een andere die zichzelf hard op de armen sloeg, voelde zich bij elke slag meer en meer verstijven. Een derde die haar armen naar het water gericht had, versteende en bleef zo voor eeuwig staan. Bij eentje zag je zelfs hoe ze zich de haren uit het hoofd wou rukken en opeens aan die stenen haren vastzat met haar stenen vingers.

Iedereen versteende, op enkelen na die in vogels veranderden en nog steeds laag over het water vliegen.