Uit LIBER QUINTUS DECIMUS

Het wonder van Egeria vergeleken met drie vroeg-Romeinse gebeurtenissen

Dit wonder raakte de nimfen diep. Hippolytus stond ook verbijsterd, hij leek op die ploegende Etrusk die in open veld, een aardkluit zomaar, zonder dat er iemand bijstond, zag veranderen in een man die met zijn nieuw geboren stem de toekomst begon te voorspellen. Zijn naam was, volgens de Etrusken, Tages, en hij was de eerste die de Etrusken de toekomst leerde openbaren…

Misschien leek Hippolytus op Romulus, die ooit eens op de Palatijn zijn speer in de grond plantte en zag dat zijn speer blad kreeg! Het ijzer zag hij veranderen in wortels en in plaats van een wapen, stond er een boom met wiegelende takken voor zich die schaduw bood aan het stomverbaasde volk… Of misschien leek hij op Cipus, die in de Tiber zijn hoofd gekroond zag met twee hoorns. Cipus dacht dat dat beeld gezichtsbedrog was, maar toen hij meermaals met zijn vingers tastte, merkte hij dat zijn blik hem niet bedroog.

Hoewel hij op weg was naar Rome na een zege op de vijand, bleef hij ter plekke staan. Hij keek en strekte zijn armen naar de hemel en riep:"O Goden! Wat dit teken ook beduidt: indien het geluk brengt, laat het dan zijn voor heel het land en volk van Romulus, indien gevaar dreigt alleen voor mij…" En op een altaar, gemaakt van groene zoden stortte hij wierrook in het vuur, plengde uit een schaal, liet dieren slachten en raadpleegde hun nog trillende ingewanden.

Daarin zag een Etruskische voorspeller grote veranderingen in de staat, hoewel nog niet duidelijk was welke. Maar toen hij van de organen naar Cipus keek, en diens horens zag, riep hij: "O wees gegroet als koning! Dit gebied van Rome zal u, gehoornde majesteit, gehoorzaam zijn! Aarzel niet langer, Cipus, en haast je naar de stad. Want daar zal je veilig en lang heersen."

Maar Cipus deinsde terug, wendde zijn hoofd van de stad af en zei:"Nee! Weg ermee! De hemel verdrijft zo’n teken! Het is beter dat ik ver van mijn land wegga dan dat het Capitool zo’n koning moet zien…" Waarop hij zijn horens verborg achter zijn zegekrans en het volk en de eerbiedwaardige senaat bijeenriep. Toen stapte hij het aarden podium op dat snel door zijn mannen was opgericht, riep volgens de oude riten de goden aan en zei:

"Een van jullie zal hier heersen, tenzij jullie hem uit de stad verjagen. Ik noem hem niet, maar beschrijf hem wel. Hij heeft horens op zijn hoofd en de ziener zegt dat hij, zodra hij de stad betreedt, slavernij zal brengen. Hij had nu al in de stad kunnen zijn - de poort is open -maar ik heb dat verhinderd, ook al staat hij dichter bij mij dan bij wie dan ook. Jullie, burgers van Rome, mogen hem de stad niet inlaten. En als hij toch zou komen, sluit zijn dreiging dan uit door hem vast te ketenen of te doden."

Het gemompel dat daarop volgde klonk als het gesuis van hoge pijnbomen wanner de gure oostenwind, of als de golven in de zee, wanneer je van op afstand luistert. Maar boven alles klonk een vraag: wie is hij? Allen keken naar de mensen rondom zich om te zien of er toevallig iemand met horens bij was. Maar dan sprak Cipus weer en zei: "Hier is wie jullie zoeken!"

Waarop hij zijn krans afzette en zijn voorhoofd met beide horens toonde, hoewel het volk hem zei dit niet te doen. Er klonk een kreet van spijt. Eerst wendde men de blikken af, maar dan keek men toch, met tegenzin, naar hem. Niemand kon dit geloven van iemand die zoveel roem had verdiend. En omdat ze niet duldden dat Cipus verder ongeëerd zou blijven, drukten ze de feestkrans weer op zijn hoofd. Omdat hij nu de stad niet meer mocht betreden, heeft de senaat hem een stuk grond geëerd dat zo groot was als een ossenspan met de ploeg in een dag. En in de bronzen stadspoort werden de horens afgebeeld, als teken van de wondere gedaante.