Uit LIBER OCTAVUS

Het Calydonische everzwijn: Meleager en Atalanta

Theseus' naam lag op de lippen van alle Grieken. Als er grote gevaren dreigden, werd zijn hulp door vele volkeren uit het Griekse rijk ingeroepen. Zo riep ook Calydon om dringende hulp, hoewel daar Meleager woonde. De oorzaak was een everzwijn dat in dienst van de verbitterde Diana vernieling zaaide in heel het gebied. Diana wou zich namelijk wreken op koning Oeneus.

Van zijn rijke opbrengst had Oeneus het eerste graan aan Ceres gewijd, de eerste wijn aan Bacchus en de eerste olijfolie aan Minerva. Iedere god, van faun tot hemeling, ontving dank in ruil voor zijn gunsten. Maar Diana's altaar stond er als enige verwaarloosd bij: er was zelfs geen wierook. Het is normaal dat een god zich dan gekrenkt voelt! "Wacht maar," had Diana geroepen, "dit blijft niet ongestraft! Laat ze me maar ongeëerd noemen, maar ongewroken zal ik nooit zijn!"

In haar eer gekrenkt zond zij naar Oeneus' akkers haar wraak, het everzwijn. Het was even groot als de stieren die op Epirus' land grazen en groter dan die op Sicilië; uit zijn ogen spoten bloed en vuur, zijn ruige nek stond stijf van borstelhaar. Zijn sprieten stonden recht als strakke lansen en wekten huivering met hun hechte, hooggerichte kam. Hij blies met rauw gehijg heet schuim over zijn brede flanken. Zijn tanden waren gevaarlijk als die van een olifant. Vurige adem bliksemde uit zijn bek en deed het loof van de bomen branden. Het beest brak de halmen van het groeiende graan en trapte de rijpe korenaren stuk, tot wanhoop van de boeren: het plette de korrels alsof het kaf was. Dorsvloer en korenschuur wachtten vruchteloos op oogsten. De wijnstokken, zwaarbeladen met druiven, lagen vertrappeld op de grond, net als de zwaar beladen takken van olijfbomen. Maar ook schapen waren de prooi van het monster. Geen hond, geen herder kon ze beschermen. Geen woeste stier kon op zo'n moment de kudden redden. De mensen vluchtten weg; binnen de stadsmuren voelde men zich veilig, er buiten echter niet.

Maar toen kwam Meleager; hij bracht een jachtgezelschap van edele Grieken met zich mee. Daar waren de tweelingbroers Castor en Pollux, de ene vermaard als bokser, de andere als paardenmenner. Jason die het eerste schip liet bouwen, was er ook. Het vriendenpaar Pirithoüs en Theseus was eveneens van de partij. Twee zoons van Thestius, en Lynceus, de zoon van Aphareus, bracht Meleager eveneens mee. De snelle Idas was er ook. Zelfs Caeneus, die eertijds een vrouw was geweest, was komen opdagen. Dryas, Hippothoüs en Phoenix, die Amyntors zoon was, waren ook van de partij. Ook twee zoons van Actor, en Phileus uit Elis, kwamen opdagen. Telamon was er ook net als Peleus, de vader van de grote Achilles. Verder hadden we Pheres' zoon en Iolaüs, de sterke Erytion en de renbaankampioen Echion. Lelex van Locris, Panopeus en Hyleus, de drieste Hippasus en zelfs Nestor, toen nog in zijn jonge jaren, ze waren er allemaal. De zonen van Hippocoön uit Amyclae, Laërtes, schoonvader van Penelope, de Arcadiër Ancaeus, de wijze Mopsus en ook Oecleus, die toen zijn vrouw nog niet moest vrezen, waren op de afspraak.

En daar was ook... Atalanta uit Tegea, het pronkstuk van het Lycaeus-woud. Een gladde speld stak door haar bovenkleed, haar haar was heel eenvoudig opgebonden. Een wit-ivoren koker vol met rammelende pijlen hing aan haar linkerschouder. Zo uitgedost had zij een charme die je bij een jongen wat meisjesachtig en bij een meisje wat jongensachtig noemt. Zodra Meleager, de held van Calydon, haar gezien had, werd hij verliefd op haar, zonder dat Cupido hem had getroffen met een pijl. In stilte gloeide hij van liefde en dacht: "Wie door zo'n vrouw verkozen wordt, mag zich gelukkig prijzen..." Maar gebrek aan tijd en verlegenheid braken die gedachten af: de strijd riep eerst op tot grote daden.
 

Tijdens de jacht op het everzwijn falen velen

Er lag een dicht woud midden in een vlakte. Daar aangekomen ging een deel van de mannen jachtnetten spannen; een ander deel liet de honden los of volgde de hoefindrukken om het zwijn op te sporen. Het was een diep dal waar regenwater altijd in beekjes naar omlaag kwam. In de laagte groeiden er taaie wilgen, moerasriet, gras en struiken.

Het zwijn dat van hieruit werd opgejaagd, schoot razendsnel op zijn belagers af. De jagers schreeuwden en hielden de speren op het dier gericht. Het viel aan en beet elke hond die het waagde op zijn pad te komen. Echion slingerde als eerste zijn werpspies maar ze raakte alleen een esdoorn. Jasons speer vloog over het zwijn heen. Mopsus riep: "Apollo! Zowaar ik jou eer en altijd heb geëerd, maak dat mijn speer zijn doel bereikt!"

De god verhoorde tot op zekere hoogte de bede: het zwijn werd wel geraakt maar niet gekwetst omdat Diana de speerpunt in de lucht al had vernietigd. Het zwijn werd nog kwader. In zijn stormloop beukte hij Hippalmus en Pelagon omver. Toen Enaesimus in paniek wou vluchten, knauwde het zwijn zijn kniepees over, waardoor deze jager door zijn benen zakte. Nestor ontsnapte op het nippertje aan hetzelfde lot omdat hij in de takken van de dichtstbijzijnde boom was gesprongen. Het beest sleep zijn slagtanden tegen de stam van de boom om daarna bij Eurytus' zoon diezelfde kromme tanden in het bovenbeen te haken.

De tweelingbroers Castor en Pollux kwamen aangereden op sneeuwwitte paarden, elk zwaaiend met een lans. Maar het borstelige zwijn week uit tussen donkere bomen waar noch een paard, noch een pijl doorheen kon. Telamon zette de achtervolging in maar struikelde over een wortel. Peleus hielp hem weer op de been. Atalanta schoot een pijl af die langs de rug van het zwijn bleef steken in de huid achter het oor: een straaltje bloed sijpelde door de haren van het dier. Meleager was de eerste die het zag; hij wees zijn makkers op het bloedspoor en riep trots naar Atalanta: "Jij mag de prijs van vakmanschap krijgen!"

Waarop de jagers, rood van schaamte, zich probeerden te vermannen door te schreeuwen en in het wilde weg te gaan schieten. Ancaeus riep terwijl hij vervaarlijk met zijn bijl zwaaide: "Jongens, uit de weg! Ik laat wel even zien dat mannen met wapens meer presteren dan zo'n meisje!" Maar... het wilde dier stootte hem met zijn scherpe tanden boven in zijn buik. Ancaeus zakte ineen en zijn ingewanden gleden naar buiten; de aarde kleurde rood van zijn bloed.

Dan wou Pirithoüs het zwijn aanvallen. Maar Theseus hield hem tegen en wierp zelf zijn spies die in een boomtak bleef steken. Ook Jason mikte met een werpspies die echter afweek en het onverdiende eind betekende van Celadon. Toen greep Meleager zijn kans. Hij wierp tweemaal: de eerste lans bleef in de grond steken maar de tweede raakte zijn doel. Het beest ging vreselijk tekeer van de pijn. Meleager naderde en stak zijn jachtmes in de flanken van het monster. Zijn vrienden schreeuwden enthousiast en liepen op hem af om hem de hand te schudden. Ze durfden het grote dier nog niet aanraken, maar ieder prikte wel even met zijn speerpunt in het bloed.
 

Meleager geeft Atalanta het mooiste deel van de buit

Meleager steunde met één voet op de kop van het monster. Hij riep Atalanta bij zich en bood haar een stuk rug en de kop van het zwijn aan. Het meisje was zeer blij met haar geschenk, maar er ontstond natuurlijk jaloezie: de rest van het gezelschap mopperde. Plexippus en Toxeus riepen met opgestoken vuist en harde stem: "Zeg, vrouwmens, leg dat maar neer, bemoei je niet met onze prijzen! Vertrouw ook maar niet te veel op je eigen charmes! Die verliefde winnaar helpt je heus niet!" En toen namen ze haar prijs af.

Maar Meleager pikte dat niet en barstend van woede stak hij zijn zwaard in Plexippus' hart. Toxeus die twijfelde wat hij moest doen, werd gedood door het zwaard dat nog lauw was van zijn broers bloed.
 

Althaea, moeder van Meleager, is in tweestrijd

Terwijl Althaea de goden in de tempels dank bracht vanwege het succes van haar zoon, zag ze opeens een stoet naderen met de lijken van haar broers. Haar geween en rouwmisbaar klonken de hele stad door. Maar toen ze hoorde wie haar broers vermoord had, ruilde ze tranen en rouw voor een niet te stillen honger naar wraak.

Toen zij nog in het kraambed lag, hadden de drie Schikgodinnen een tak in de haard geworpen en voorspeld dat Meleager dezelfde levensduur zou hebben als die tak. Toen de godinnen waren weggegaan, had Althaea het gloeiend stuk hout snel uit het vuur gehaald en in water gedompeld; sinds die tijd lag het zorgvuldig in huis verborgen.

Nu haalde de moeder het te voorschijn en ontstak een dreigend vuur. Viermaal trachtte ze de tak in de vlammen te gooien, maar viermaal schrok ze terug: haar hart was in tweestrijd tussen moeder zijn en zuster zijn. Maar toch won de zuster het uiteindelijk van de moeder omdat haar broers die dood niet verdiend hadden en omdat haar zoon voor zijn misdaad moest gestraft worden. En daarom zei ze: "In die vlammen zal mijn vlees en bloed vergaan!"

Ze pakte het stuk hout vast en riep de Eumeniden aan om toe te zien op dit dodenoffer. Na lang twijfelen wierp ze met bevende hand en afgewend gezicht de dood brengende tak recht in de vlammen. Het was alsof het hout kreunde toen het door het vuur werd aangevreten en verbrandde.
 

Meleager sterft

Zonder te weten wat er thuis gebeurd was, werd Meleager, ver weg van de brandende boomstronk, gepijnigd door een raadselachtig vuur. Dapper verdroeg hij het schroeien van de vlammen maar toch ergerde het hem dat hij zulk een dood, zonder bloed, zonder roem moest sterven. Hij noemde Ancaeus, zo gruwelijk door het zwijn verminkt, zelfs gelukkig om zijn wonden. Hij riep klagend met zijn laatste krachten zijn vader, broers en zusters bij hun naam - en misschien riep hij ook zijn moeder... Nu eens namen de brandende pijnen toe, dan weer werden ze minder; tenslotte doofde bij Meleager het levensvuur en op datzelfde ogenblik viel het stuk hout ineen in een laag witte as.

Calydon lag er verslagen bij. Iedereen rouwde, van jong tot oud, van hoog tot laag. Vrouwen krijsten door heel de stad en rukten zich de haren uit. Meleagers vader Oeneus rolde zich in het stof en besmeurde zijn haren en lichaam; hij vervloekte zichzelf omdat hij nog leefde terwijl zijn zoon al was gestorven. Zijn moeder had haar eigen gruwelijk vonnis al voltrokken door zich op een zwaard te storten.
 

Rouw van Meleagers zusters

Het rouwen van de zusters valt niet te beschrijven, al had ik honderd monden en honderd tongen, en het talent van alle Muzen samen... Ze stompten hun lichaam bont en blauw, trokken zich de haren uit en kusten zijn kil lichaam. Toen hij verbrand en begraven was, gingen ze languit op zijn graf liggen, omhelsden de steen waarin zijn naam was gebeiteld en barstten in tranen uit. Ook Diana zag dit leed in Oeneus' huis en vond dat het zo wel volstond. Daarom gaf ze de meisjes veren aan hun lichaam zodat ze konden vliegen, behalve Gorge en haar zus Deianira. Diana rekte bij de andere meisjes hun armen tot lange vleugels en gaf hun een bek: zo stuurde ze hen het wijde luchtruim in.