Uit LIBER QUINTUS DECIMUS

Egeria treurt om Numa; Hippolytus probeert haar te troosten 

Gesterkt door dit soort wijze lessen keerde Numa terug naar zijn vaderland. Daar aangekomen werd hem gevraagd de teugels van de macht in Latium ter hand te nemen. Met de steun van de Muzen en gezegend met een nimf als echtgenote stelde hij de godsdienstregels in. Hij leerde zijn volk, dat gewend was aan felle strijd, vrede te hanteren.

Na Numa’s dood is Egeria ontroostbaar, zelfs als Hippolytus haar zijn verhaal vertelt

Het koningschap droeg Numa tot op hoge leeftijd. Na zijn dood rouwden senaat en het volk van Latium, de vrouwen jammerden. Egeria zocht buiten Rome, in de dichte bossen rond Aricia, een schuilplaats. Ze verstoorde er, met veel geklaag, Diana’s offerdiensten die sinds Orestes waren ingesteld. Wonderbaarlijk was het hoeveel troost ze kreeg van de stilte van het bos, evenals van de waternimfen die zegden dat ze niet te klagen had. Ach, hoe dikwijls ook sprak Theseus’ zoon haar de volgende woorden toe om haar verdriet te stillen:

"Maak toch een eind aan je geklaag, je lot is immers niet droeviger dan dat van anderen. Verschillende voorbeelden zullen je tranen drogen, ook mijn voorbeeld. Toch wou ik dat het geen voorbeeld van mij was… Je hebt misschien wel gehoord van een zekere Hippolytus, de man die sterven moest door gemeen stiefmoederlijk bedrog. Mijn vader geloofde wat zijn tweede vrouw van hem had verteld. Dat zal je vast verbazen, maar ik kan het bewijzen: die man ben ik.

Phaedra deed indertijd vergeefse moeite om mij in mijn vaders bed te lokken. Toen loog zij tegen mijn vader. Ze zei dat ik het was die dat gewild had. Uit angst om ontdekt te worden of zelfs beledigd te worden door mijn onwil, schoof ze de schuld op mijn schouders. Met verwensingen en boze vloeken werd ik uit de stad verbannen, ook al was ik totaal onschuldig. Ik vluchtte met een wagen naar Troizen, Pittheus’ stad.

Toen ik langs de kustweg bij de engte van Korinthe reed, verhief de zee zich, een immense watergolf leek zich te krommen tot een soort bergrug die steeds groeide. Plots splitste die met een luid gebrul in tweeën. Uit de waterbreuk kwam een breedgehoornde stier te voorschijn. Hij verhief zich met zijn borst en schouders in de zwoele lucht. Uit zijn neus en wijde bek stroomde water. Mijn reisgezellen schrokken. Eerst zag ik geen gevaar, want ikzelf zat in diep gepeins over mijn vlucht, totdat mijn paarden, dat vurig span, de nekken zeewaarts wendden. Met stijfgespitste oren werden ze schichtig, angstig voor dat monster…

Omdat de wagen langs steile kliffen werd meegesleurd, trok ik uit volle macht maar tevergeefs aan de wit beschuimde teugels, ik trok, ver achterover hangend, aan dat stugge leer. Bijna had ik met volle kracht die dolle paarden bedwongen toen een wiel, juist bij het centrale draaipunt om de as, een boomstronk raakte. Door de botsing was het wiel totaal verbrijzeld…

Ik werd uit de wagen geslingerd maar bleef met mijn voet in de teugels hangen. Mijn darmen werden uit mijn buik gerukt. Ik bleef aan een boomstronk hangen en werd volledig uiteen gereten. Ik hoorde en voelde mijn botten stuk voor stuk breken. Als je mij daar had zien liggen sterven, had je geen enkel lichaamsdeel herkend. Ik was een verminkte, bloede- rige massa.

Zelfs jij, Egeria kunt je ongeluk niet meer meten met het mijne. Ik heb de duistere Hades gezien, heb mijn lichaam gebaad in de Phlegethon en was zelfs nooit teruggekeerd naar het leven zonder het krachtige middel van Aesculapius. Want door diens krachtige kruiden en Apollo’s hulp kwam ik, ondanks het protest van Pluto, weer tot leven. Opdat mijn verschijning door dit voorrecht geen afgunst zou wekken, goot Diana nevels om me heen en zorgde ze ervoor dat ik mij in alle veiligheid in het openbaar zou kunnen vertonen door mij wat ouder en onherkenbaar te maken.

Na veel twijfel of ze mij naar Delos of Kreta zou brengen, besloot ze mij naar geen van beide te voeren. Maar naar hier te brengen. Ze deed mij mijn naam, die al te veel aan paarden deed denken, afzweren. Ze zei: ‘Vroeger was je Hippolytus, nu leef je voort als Virbius.’ Sindsdien woon ik dus in dit bos en als een aardse godheid wijd ik mij aan Diana, door wie ik beschermd wordt."

Egeria verandert in een bron

Toch vond Egeria’s verdriet geen troost in het verhaal van andermans leed. Ze lag languit aan de voet van een berg en smolt weg in tranen. Totdat Diana, Phoebus’ zus, de droevige nimf uit eerbied voor haar trouw veranderde in een koele bron en haar tot eeuwig stromend water verdunde.