Uit LIBER NONUS

Dryope

Iole vertelt op haar beurt over haar zuster

Het verhaal van Alcmene had Iole aangegrepen en troostend zei ze: "Toch was dat wezel-meisje niet van je eigen bloed, moeder. Ik zal je eens over mijn zuster vertellen: een wonderbaarlijk lot... hoewel verdriet en tranen mij haast beletten te spreken....

Mijn zus Dryope was enig kind bij een andere vrouw van mijn vader. Ze werd het mooiste meisje van Oechalia genoemd. Ze was gehuwd met Andraemon, hoewel ze verkracht was door de gebieder van Delphi en Delus. Onwetend van haar lot ging Dryope naar een meer met glooiende oevers waar mirtestruiken welig groeiden; ze wou er een krans brengen aan de nimfen. Haar zes maanden oud kind lag in haar armen, drinkend van zijn moeders warme melk. Vlak bij dat meer bloeide waterlotus en Dryope had er wat bloemen van geplukt die ze aan haar zoontje had gegeven om te spelen. Ook ik wou bloemen plukken, tot ik wat bloed zag druppelen uit die lotus en de steel bang en beverig zag trillen. De bosnimf Lotis was namelijk in die bloem veranderd - vandaar de naam - maar mijn zuster wist dat niet!

Geschrokken wou ze weggaan maar ze stond vastgeworteld met haar voeten. Eerst vocht ze nog om los te komen maar alleen haar bovenlichaam bewoog. Langzaam kroop trage schors omhoog en bedekte heel haar onderlichaam. Toen ze dat merkte, wou ze zich de haren uitrukken maar trok slechts blaadjes uit omdat haar hoofd al een kruin was geworden. Haar kind Amphissus (dat was de naam die zijn grootmoeder had bedacht) voelde haar borsten verharden en hoe hard hij ook zoog, er kwam geen druppel melk meer uit. Ik was daar ook en moest dit wrede lot aanzien zonder mijn zus te kunnen helpen. Wel probeerde ik nog de groeiende takken met mijn armen tegen te houden - ik wou zelf in schors veranderen. Haar man en haar vader kwamen ook aangelopen en riepen om Dryope... ik wees hen de lotus aan, maar ze bleven roepen, ze kusten het warme hout en zegen tenslotte neer aan de voeten van hun eigen boom.

Mijn lieve zus was nu een volmaakte boom, behalve haar gelaat: haar tranen druppelden op het gebladerde dat uit haar arme lichaam was gegroeid. Zolang ze nog kon spreken, klaagde ze: 'Ik zweer bij de goden: ik heb dit kwaad niet verdiend! Ik word onschuldig gestraft! Ik leefde toch kuis? Ik mag verdorren als ik lieg, ik mag mijn bladeren verliezen of omgehakt in het vuur belanden! Hier, neem mijn zoontje uit mijn takken en geef hem aan een voedster. Zorg dat hij hier nog vaak melk kan drinken, dat hij vaak bij mijn stam komt spelen en laat hem, als hij kan spreken, uitroepen telkens als hij mij ziet: 'Binnen die boomstam zit mijn moeder!' Maar hou hem weg van vijvers, verbied hem bloemen te plukken van een boom of een struik en leer hem dat daarin goddelijke wezens wonen.... Vaarwel, mijn lieve man, vaarwel zus, vaarwel vader! Als jullie van me blijven houden, hak dan geen takken van mijn stam, en zorg er dan voor dat gulzig vee niet van mijn bladeren eet. Leg nu jullie armen om me heen want ik kan jullie niet meer omhelzen. Kus me maar zolang mijn lippen kunnen kussen, en til mijn zoon nog eenmaal op. Nu kan ik niet meer verder praten want zachte schors kruipt langs mijn nek en de kruin overmeestert mij! Nee, raak mijn ogen niet meer aan want dat laatste eerbetoon komt nu de boomschors toe: die zal voortaan heel mijn gezicht bedekken.'

Haar stem stierf weg, maar nog lang nadat ze veranderd was, gloeide de warmte nog na in de nieuwe takken."