Uit LIBER PRIMUS

Deucalion en Pyrrha

Dicht bij Attica lag Phocis, eens een vruchtbaar land maar nu een deel van de zee. Daar rees een trots gebergte met twee spitsen naar de hemel: de Parnasus, met zijn toppen die tot in de wolken reikten.

Toen Deucalion daar met zijn echtgenote in een bootje bleef steken, riepen ze de goden van die bergstreek aan en knielden neer voor Themis, de voorspellende godin van het recht. Geen man die rechtschapener of edeler was dan Deucalion, geen vrouw die meer respect had voor de goden dan Pyrrha.

Toen Jupiter de aarde door het water verzwolgen zag en merkte dat er slechts één man en één vrouw van zoveel duizenden in leven waren gebleven, beiden onschuldig, beiden vol ontzag voor de goden, liet hij de noordenwind de regenwolken uiteendrijven en gaf de lucht weer uitzicht op het land, en het land op de hemel. Ook de toorn van het water week; Neptunus liet zijn drietand zakken, hij streek het water glad en riep om Triton. Hij vroeg hem luid te blazen op zijn holle schelp en al wat stroomde en vloeide te gebieden zich terug te trekken.

Triton greep dus naar zijn schelp waarvan de holle draaiingen tot een wijde toeter opengingen en die, toen hij de adem van zijn meester voelde, aan alle landen en kusten zijn klank deed horen. Het bevel tot de terugtocht weerklonk en op alle landen en zeeën werd het water bedwongen. De zee kreeg weer land te zien en diepe rivieren vonden hun bedding terug, want hun water zakte; men zag weer heuvels oprijzen waar het water week en na verloop van tijd lieten de bossen hun kaal gespoelde boomtoppen zien met slibberige slierten zeewier op de plaats van het loof.

De wereld was dus teruggekeerd naar wat hij vroeger was, maar toen Deucalion de woestenij aanschouwde, sprak hij tot Pyrrha met een van tranen verstikte stem: "Mijn vrouw, mijn zuster, laatste vrouw die leeft op aarde, aan wie ik eerst verwant was door familie en geslacht, daarna door huwelijksband, en met wie ik nu verbonden ben door gevaren - wij twee zijn de enigen die nog resten van de hele wereld. En zelfs nu zijn onze kansen op overleven nog niet groot, want er zijn nog overal wolken. En jij - stel je voor dat je helemaal alleen, zonder mij, aan het noodlot was ontsnapt, hoe zou je je dan voelen? Hoe zou je, zo eenzaam, je angst overwinnen? Wie zou je troosten in je verdriet? En als de zee jou van het leven had beroofd, dan zweer ik dat ik je gevolgd was tot de zee ook mij verzwolgen had... Ach, kon ik maar met Prometheus' kunsten nieuwe mensen scheppen, nieuw leven blazen in een uit klei gemaakte vorm! Nu is het hele mensenras alleen in ons beiden bewaard, wij alleen blijven over door de wil van de goden..."

Beiden huilden en besloten hulp te vragen aan het orakel. Ze knielden bij het water van de Cephisus dat - nog steeds niet helder - nu wel weer de oude bedding volgde. Toen ze een handvol druppels over hoofd en kleren hadden gesprenkeld, sloegen ze het pad in naar de tempel van Themis.

Het dak van de tempel was nog grijs van het zeewier en er brandde geen vuur bij de altaartafels. Aangekomen bij de treden knielde het echtpaar eerbiedig neer; ze kusten huiverend de koele steen en spraken hun gebed uit: "O Themis, als de goden gevoelig zijn voor onze oprechte smeekbeden, als hun toorn daarvoor wil wijken, zeg ons dan hoe wij dit verlies aan mensen op aarde kunnen goedmaken; help ons, godin, na deze watersnood!"

Hun woorden ontroerden het hart van de godin; het orakel antwoordde: "Ga heen, sluier jullie hoofd, maak jullie dichtgeknoopte mantels los en werp de botten van jullie grote moeder in jullie voetspoor."

Ze waren stomverbaasd; lange tijd zwegen ze tot Pyrrha riep dat ze weigerde de bevelen van het orakel op te volgen; ze smeekte huiverend om vergiffenis omdat ze niet naar Themis wou luisteren maar huiverde even hard bij de gedachte dat ze de schim van haar moeder zou krenken door met haar gebeente te gaan gooien! Ze bespraken en overdachten het duistere antwoord van het orakel steeds weer, ze bleven een verklaring zoeken tot Deucalion met een opbeurend woord zijn vrouw geruststelde: "Ach we kunnen ons vergissen, maar orakels willen toch nooit kwaad stichten? De grote moeder is, denk ik, de aarde, en de stenen in het lijf van de aarde zullen dan wel de botten zijn. 'Werp die in jullie voetspoor', werd ons gezegd..."

Pyrrha was ingenomen met de verklaring van haar man, al was de uitkomst nog onzeker; hun vertrouwen in het orakel kwam er niet onmiddellijk! Maar waarom niet proberen? Ze gingen dus weg van de tempel, knoopten hun kleren los en wierpen stenen in hun voetspoor. En die stenen - wie had het kunnen geloven als deze geschiedenis niet allang bekend was? - raakten kou en stijfheid kwijt en werden langzaam zacht; zacht geworden kregen ze wat vorm, groeiden snel en hadden een zachtaardig karakter; en toen het zover was, kon men een menselijke vorm ontwaren, als een vroeg begin bij het kappen van een marmeren beeld - het is nog lang niet afgewerkt, maar de eerste ruwe vorm is er al. Ieder bestanddeel dat voorheen van aarde was en vochtig, door wat voor sappen ook, fungeerde nu als mensenvlees; wat hard was, groeide uit tot botten en wat zopas nog ader was, behield dezelfde naam. Daar namen de door mannenhand geworpen stenen volgens de wil der goden het uiterlijk aan van mannen, en uit het werpen van de vrouw ontstonden nieuwe vrouwen. Wij mensen zijn dan ook gehard en tegen veel bestand, een duidelijk bewijs van datgene waaruit wij geschapen zijn...