Uit LIBER PRIMUS

De zondvloed

Jupiter liet terstond de noordenwind in de grot van koning Aeolus opsluiten samen met alle andere winden die regenwolken verdrijven; dan stuurde hij de zuiderstorm uit. Die verhief zich op zijn natte vleugels, zijn bars gelaat betrokken door zwarte mist, de baard doornat van de regen, zijn grijze haren één en al water, en nevelslierten langs zijn voorhoofd. Zodra hij met één armbeweging brede wolkenlagen had samengeperst, dreunde de donder, dichte regenbuien plensden neer. Dan zoog ook Iris, Juno's boodschapster, getooid in zeven kleuren, een massa water op dat ze als voedsel naar de wolken bracht. Op aarde werd het koren neergestriemd; die hoop en toeverlaat van de boeren lag gebroken op de aarde - een triest schouwspel, want een jaar hard werken was tevergeefs geweest.

Maar Jupiters toorn beperkte zich niet tot het hemelruim; hij kreeg hulp van zijn broer Neptunus die de stromen optrommelde. Toen die in zijn paleis waren aangekomen, zei hij: "Ik moet niet veel uitleg geven. Al wat ik van jullie verlang, is: laat jullie krachten de vrije loop, daaraan is er nu behoefte. Open jullie beddingen, breek al wat in de weg staat en geef jullie wateren de vrije teugel!"

Thuisgekomen lieten de stromen hun water de vrije loop en wild wentelde het zeewaarts. Neptunus zelf beukte met zijn drietand op de aarde die trillend en schokkend plaats ruimde voor de watermassa's. Rivieren kolkten breed en wijd over weerloze velden; bossen, graan, mensen, dieren, huizen en tempels werden meegesleept. En als er al eens een huis de stortvloed overleefde, dan keerde het water terug en omsloot het dak; zo verdwenen zelfs torens onder de golven...

Er was geen onderscheid meer tussen aarde en zee, tussen beiden was er nergens nog kust te bespeuren. De mensen vluchtten heuvels op, sprongen in roeiboten, trokken aan de riemen waar tot voor kort nog boeren ploegden. Ze voeren boven het koren, boven verzonken daken van villa's; iemand ving een vis in de top van een olm. Een anker vond onverwachts steun in groene weigrond, wijngaarden werden stukgevaren door gebogen kielen en waar zo-even nog slanke geitjes op mals gras kauwden, lag nu een zeehond uit te rusten.

Verwonderd zagen de dochters van Nereus onder water nu een stad vol huizen liggen, een bos waarin dolfijnen zwommen, hoog tussen de takken door - hun staart sloeg soms tegen de stammen. Tussen een kudde schapen zwom nu een wolf; de zee kende nu ook tijgers en leeuwen; everzwijnen hadden niets meer aan hun gebalde kracht, herten hadden niets meer aan hun snelheid; zelfs vogels speurden nu naar een plek waar ze nog konden landen, maar stortten dan met vermoeide vleugels ergens in de golven neer. Het water bedekte de heuvels en bergtoppen voelden voor het eerst de regelmaat van de golfslag. En als er al schepsels waren die aan het water ontsnapten, dan kwamen ze om van honger en ontbering...