Uit LIBER QUINTUS DECIMUS

De leerstellingen van Pythagoras 

In Croton leefde de Griekse filosoof Pythagoras. Hij was Samos en Samosí tirannie ontvlucht. Hij had voor ballingschap gekozen uit afkeer van de alleenheerschappij... Pythagorasí gedachten waren groot, hij zag dingen die van nature niet aan mensenblikken gegund waren. Toen zijn studie over het heelal beŽindigd was, ging hij mensen daarover onderwijzen. Zwijgend en diep geboeid door wat hij zei, vernamen zijn leerlingen de oorsprong van het heelal en leerden ze over de natuur en haar bestel.

Ze leerden wat goden zijn, waar sneeuw vandaan komt en over het ontstaan van bliksem, of het Jupiter is die met wolken dreunt en dondert of de wind. Hij toonde hun aan waardoor de aarde schokt, zo ook de loop en de regelmaat van de sterren, kortom zowat alles wat nog verborgen was. Hij was de eerste die het eten van dierenvlees veroordeelde, hij als eerste gaf deze wijze, maar niet goed verstaanbare les:

"Mensen! Bezoedel je rein lichaam niet meer met misdadig voedsel. Er is graan en er is fruit in overvloed. Er zijn druiven die in de zon aan wijnstokken zwellen. Hoeveel malse gewassen en groenten kunnen we niet zacht stoven of koken. Niemand heeft een tekort aan roomwitte melk of honing met de bloesemgeur van tijm. Moeder aarde schenkt ons rijke oogsten, eetbaar voedsel en tafels vol met spijzen. We hebben daar geen bloedvergieten en moord voor nodig! De meeste dieren die honger voelen eten grassen: zo heb je paarden, runderen en schapen. Alleen wilde, ontembare dieren zoals de Armeense tijgers, woeste leeuwen, beren en wolven houden van maaltijden waar het bloed moet vloeien.

Het is een misdaad je eigen pens met pens te vullen, je eigen vlees te spekken met het vlees van anderen. Het is gruwelijk om zelf te leven door andere levende wezens te vermoorden! De aarde schenkt ons zoveel rijkdom en toch willen we onze tanden zetten in smakelijke hespen en tekeer gaan als woeste Cyclopen. Men moet de honger van een vraatzuchtige maag niet genezen door een ander dier te doden!

Ooit is er een tijd geweest, de Gouden Eeuw genoemd, waarin we alleen maar Moeder Aardeís gewassen aten; onze mond was niet besmeurd met bloed. Toen vlogen de vogels nog ongehinderd door de lucht. Een haas huppelde volkomen onbevreesd door het open veld. Een vis bleef niet aan een vishaak hangen. Intriges bestonden niet, men had nog nooit van vals bedrog gehoord, er was alleen maar vrede. Toen werden enkele mensen jaloers op de goden bij het zien van hun offervlees. Sufferds gingen hun maag volproppen met vlees en zo wezen ze de weg naar moord. Van toen af aan verwarmde ieder zwaard zich aan het bloed van dierenoffers en daar ligt de grens.

Goed, beesten die mensen beletten, worden doodgeschoten, maar doodschieten kan je niet vergelijken met verorberen! Het ging van kwaad naar erger: men beweerde dat het eerst geslachte zwijn zijn dood verdiend had, omdat het met zijn snuit naar zaad gewroet had en zo de oogst bedorven was. Een bok werd als straf geofferd aan Bacchus omdat de bok een wijnstok vernield had. Deze dieren stierven door eigen schuld, maar waarom worden schapen dan geslacht? Schapen, nuttig en vreedzaam vee, geven uit hun uiers overvloedig veel melk. Door hun wol kan de mens zich in zachte kleding hullen: ze zijn ons nuttiger levend dan dood.

Waarom ossen slachten? Het zijn dieren zonder enig kwaad, ze zijn onschadelijk voor een zware last geschapen. De mens is ondankbaar en verdient zijn graanoogst niet als we onze trouwe akkervriend slachten omdat de kromme ploeg hem te zwaar wordt. De nek van de os is afgebeuld door het zware werk, had zo vaak de stugge kluiten omgekeerd en de oogst opgehaald, en toch klieven we hem met de bijl. Het blijft niet bij dit onrecht. Men geeft zelfs de hemel de schuld van dit kwaad, omdat de mens denkt de goden blij te maken met het slachten van een stier.

Het offerdier, een vlekkeloos en prachtig exemplaar wordt bij het altaar neergelegd. Daar getooid met goud en offerlint aanhoort hij gebeden die hij niet kent. De stier krijgt korrels graan over zijn kop gestrooid waar hij zelf voor gezwoegd heeft. Dan kleurt het slachtmes dat hem wondt, rood door bloed. Direct daarna worden zijn ingewanden uit zijn warme lichaam getrokken om daaruit de plannen van de goden te lezen. Waarom waagt de mens daarvan te eten? Is de honger naar verboden voer zo sterk? Daarom: doe het niet en luister naar mijn woorden. Als jullie van het vlees van jullie geslachte ossen wilt gaan proeven, bedenk en voel dan dat jullie op jullie eigen werkvee kauwen!

Ik wil de goden niet teleurstellen en daarom gebruik ik mijn kennis om over de hemel en zijn geheimen te praten. Ik vertel jullie over dingen die nog nooit door de mens bevroed werden en lang verborgen zijn gebleven. Ik wil ver van de wereld op wolken rijden om het redeloos en doelloos dwalen van de mens te onderzoeken, hem in zijn onzekerheid en doodsvrees te steunen en dan te spreken over wat er is beschikt. O, aarde die gevuld is met angst voor de dood, wat zal er gebeuren met de Styx, de schimmen en het waanidee dat stof voor dichters is? Men is bang voor een verzonnen wereld! Jullie moeten weten dat, nadat jullie lichaam afgestorven is, jullie ziel zal verder leven en van het ene lichaam naar het andere verhuizen. In de Trojaanse oorlog was ik ooit een zoon was van PanthoŁs en heette Euphorbus; ik werd getroffen in de borst door de zware speer van Menelaus. Het schild dat ik aan mijn linkerarm droeg, heb ik onlangs zien hangen in de Juno-tempel in Argos, de stad van Abas.

Alles verandert maar niets vergaat. De ziel doolt rond, van hier naar daar en omgekeerd, bewoont elk lichaam dat hij maar wil, gaat van een dier naar een mens en terug naar een dier, maar nooit zal hij het begeven. Hij beeldt steeds iets anders uit, blijft niet wat hij geweest is, bewaart niet dezelfde vorm, maar is wel uit dezelfde stof vervaardigd. Ze is steeds dezelfde, maar verschijnt in allerlei gestalten. Vandaar mijn boodschap: íHou van het leven! Zie af van het sterven, waardoor verwante zielen verhuizen! Bloed moet niet van bloed bestaan!í

En nu ik toch begonnen ben, moet ik verder doen. Er is niets op deze wereld dat in dezelfde vorm blijft bestaan. Alles verandert, elk ding krijgt een vorm en verdwijnt. Ja, ook de tijd verstrijkt als de stroming van een rivier, die haar beweging niet kan tegenhouden, net zoals een vluchtig uur niet kan stilstaan. Zo stuwt water zich voort en wordt het in de rug geduwd, maar vloeit ook zelf voort. Zo vliegt de tijd voorbij en verandert steeds. Wat vroeger was, is nu voorbij en nu gebeurt wat nog komen moet. Ieder moment verandert.

Zo zie je ook dat de nacht altijd weer wordt gevolgd door de dag. Steeds weer komt stralend zonlicht uit de zwarte nacht te voorschijn. Wanneer alles ligt te rusten, verschijnt er een andere kleur dan Lucifers witte ros. Alles is opnieuw weer anders als Aurora de dag aankondigt en de hemel kleurt vůůr zij het zonlicht laat schijnen. Ook de Zonnegod is ís morgens rood, als hij opkomt, en wordt weer rood, als hij slapen gaat. Maar op zijn hoogste punt is hij helder wit, omdat de lucht daar zuiverder is en omdat hij ver van het vuil van de aarde verwijderd is.

Ook de maangodin Diana zal nooit hetzelfde lichaam behouden: wanneer zij groeit, zal zij vandaag wat kleiner zijn dan morgen, en wanneer zij afneemt, weer wat groter. Je ziet dat een jaar vier seizoenen doormaakt als de fasen van een mensenleven. Bij nieuwe lente is het jaar teer, het leeft van de sappen als een kind. Er groeit een fris, nog niet zoín sterk gewas, maar het maakt de boeren wel al blij en hoopvol. Alles staat dan in bloei, op de rijke bodem groeien bloesemtinten, maar het groen moet nog volwassen worden.

Na de lente komt de zomer. De kracht van het jaar neemt toe... Er is geen ander seizoen dat even krachtig en vruchtbaar is en zoín gloed bezit. Maar als de levenswarmte mindert en het najaar nadert, is men rijp en rustig, niet meer jong, maar ook nog niet oud en het haar wordt grijs. Dan is er de winter, die oud en bars is. Zijn voetstap beeft en zijn kruin is kaal, maar wat er nog overblijft, is wit.

Ons lichaam verandert constant. We blijven niet wat we zijn. Eerst waren we zaad, als eerste hoop op leven, dat zich in de moederbuik bevond, als een kunstwerk in de handen van de natuur. De natuur zorgde ervoor dat we niet in de buik van de moeder bleven zitten, maar eruit geperst werden om de wijde wereld in te trekkenÖ Daar ligt de pasgeboren baby, nog krachteloos. Maar al snel begint hij op handen en knieŽn te kruipen, als een dier. En heel langzaam gaat het rechtop lopen, met de knieŽn gekromd, en om zijn evenwicht te houden, heeft hij nog steun nodig.

Vervolgens geniet de mens van zijn jonge jaren, wordt volwassen en daarna volgt hij het pad naar ouderdom en de dood. De tijden veranderen. De oude Milo treurt om zijn slappe en neerhangende armen die ooit te vergelijken waren met die van Hercules. Ook Helena treurt om de rimpels die ze ziet wanneer ze in de spiegel kijkt, en vraagt zich af waarom zij, de eerste maal door Theseus en de tweede maal door Paris, geschaakt werd. Tijd en jaloezie is het slechtste dat bestaat. Alles sterft langzaam af.

De elementen blijven niet bestaan. Ik zal u over hen vertellen. Het bestaan kent vier elementaire oerstoffen. Twee van hen zijn zwaar, aarde en water, die door hun gewicht vanzelf naar beneden getrokken worden. De twee andere zijn gewichtloos. Wanneer er niets op hen drukt, gaan ze naar boven: lucht en vuur. Vuur is nog lichter dan lucht. En alle vier, hoe ver ze ook van elkaar verwijderd zijn, ontstaan uit elkaar en gaan van de ene naar de andere over. De aarde wordt water, die lucht wordt. Wanneer de zwaartekracht wegvalt, schiet de lucht omhoog en wordt vuur. Daarna zijn de rollen omgedraaid. Vuur condenseert en wordt damp, die op zijn beurt in water verandert en opnieuw de aarde wordt.

Niets behoudt dezelfde vorm. Moeder Natuur laat elke vorm ontstaan uit een andere vorm. Niets gaat verloren, maar verandert. Men spreekt van een geboorte wanneer er iets anders ontstaat en men spreekt van sterven wanneer de oude vorm verdwijnt. Alles mag veranderen, maar de wereld blijft bestaan.

Ik geloof dat niets in hetzelfde lichaam blijft bestaan. Bekijk de eeuwen die veranderd zijn van goud naar ijzer. Bemerk hoe vaak de toestand van de aarde gewijzigd is. Ik heb een zee gezien waar vasteland was en ik heb land gezien waar de oceaan was. Ver van de kust vindt men wel eens een mosselschelp en hoog in de bergen vond men oude ankers. Wat ooit vlak was, is nu een dal, gebergten zijn nu velden door de watersnood. Moerasgebieden drogen uit tot zandgrond en wordt een streek die dorst moet lijden, maar nu staan ze weer vol met waterpoelen.

De natuur laat nieuwe bronnen ontstaan en laat oude opdrogen. Rivieren die ooit verdwenen waren door een aardschok, komen weer tot leven en andere drogen uit. Zo is de Lycusstroom verdwenen door een aardspleet en stroomt verder uit een nieuwe opening. De lange Erasinus dringt eerst de aarde binnen, stroomt daarna ondergronds verder en komt weer boven in Argolis. In MysiŽ stroomt de CaÔcus nu heel anders, want hij was zijn bron en oude bedding beu. De Siciliaanse Amenanus stroomt niet altijd, want soms is hij uitgedroogd. Ooit dronk men graag uit de Anigrus, maar nu wil geen mens er nog van proeven sinds Centauren er de pijlwonden van de boog van Hercules in uitspoelden. En denk eens aan de Hypanis, die in het Scythisch bergland stroomt en zoet was, maar nu enkel nog naar bitter zout smaakt.

Ooit werden Antissa, Pharos en Tyrus in FeniciŽ door de zee overspoeld en nu zijn ze zelfs geen eiland meer. Maar Leucas, dat ooit beschouwd was als vasteland, ligt nu diep in de zee. Zancle hing ooit vast aan ItaliŽ, totdat de beide kusten gescheiden werden door zee. Helice en Buris, in Achaea, liggen onder water: zeelui wijzen er nog steeds de stadsruÔnes met hun verdronken muren aan. De heuvelbult, niet ver van Troizen, Pittheusí stad, was vroeger de vlakste vlakte. Nu is ze een steile, kale en boomloze heuvel, want toen de woeste winden weer eens in de aardbol zaten, wilden ze toch graag ergens waaien. Ze worstelden om de lucht te bereiken, maar doordat de aarde nergens een spleet vertoonde en doordat er nergens een uitweg voor hun blaaskracht was, begon de bodem uit te zetten. Het was net zoals men met adem een gedroogde blaas of leren zak van geitenvel kan spannen. Die zwelling bleef als een hoge heuvel zichtbaar en verhardde mettertijd.

Ik vertel slechts een enkel ding van alles wat ik allemaal vernomen heb. Water krijgt steeds een nieuwe vorm: Ammon, de stroomgod, is ís middags koud, maar bij zonsopgang en zonsondergang is hij lekker warm. Het verhaal speelt zich af in Epirus. De inwoners staken fakkels aan in een bron, wanneer de maan er het kleinst was. Bij de Ciconen is er een rivier en als je er van drinkt, verander je in steen. De Crathis en de Sybaris, niet ver van hier, kleuren je haar met een glans van barnsteen of goud. Er is ook water dat niet alleen iemands lichaam, maar ook zijn geest verandert: wie uit het bronmeer van Salmacis of uit dat meer in EthiopiŽ drinkt, wordt gek of door een zware roes bevangen.

Wie uit de Clitorbron drinkt, houdt niet meer van wijn en drinkt zijn hele leven lang alleen nog maar water, ofwel omdat die bron een kracht heeft die het verlangen naar wijn dooft, ofwel omdat Melampus er met een toverspreuk en kruiden Proetusí dochters van hun waanzin heeft afgeholpen en er de tovermiddelen heeft gegooid waardoor het wijnvijandig werd. Een stroom die omgekeerd werkt, bestaat bij de LyncestiŽrs: wie te gulzig daarvan drinkt, wordt dronken, ook al heeft hij bijna geen wijn gedronken.

In ArcadiŽ is er een meer, ooit Pheneon genoemd, dat gevaarlijk is om er ís nachts te drinken, maar overdag is er niets aan de hand. Zo bestaan er meren en rivieren met een speciale kracht. Delos dreef ooit op zee, maar nu ligt het vast. Ooit was het Argoschip gevreesd voor het botsen van de Symplegaden, maar nu zijn ze onverslaanbaar en trotseren ze elke storm.

De Etna die voortdurend zwavel uitstoot, zal toch nooit blijven vlammen. Dat heeft ze zelfs nog nooit gedaan. Hiervoor zijn er verschillende redenen. De aarde is ten eerste een levend wezen met wonden dat op een aantal plaatsen vuur uitstoot. Zij is heer en meester over die vuurkanalen en kan, na elke schok, de ene vuurmond sluiten en de andere openen. De snelle winden zijn opgesloten in hun hol waar ze elkaar stenen en gloeiende aardkluiten toegooien; daardoor raakt de Etna in brand. Pas als die winden bedaard zijn, zullen hun holen afkoelen. Als de aarde tenslotte de vuurzee niet meer voedt, zal het vraatzuchtig vuur in doodsnood doven: vuur kan geen honger verdragen.

Men zegt van de HyperboreeŽrs (die in het noorden wonen bij Pallene) dat ze, na negen keer ondergedompeld te zijn in het Tritonmeer, een donzen vacht met pluimen krijgen. Ook zegt men dat de Scythendochters diezelfde kunst verstaan, maar dan door tovervocht te sprenkelen. Ikzelf geloof dat niet.

Enkele overduidelijke voorbeelden van dit soort gedaanteverwisselingen zullen je van deze eeuwige verandering overtuigen. Uit karkassen komen kleine diertjes vliegen, nadat ze lang zijn blijven liggen in de hitte van de zon. Neem je beste stieren, slacht ze en leg ze in een kuil. Bijen zullen er spontaan tot leven gewekt worden. Die honingzoekers houden van het veld en werken nijver aan de toekomst. Een begraven krijgsros brengt een horzel voort. Als je van een zeekreeft de scharen afbreekt en de rest met aarde toedekt, komt er uit zijn graf een schorpioen gekropen die met kromme angel aanvalt.

Vlinders die symbool zijn voor de dood, zijn ontpopt uit rupsen die zich hebben ingesponnen met hun witte draad tot een cocon. Uit zaad dat zich in moddergrond heeft genesteld, ontwikkelen zich poten om te kunnen zwemmen en bovendien nog ver te kunnen springen (vandaar dat de achterpoten langer zijn dan de voorste twee); uiteindelijk ontkiemt daaruit een kikker. Zelfs een beer vormt een onbeholpen vleeshomp al likkend om tot zijn jong. Ook de bijen ontwikkelden zich spontaan in hun zeshoekige wassen hokjes van eerst nog onvolledig geboren tot wat poten en vleugeltjes heeft. Zo breken Junoís pauw met sterren in de staart, of de vogel die de wapendrager is van Jupiter, of Venusí duiven, allemaal uit een en dezelfde oorsprong: een ei. Sommigen denken zelfs dat het merg van een menselijke ruggengraat zich in het graf ontbindt tot een slang.

Al deze dieren vinden hun oorsprong bij een ander dier, maar een vogel bij de AssyriŽrs Phoenix genaamd, heeft zichzelf verwekt en gebaard. Hij eet geen planten en geen graan, maar leeft van druppels hars en amomumsap. Na vijf volle eeuwen geleefd te hebben, bouwt hij hoog in een wiegende palm of eikenboom een nest. Zijn klauwen en reine snavel zijn hem dan steeds van dienst. Toegedekt met lavendelgroen, zachte narduspluimen, stukjes kaneel en bruine mirre, neemt hij er plaats en vindt zijn einde in dat geurig bed. Uit de as van de vader verrijst een kleine Phoenix, die weer zo lang mag leven. Zodra die vogel kracht genoeg heeft, tilt hij zijn wieg en ook zijn vaders graf op en brengt het naar Heliopolis, waar het in de voorhal van het heiligdom van de zon een nieuwe plaats krijgt.

We kennen nog meer van die wonderbaarlijke en ongekende verhalen die ons mogen verbazen. Zoals de dubbelrol van een hyena, een dier dat leeft van lucht en winde en de kleur aanneemt van alles wat het aanraakt. Eerst is zij ít vrouwtje dat zich laat bespringen en daarna het mannetje! En lynxen, die ooit gewijd waren door het veroverde India aan de met wijnranken omkranste Bacchus, hebben blaasvocht dat, bij aanraking met de buitenlucht, zo hard als ijs wordt. Zo verstijft ook koraal, een zwierig wuivend zeegras, als dat maar even boven water komt.

De Zonnewagen zal eerder de diepe Oceaan bereiken dan dat ik alles wat nieuwe vormen krijgt, heb opgesomd. Wij zŪen de tijden veranderen: terwijl het ene volk machtig wordt, komt het ander ten val. Hoe hoog heeft Troje, dat zoveel levens kon geven, tien jaar lang, niet gereikt met middelen en mannen? Nu kan ze enkel nog ruÔnes en voorvaderlijke graven tonen, zonder rijkdom. Roemrijk was Sparta, groots was ooit Myceneís macht, die van Cecropsí stad en die van Amphions burcht. Maar nu zijn het nog maar namen: Sparta, dat is nu braakliggende grond; het hoge Mycene ligt geveld; zelfs Thebe met zijn Oedipus, Athene en Pandion, het zijn nog enkel namen!

En thans verrijst, aan de oever van de Apennijnse Tiberstroom, een machtig bouwwerk, het nieuw-Trojaanse Rome. Het legt er de grondslag voor een nieuwe heerschappij. Bij de groei ervan zal ook die stad van vorm veranderen, ooit zal het, volgens priesters en orakelspreuken, de hoofdstad van de wijde wereld zijn. Dit doet me denken aan Helenus, de zoon van Priamus: toen Troje in de vlammen opging, sprak hij Aeneas troost toe in diens wanhoop en verdriet met de volgende woorden:

"Zoon van een godin, let goed op wat ik je zeg! Zolang jij veilig bent, zal Troje nooit totaal ten onder gaan. Je moet jezelf en Trojeís Penaten zien te redden van het vuur, weg van die strijd, tot aan een vreemde kust, die gastvrijer zal zijn dan je eigen land. Dit land zal Troje en jou een nieuw bestaan geven. Ik zie dat er een nieuw-Trojaanse stad jullie wachten, zoals er nergens is, nooit meer zal zijn en nooit gezien is. Kortom, die stad zal onder vele heersers eeuwenlang haar macht ontplooien. Slechts een van hen kan tot wereldkoning gemaakt worden: Augustus, nazaat van Julusí bloed. Hij zal, na zijn leven op aarde, hoog ten hemel stijgen. De godenwoning zal door zijn komst verblijd worden."

Ik weet nog heel goed dat Helenus dit alles aan Aeneas, Trojeís redder, heeft voorspeld, en het verheugt me dat mijn dierbaar Troje is herrezen en niet voor niets door Grieken geveld isÖ

Wat ik uit dit alles kan besluiten: alles wat hemels en wat aards mag zijn, verandert van gedaante. Wij, als mensen die eveneens deel uitmaken van het heelal, ondergaan een gelijkaardige gedaantewisseling. Niet alleen als lichaam maar vooral als fladderende ziel kunnen wij veranderen in een wild dier of zelfs in vee. Gun dus die dieren een waardige, verdiende rust en vrede als de ziel van onze ouders, broers of van welke verwanten ook, in elk geval van mensen die in die dieren rusten.

Laten we dus geen Thyestes-voer eten! Hoe slecht is de gewoonte niet van een goddeloze aanslag op eigen bloed. Zo doorklieven mensen de keel van een jonge koe met hun zwaard. Ze laten haar daarna zonder meelij klagen. Zelfs een bokje dat om hulp roept als een angstig kind, zal men slachten. Men zal smullen van een vogeltje dat men zelf graantjes gafÖ Wat is dan eigenlijk het verschil met wat men een echte misdaad noemt? Waar ligt de grens bij dergelijke daden? Een stier moet zijn leven lang ploegen om op hoge leeftijd geslacht te moeten worden.. Een schaap staat gedwee haar vacht af om ons te beschermen tegen de kille noordenwind. Een geitje moet haar volle uier laten leegmelken.

Schaf die netten, strikken, klemmen en andere gemene listen toch af! Bedrieg een vogel niet meer met takken vogellijm, omsingel herten niet met schrikdraad die volhangt met vogelveertjes, verberg geen scherpgebogen vishaak in dat bedrieglijke aas! Enkel dieren die schade doen, mag je doden, maar laat het dan bij doden. Hun vlees behoort niet in jullie mond: jullie mond kent toch zachter voedsel!"